Conclusie
1.[eiser 1] (hierna: ‘ [eiser 1] ’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
(eisers tot cassatie onder 1 en 2 gezamenlijk hierna: ‘ [eisers] ’)
1.[verweerder 1]
[verweerder 2](verweerders in cassatie onder 1 en 2 gezamenlijk hierna: ‘ [verweerders] ’)
1.Feiten
(14) maandenna het tekenen van de Overeenkomst, behoudens verlenging van deze termijn tussen Partijen in onderling overleg, niet alle onder artikel 10.3 sub a, b, c en d genoemde zaken zijn verkregen.
negen (9) maandennadat de in artikel 12.1 genoemde termijn is verstreken:
2. Gemeentelijke route en planning voor het gebied
3. Contract, uitvoering en juridische levering [a-straat 1 en 2] .
A-G] ontving ik het bericht dat jullie graag, zoals afgesproken, eind maart de levering zien plaatsvinden. Wij begrijpen volledig dat jullie behoefte hebben om dit proces af te ronden. Toch willen we jullie vragen nog iets langer geduld te hebben, de eindstreep is nu écht in zicht maar vraagt van beide partijen een (nog) iets langere adem. Tot het zover is, zijn wij bereid jullie financieel tegemoet te komen en een regeling te treffen. (...) Ik hoop van harte dat jullie bereid zijn de koopovereenkomst te verlengen met zes maanden (...). Ik begrijp dat we wederom flexibiliteit en geduld van jullie kant vragen en had het ook liever anders gezien.
- Levering in 2018. Gezien de WVG is dit uitzonderlijk en drie jaar eerder t.o.v. overige partijen in dit gebied die moeten wachten tot 2021.
- (...)” [6]
1 november 2018 te hanteren. Dit omdat de gemeente bereid is mee te werken aan het passeren van het voorkeursrecht en er mogelijk dus alsnog – zij het later – uitvoering kan worden gegeven aan de koopovereenkomst. Over de exacte voorwaarden die de gemeente wenst te verbinden aan het verlenen van vrijstelling van de aanbiedingsplicht zijn [eiser 1] [ [eiser 1] ,
A-G] en ik momenteel in gesprek met de gemeente. Als er met de gemeente overeenstemming is bereikt kan er dus worden geleverd. Wordt geen overeenstemming bereikt dan zal de koopovereenkomst helaas alsnog zijn ontbonden.
1 november 2018, of zoveel eerder.
2. Een rentevergoeding van
€ 10.000,- per maandte betalen vanaf begin april 2018 tot levering. Indien niet op 1 november 2018 door ons wordt afgenomen dan zijn [eiser 1] en ik het geld kwijt.
Kun je hier nog jouw reactie op geven?” [10]
2019uw schriftelijk verzoek tot verlenging in ieder geval inhoudende:
op 30 juni 2020. 1 juni 2020 is gebaseerd op vaststelling bestemmingsplan 31 maart 2020, zes weken bezwaar- en beroepstermijn en 6 tot 8 weken financieringstermijn.
a. € 5.000,- direct iedere eerste van de maand.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
primaira) de verlengingsovereenkomst vernietigt,
b) voor recht verklaart dat de door partijen gesloten koopovereenkomst ter zake van de percelen [a-straat 1 en 2] te [plaats] niet is geëindigd en moet worden nagekomen door [verweerders] ,
c) [verweerders] veroordeelt om € 150.000 aan [eisers] te betalen,
d) [verweerders] veroordeelt tot nakoming van de koopovereenkomst dan wel tot nakoming van de verlengingsovereenkomst en de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst en daarbij [verweerders] veroordeelt om op eerste verzoek van [eisers] hun medewerking te verlenen aan i) de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst met de gemeente en ii) de levering van de percelen [a-straat 1 en 2] aan [eisers] en
subsidiaire) [verweerders] veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat, en
f) [verweerders] bij wege van voorschot op die nader te bepalen schadevergoeding veroordeelt om € 150.000 aan [eisers] te betalen.
primaira) voor recht verklaart dat de koopovereenkomst en de verlengingsovereenkomst op 1 juli 2019, dan wel op 19 juli 2019 of 3 augustus 2019 zijn geëindigd dan wel ontbonden,
subsidiairb) de koopovereenkomst en de verlengingsovereenkomst ontbindt op grond van artikel 12.4. koopovereenkomst, dan wel bepaalt dat [verweerders] in redelijkheid niet meer gehouden zijn om enige verplichting uit hoofde van de koopovereenkomst en/of de verlengingsovereenkomst jegens [eisers] na te komen, en
zowel primair als subsidiairc) bepaalt dat het door [eisers] gelegde beslag op de percelen [a-straat 1 en 2] op straffe van verbeurte van een dwangsom dient te worden opgeheven en [eisers] op straffe van verbeurte van een dwangsom verbiedt om nogmaals beslag te leggen op de percelen.
Beëindiging naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
dan zijn [eiser 1] en ik het geld kwijt”. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de beëindiging per 1 juli 2019 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
primaira) de verlengingsovereenkomst zal vernietigen,
b) [verweerders] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 150.000 aan [eisers] , en
primair en subsidiairc) [verweerders] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, en
d) [verweerders] hoofdelijk bij wege van voorschot zal veroordelen tot betaling van € 1.709.000 aan [verweerders]
Beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
onaanvaardbaaris.
grief 15evenmin terecht is voorgesteld.”
Beantwoording kernvraag
grief 16faalt.”
Afbreken onderhandelingen en schadevergoeding?
A-G):
grief 17,
grief 18,
grief 19,
grief 20,
grief 21en
grief 22eveneens moeten worden verworpen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Meest subsidiair I en II
Meest subsidiair I
strenge en tot terughoudendheid nopende” [29] maatstaf die Uw Raad in het
CBB/JPO-arrest, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, als volgt heeft geformuleerd:
De Ruiterij/MBO-arrest, waar Uw Raad in de in randnummer 3.8 hiervoor geciteerde rechtsoverweging eveneens naar heeft verwezen:
Plas /Valburg-arrest, [36] dat Uw Raad in het
CBB/JPO-arrest overigens niet heeft genoemd (zie randnummer 3.8 hiervoor), [37] heeft Uw Raad aanvaard dat een verplichting tot vergoeding van (een deel van) de tijdens de onderhandelingen gemaakte kosten “z
elfs zou kunnen bestaan”:
nog niet in een zodanig stadium” en “
maar reeds wel in een stadium”– doet vermoeden dat sprake is van een lineair verloop waarin sprake is van elkaar opvolgende stadia (of fases) en ook van steeds verdergaande verplichtingen van de afbrekende partij. [39] Dat is echter niet juist. [40] In latere rechtspraak van Uw Raad over afgebroken onderhandelingen, wordt ook niet meer gerept van stadia (of fases). Het gaat niet zozeer om elkaar opvolgende stadia (of fases), maar om naast elkaar bestaande situaties en aansprakelijkheidsgronden. [41] In de regel brengt de onderhandelingsvrijheid ook ‘afbreekvrijheid’ met zich, zonder enige verplichting. Dat ligt uiteraard anders wanneer van ‘totstandkomingsvertrouwen’ sprake is en afbreken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [42] Dan is de afbrekende partij aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade. Maar buiten dat geval regeert de vrijheid en is er enkel een gehoudenheid tot het vergoeden van kosten in specifieke situaties die niet altijd in elk onderhandelingsproces aan de orde zullen zijn. Tegen deze achtergrond moeten we wat mij betreft naar rov. 3.5 uit
Plas /Valburgkijken.
Plas /Valburg-arrest is in latere rechtspraak van Uw Raad geen duidelijkheid gekomen. [43] A-G Spier gaf daarvoor in 2006 een plausibele verklaring (zonder voetnoot uit het origineel):
Plas /Valburg-arrest wordt een voor de hand liggend voorbeeld gegeven van een geval waaraan bij rov. 3.5 uit dat arrest gedacht kan worden:
Principles of European Contract Law(PECL) en art. II.-3:301 lid 2
Draft Common Frame of Reference(DCFR):
Plas /Valburg-arrest kan worden afgeleid dat Uw Raad toentertijd het oog had op een soort rechtmatigedaadsconstructie (afbreken staat vrij mits kosten worden vergoed; aansprakelijkheid is aan de orde wanneer kostenvergoeding uitblijft). [48] Inmiddels wordt in de doctrine breed aanvaard dat die gekunstelde constructie beter vermeden kan worden. [49] Als grondslag voor vergoeding in dit soort specifieke gevallen kan thans [50] met name, [51] en zoals bij de bespreking van de cassatieklachten zal blijken juist ook in verband met de onderhavige zaak, [52] worden gedacht aan een actie uit ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW Pro). [53]
Plas /Valburg-arrest dus nog springlevend. [54] Dat beeld lijkt ook te worden bevestigd in de op dit punt schaarse rechtspraak. [55] Uit een analyse van de feitenrechtspraak na
CBB/JPOblijkt verder dat
Plas /Valburgmet name nog wordt aangehaald in gevallen als bedoeld in rov. 3.5 van dat arrest, waarin geen sprake is van onaanvaardbaar afbreken, maar toch aanleiding kan bestaan voor vergoeding van (een deel van) de gemaakte kosten. [56]
Plas /Valburg-arrest merk ik het volgende op. In de doctrine wordt deze schadevergoedingsverplichting soms ook onder de noemer gebracht van vergoeding van het negatief contractsbelang. [57] Een verschil met het negatief contractsbelang waarop aanspraak kan worden gemaakt wanneer aan de ‘onaanvaardbaarheids’-maatstaf uit het
CBB/JPO-arrest is voldaan (zie randnummers 3.8-3.9 hiervoor) is echter dat het in het specifieke geval als bedoeld in rov. 3.5 uit het
Plas /Valburg-arrest om een beperktere schadevergoedingsverplichting gaat dan bij vergoeding van het volledige negatief contractsbelang aan de orde is. [58] Om beide schadevergoedingsverplichtingen uit elkaar te houden, kan in het kader van rov. 3.5 uit het
Plas /Valburg-arrest beter niet worden gesproken van vergoeding van het negatief contractsbelang, maar van vergoeding van gemaakte kosten. Men dient er echter op bedacht te zijn dat de term negatief contractsbelang, als gezegd, ook wel wordt gebruikt in verband met rov. 3.5 uit het
Plas /Valburg-arrest. Daarom wordt de term hierna soms tussen aanhalingstekens geplaatst.
in overleg treden over mogelijke verdere verlenging van de koopovereenkomst” (zie randnummer 1.17 hiervoor) oftewel een contractuele onderhandelingsplicht (vergelijk ook randnummer 3.4 hiervoor). [60] Er was anders gezegd geen sprake meer van de
precontractuele fase maar van een
postcontractuele fase (vergelijk ook randnummer 3.4 hiervoor). In de doctrine is opgemerkt dat wanneer sprake is van een contractuele onderhandelingsplicht, onder meer de vraag rijst wanneer dergelijke onderhandelingen mogen worden afgebroken en wat in dat kader de verhouding is tot de maatstaf die in de precontractuele fase moet worden aangelegd. [61] De inhoud van een contractuele onderhandelingsplicht dient bij de aansprakelijkheidsvraag ter zake van afgebroken onderhandelingen te worden betrokken. Daarmee bedoel ik dat de onderhandelingen uiteraard mede worden bepaald/gekleurd door de bestaande contractuele verhouding – partijen beginnen in dat geval anders gezegd niet meer bij ‘nul’. Het is echter niet zo dat een contractuele onderhandelingsplicht de (buitencontractuele) normering van de precontractuele fase verdringt. [62] In een geval als het onderhavige, waar in de overeenkomst een einddatum is bepaald en een onderhandelingsplicht over een (verdere) verlenging is overeengekomen, blijft het vertrekpunt dat partijen na afloop van de bepaalde datum vrij zijn; op grond van de onderhandelingsplicht werd onderhandeld over
nieuwegebondenheid. Wat die (verdere) verlenging betreft, verkeerden partijen wel degelijk nog in een
precontractuele fase en zou het dus onjuist zijn dat de hiervoor besproken regels voor aansprakelijkheid ter zake van afgebroken onderhandelingen in de precontractuele fase geen toepassing zouden kunnen vinden. [63] Ik onderschrijf in zoverre wat Tjittes in dit verband heeft opgemerkt over contractuele (her)onderhandelingsbedingen (zonder voetnoten uit het origineel):
Ruygvoorn stelt dat in geval van een contractueel onderhandelingsbeding partijen verplicht zijn tot (verder) onderhandelen en dat zij de onderhandelingen niet mogen afbreken, tenzij er sprake is van een goede reden om de onderhandelingen af te breken (zoals het intreden van onvoorziene omstandigheden, het ontbreken van vertrouwen dat er enigerlei overeenkomst tot stand zal komen nadat partijen enige tijd met elkaar hebben onderhandeld zonder resultaat, of als reeds een contract met een derde is gesloten en andere gevallen waarin verder onderhandelen zinloos is). Op zich is het juist dat in de genoemde gevallen de op een contractsbeding gebaseerde onderhandelingen mogen worden afgebroken zonder schadevergoeding verschuldigd te zijn (zoals bij het intreden van onvoorziene omstandigheden), maar het gaat naar mijn mening te ver te stellen dat de onderhandelingen alleen maar mogen worden afgebroken indien er sprake is van een goede reden de onderhandelingen af te breken. De contractsvrijheid staat ook voorop bij het onderhandelen op grond van een (her)onderhandelingsbeding. Het afbreken van onderhandelingen is ook dan als regel geoorloofd en partijen zijn niet verplicht tot (verder) onderhandelen, tenzij er – kort gezegd – sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van enigerlei overeenkomst of andere omstandigheden van het geval het afbreken niet aanvaardbaar maken.” [64]
onvoldoende concrete feiten” voor de conclusie dat [verweerders] onder de gegeven omstandigheden schadeplichtig jegens [eisers] zijn geworden.
onaanvaardbaarwas (anders gezegd: de
CBB/JPO-maatstaf als bedoeld in randnummer 3.8 hiervoor en dus niet de situatie als bedoeld in rov. 3.5 uit
Plas /Valburggeciteerd in randnummer 3.11 hiervoor). Een eerste aanwijzing daarvoor is gelegen in de grondslagen van de vordering van [eisers] die het hof heeft genoemd in rov. 3.11. van het bestreden arrest: de onrechtmatige daad en de toerekenbare tekortkoming. Deze weergave van het hof komt geheel overeen met rov. 4.25. van het vonnis (zie randnummer 2.5 hiervoor) en daaruit blijkt (anders dan een algemene verwijzing naar de grieven 17-22) niet dat ook de in hoger beroep aangevulde grondslag van ongerechtvaardigde verrijking (zie ook randnummer 3.16 hiervoor) door het hof is onderkend. Daarnaast heeft het hof in rov. 3.11.1. van het bestreden arrest uitdrukkelijk de onaanvaardbaarheids-maatstaf genoemd (“
Ieder van hen is vrij de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van een overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn”) en daarbij verwezen naar het
VSH/Shell-arrest (“
vgl. HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017”). [73] Ook uit de daaropvolgende rechtsoverwegingen blijkt dat het hof niet heeft beoordeeld of sprake is van een situatie als bedoeld in rov. 3.5 uit
Plas /Valburg. In rov. 3.11.4. van het bestreden arrest heeft het hof stellingen van [eisers] beoordeeld van de strekking “
dat afbreken door [verweerders] als onaanvaardbaar[moet]
worden gekwalificeerd, zodat zij uit dien hoofde schadeplichtig zijn geworden jegens [eisers]” Het hof is in rov. 3.11.5. van het bestreden arrest tot het oordeel gekomen dat [eisers] in hoger beroep onvoldoende concrete feiten hebben toegevoegd aan wat zij in eerste aanleg al hadden betoogd en waaruit de conclusie kan worden getrokken dat [verweerders] onder de gegeven omstandigheden schadeplichtig jegens [eisers] zijn geworden wegens het
ongeoorloofdafbreken van de onderhandelingen rondom het overeenkomen van een verdere verlenging en heeft ten slotte in rov. 3.11.6. van het bestreden arrest de grieven 17-22 verworpen.
Plas /Valburg-arrest, inhoudende dat [verweerders] weliswaar vrij waren de onderhandelingen over verdere verlenging af te breken, maar dat zij onder de gegeven omstandigheden wel gehouden waren (een deel van) de door [eisers] gemaakte kosten voor hun rekening te nemen.
geprofiteerdvan het werk dat [eisers] reeds hebben gedaan, met name in de verhouding tot de gemeente. Het hof heeft deze stellingen van [eisers] in rov. 3.9. van het bestreden arrest treffend als volgt samengevat:
CBB/JPO-maatstaf besproken (onderstreping toegevoegd door mij,
A-G):
dusevenmin. Aan de -strenge en tot terughoudendheid nopende- maatstaf van het arrest ECLI:NL:HR:2005:AT7337 (CBB/JPO) wordt in de verste verte niet voldaan.
wildebetalen om geen risico te lopen om de percelen kwijt te raken. Hoe moet ik dat zien, als dat achteraf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is er dan onverschuldigd betaald?
A-G]: Negatief contractsbelang. Ze hebben wel die 150.000 euro ontvangen en sluiten vervolgens alsnog de onderhandelingen zonder rekening te houden met de belangen van de wederpartij.
A-G]: Dat is anders dan de gewijzigde eis, want daar is het primair.
onaanvaardbaarwas. Zowel rechtbank als hof heeft die vraag ontkennend beantwoord en geoordeeld dat op die grond geen aanleiding bestaat voor schadevergoeding. Voor zover rov. 3.11.5. van het bestreden arrest moet worden begrepen als afwijzing van de mede op art. 6:212 BW Pro gestoelde vordering van [eisers] tot vergoeding van gemaakte kosten worden daarmee inderdaad te strenge eisen gesteld aan de stelplicht van [eisers] en/of is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. Het subonderdeel slaagt dus.
it alles” ook geldt voor zover het hof in rov. 3.11.5. van het bestreden arrest heeft voortgebouwd op rov. 3.9.-3.9.2. Laatstgenoemde rechtsoverwegingen (en rov. 4.22.-4.23. van het vonnis) zien volgens het subonderdeel op de beoordeling van de door [eisers] onder de gegeven omstandigheden ingeroepen beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid voor het beroep van [verweerders] op de beëindiging van hun overeenkomst(en) per 1 juli 2019. Volgens het subonderdeel hanteerde het hof in rov. 3.11.5. alsdan een verkeerde maatstaf voor zijn beoordeling van de toewijsbaarheid van de door [eisers] gevorderde schadevergoeding voor de door hen gemaakte kosten (‘negatief contractsbelang’) dan wel stelde het in rov. 3.11.5. ten onrechte dezelfde (strenge) eisen aan de stelplicht als in rov. 3.9.1.
Plas /Valburg, wat het hof volgens mij heeft nagelaten, geldt naar
geldendrecht geen ‘onaanvaardbaarheids’-drempel (zie ook randnummer 3.16 hiervoor). Voor zover het hof daar wel vanuit is gegaan, is dat onjuist. In de doctrine is wel gepleit voor het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel in de situatie als bedoeld in rov. 3.5 uit het
Plas /Valburg-arrest door in dat geval eveneens de ‘onaanvaardbaarheids’-maatstaf als bedoeld in het
CBB/JPO-arrest (zie randnummer 3.8 hiervoor) te laten gelden. [80] Dat is echter geen geldend recht en wat mij betreft ook geen
wenselijkrecht: het gaat om een vergoeding in situaties die als zodanig eerder uitzondering dan regel zijn (zie randnummer 3.16 hiervoor). Vergoeding is in die situaties bovendien alleen aan de orde wanneer is voldaan aan de vereisten die de betrokken aansprakelijkheidsgrondslag (art. 6:212 BW Pro bijvoorbeeld) stelt.
VSH/Shell-arrest, [81] alleen in gevallen waarin onderhandelingen in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf ervan onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar moet worden geacht omdat de wederpartij erop mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen en plaats is voor vergoeding van het positief contractsbelang. [82] Volgens het subonderdeel geldt voor vergoeding van het ‘negatief contractsbelang’ een lichtere maatstaf als bedoeld in rov. 3.5 van het
Plas /Valburg-arrest en heeft het hof dan in rov. 3.11.5. ten onrechte niet die maatstaf aangelegd en miskend dat het uitgangspunt dat onderhandelende partijen verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen aldus meebrengt dat eerder een zorgvuldigheidsverplichting mag worden aanvaard leidend tot vergoeding van het ‘negatief contractsbelang’. Het subonderdeel wijst er verder op dat voor toewijzing van deze schadevordering op te maken bij staat voldoende is dat de mogelijkheid van geleden schade aannemelijk is en doet in dat verband een beroep op de in aanmerking te nemen vaststaande feiten. [83] Het subonderdeel stelt dat het hof dit alles ten onrechte niet (kenbaar) in zijn beoordeling heeft betrokken dan wel onder de in subonderdeel 1.1 onder (i)-(vi) opgesomde omstandigheden [84] ten onrechte niet voldoende heeft bevonden voor toewijzing van de vordering van [eisers]
Plas /Valburg. Dat behoeft gelet op de bespreking van het vorige subonderdeel geen aparte bespreking meer.
Bij een contractuele onderhandelingsplicht geldt dat de onderhandelingen moeten worden voortgezet en pas mogen worden afgebroken indien aan de daaraan ten grondslag liggende inspanningsverplichting is voldaan, hetgeen betekent dat een gelegitimeerd breekpunt in de onderhandelingen moet zijn bereikt wat mijns inziens gelijkgesteld kan worden aan de situatie waarin in redelijk niet meer van een onderhandelende partij gevergd kan worden dat deze de onderhandelingen voortzet.”
De Ruiterij/MBOheeft beslist (zie randnummer 3.10 hiervoor). De omstandigheden waarop het subonderdeel zich beroept, kunnen weliswaar eraan hebben bijgedragen dat bij [eisers] het gerechtvaardigde vertrouwen bestond dat een verdere verlenging (onder dezelfde voorwaarden) tot stand zou komen. Dat betekent echter nog niet dat dit onder alle omstandigheden behoeft te leiden tot het oordeel dat afbreken van de onderhandelingen door [verweerders] onaanvaardbaar was. Daarvoor dient immers ook rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop [verweerders] tot het ontstaan van dat vertrouwen hebben bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van [verweerders] Hierbij kan ook van belang zijn of zich onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan. Uit het vervolg op rov. 3.11.2., in het bijzonder rov. 3.11.3.-3.11.4. komt duidelijk naar voren dat toewijzing van de vordering tot vergoeding van het ‘positief contractsbelang’ hierop strandt. Zo heeft het hof in rov. 3.11.3. in aanmerking genomen dat [verweerders] bij voortduring de wens hebben geuit om zo snel mogelijk tot levering te komen. Het hof heeft in dat kader terugverwezen naar de in cassatie onbestreden rov. 3.5.4. [92] Uit rov. 3.11.4. blijkt verder dat het hof niet heeft miskend dat sprake was van een postcontractuele fase. Het hof heeft daar immers artikel 6 van Pro de verlengingsovereenkomst in de beoordeling betrokken. Uit die rechtsoverweging blijkt ook dat het hof rekening heeft gehouden met het feit dat sprake was van een postcontractuele fase (zie randnummer 3.19 hiervoor). Dat sprake was van een postcontractuele fase maakt ook niet dat [verweerders] zich bij het afbreken van de onderhandelingen over verdere verlenging met [eisers] niet mede door hun eigen commerciële belangen mochten laten leiden (zie ook randnummer 3.19 hiervoor). De feitelijke beoordeling van het hof dat het afbreken van de onderhandelingen in de gegeven omstandigheden niet onaanvaardbaar was, is al met al (ruim) voldoende toereikend gemotiveerd. In cassatie is geen plaats voor een feitelijke herbeoordeling. Hierop stuiten ook de motiveringsklachten van het subonderdeel af.
uitsluitend en alleen” relevant geacht waartegen het subonderdeel zich richt. Ik lees ook niet in rov. 3.11.4. van het bestreden arrest dat het hof zich daarbij op rov. 3.8.-3.8.2. of rov. 3.9.-3.9.2. van het bestreden arrest heeft gebaseerd.
geheel ten overvloede” en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.