Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
3.Procesverloop
ingestelde eisbetrekking op de collectieve vordering van VCG, die werd toegewezen. Van het opnieuw instellen van die eis is dan ook geen sprake. Ook is geen sprake van het hernieuwd instellen van een eis wanneer het gaat om de individuele vordering van [de Afnemer] tot schadevergoeding. Deze vordering is immers nog niet eerder in rechte aanhangig gemaakt (en behoefde dat ook niet te zijn), maar is op grond van eerdergenoemde rechtspraak wel gestuit als gevolg van de ingestelde collectieve actie. [9]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2stellen aan de orde binnen welke termijn een individuele schadevergoedingsvordering moet worden ingesteld nadat een collectieve procedure in de zin van artikel 3:305a (oud) BW is geëindigd door toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht.
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 en 4.8 dat artikel 3:316 lid 2 BW Pro niet van toepassing is.
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel in rov. 4.9, 4.10 en 4.12 dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen die gelijk is aan de oorspronkelijke verjaringstermijn met een maximum van vijf jaar, gerekend vanaf de dag volgens op die waarop de uitspraak in de collectieve procedure in kracht van gewijsde is gegaan.
Onderdeel 3klaagt over de verwerping (in rov. 4.11) van het standpunt van Groeivermogen dat het instellen van de collectieve actie op 2 mei 2005 geen stuitende werking heeft gehad voor zover de vordering van de Afnemer is gebaseerd op de aanschaf van het product Vermogensversneller 1998/3.
onderdelen 1 en 2geef ik hierna enige uitgangspunten in cassatie weer (in 4.6 e.v.). Vervolgens bespreek ik de stuiting van de verjaring door een collectieve actie (in 4.8 e.v.), de gevolgen van de stuiting van de verjaring (in 4.11 e.v.) en de gevolgen van de stuiting van de verjaring door een collectieve actie voor een daarop aansluitende individuele rechtsvordering (in 4.18 e.v.). Met dat laatste kom ik toe aan een bespreking van beide onderdelen (in 4.20 e.v.).
(i) Deze zaak gaat om de vraag of de rechtsvordering van de Afnemer tot schadevergoeding is verjaard (rov. 3.1).
(ii) Hiervoor geldt de verjaringstermijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW Pro. Deze termijn was nog niet verlopen op het moment dat de collectieve procedure van VCG tegen Groeivermogen een aanvang nam (rov. 4.2).
(iii) In de rechtspraak is erkend dat het instellen van een collectieve actie ook stuitende werking heeft voor daarop aansluitende individuele rechtsvorderingen (zie hierna in 4.10.1-4.10.3). Door het instellen van de collectieve actie van VCG tegen Groeivermogen op 2 mei 2005 is de verjaring van de individuele schadevergoedingsvordering van de Afnemer op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW Pro gestuit (rov. 4.3).
(iv) De collectieve procedure is geëindigd toen het eindarrest van het hof in die procedure kracht van gewijsde kreeg op 20 november 2019 (rov. 4.4).
opt out(artikel 7:907 lid 5 onder Pro b BW). Aanvankelijk was dit op voet van artikel 3:319 lid 2 BW Pro meestal een verjaringstermijn van vijf jaren. Met de invoering van de WCAM is deze teruggebracht tot twee jaren, zoals blijkt uit artikel 7:907 lid 5 BW Pro. Hieraan ligt ten grondslag de overweging dat de praktijk uitwijst dat de termijn van vijf jaren tot gevolg heeft dat vele gerechtigden die van hun opt out-bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, vaak langere tijd nadien geen verdere juridische stappen ondernemen en dat dit weer tot gevolg heeft dat zelfs na een verbindendverklaring een definitieve afwikkeling van de zaak toch nog lang op zich kan laten wachten. [17]
opt outna het moment waarop de rechter op de voet van artikel 1018e Rv een exclusieve belangenbehartiger heeft aangewezen, dat de collectieve actie de verjaring slechts stuit indien zij binnen zes maanden na de
opt outeen individuele stuitingshandeling verrichten (artikel 1018f lid 1 Rv). Uitstappers stappen dus uit op een moment waarop zij nog niet weten wat de uitkomst van de collectieve actie is en profiteren niet langer van de stuitende werking van de collectieve actie. Dit geldt voor elke collectieve actie onder de WAMCA, dus ook als daarin geen schadevergoeding is gevorderd. Het kan verder om elke stuitingshandeling gaan. [19]
(i) Een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3:305a (oud) BW kan de verjaring van individuele rechtsvorderingen van degene voor wier belangen zij opkomt stuiten, onder meer door het instellen van een eis als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW Pro. Zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766 (VEB/Deloitte), rov. 3.6.1 en 3.8.
(ii) Hoewel deze rechtspersoon in de collectieve actie blijkens artikel 3:305a (oud) BW geen schadevergoeding in geld kan vorderen, kan zij ook individuele vorderingen tot (onder meer) schadevergoeding stuiten. Zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766 (VEB/Deloitte), rov. 3.6.1 en 3.8.
(iii) De in de collectieve actie gevorderde verklaring voor recht kan stuitende werking toekomen, ook voor zover het gaat om de verjaring van individuele vorderingen die bij die verklaring voor recht aansluiten. Zie HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 (K./Dexia), rov. 3.4.1.
.Dan valt niet in te zien waarom dat argument in de weg staat aan de mogelijkheid voor de rechtspersoon om de verjaring te stuiten door middel van een aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro.
Tevens volgt daaruit dat ook aan een vordering tot verklaring voor recht stuitende werking kan toekomen, voor zover het gaat om de verjaring van individuele vorderingen die bij die verklaring voor recht aansluiten.
(ii) Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW Pro bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.
(iii) Het geding moet worden geacht te zijn geëindigd met de beslissing van het gerechtshof Amsterdam op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst.
Sieburgh wijst erop dat het toewijzen van de eis hier zowel ziet op het geval dat de aanvankelijke eis is toegewezen, als op het in artikel 3:316 lid 2 BW Pro bedoelde geval dat de eis aanvankelijk is afgewezen en binnen zes maanden een nieuwe eis is ingesteld die alsnog wordt toegewezen. [29]
de eis is toegewezen en de uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is, geldt op grond van artikel 3:324 lid 1 BW Pro voor de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging in beginsel een verjaringstermijn van twintig jaar die aanvangt op de dag volgende op die van de uitspraak. Omdat de eis is toegewezen, speelt niet langer de vraag naar de verjaring van de rechtsvordering.
De verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging kan gestuit worden op de in artikel 3:325 lid 2 BW Pro bedoelde wijzen, dat wil zeggen: (a) betekening of aanmaning, (b) erkenning of (c) een daad van tenuitvoerlegging. De stuiting heeft volgens de hoofdregel van artikel 3:319 lid 1 BW Pro tot gevolg dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van in beginsel maximaal vijf jaar (artikel 3:225 lid 1 in Pro verbinding met artikel 3:319 BW Pro). [30]
de eis is toegewezen, maar de uitspraak niet voor tenuitvoerlegging in aanmerking komt, is de verjaringsregeling van de artikelen 3:324-3:325 BW niet van toepassing. Er geldt dan blijkens de parlementaire geschiedenis geen afzonderlijke verjaringstermijn: [31]
Daarbij kan artikel 3:316 BW Pro in beeld komen indien de verjaring van de rechtsvordering tot schadevergoeding niet reeds op andere wijze is gestuit (zie hiervoor in 4.8). Zo is wel de vraag opgeworpen of een eis die uitsluitend strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht op de voet van artikel 3:316 BW Pro stuitende werking heeft ten aanzien van een daarop volgende eis tot schadevergoeding. [32] Dit punt speelt wellicht ten aanzien van een individuele rechtsvordering tot verkrijging van een verklaring voor recht. De collectieve actie waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd heeft immers stuitende werking ten aanzien van daarop aansluitende individuele schadevergoedingsvordering (zie hiervoor in 4.10.1).
de eis niet is toegewezen?
Zo is denkbaar dat binnen vijf jaren na aanvang van de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro een uitspraak volgt, waarbij de eis tot schadevergoeding niet wordt toegewezen, bijvoorbeeld wegens een nietigheid van de dagvaarding. Het instellen van de eis had dan weliswaar stuitende werking (artikel 3:316 lid 1 BW Pro), maar ook zonder die stuitende werking was de rechtsvordering nog niet verjaard. Artikel 3:316 BW Pro verdringt immers niet de toepasselijkheid van andere regels over (stuiting van) de verjaring. Indien na de uitspraak, bijvoorbeeld, nog twee jaar van de oorspronkelijke verjaringstermijn resteren, kan de eiser die ten volle benutten. Hij hoeft niet op de voet van artikel 3:316 lid 2 BW Pro binnen zes maanden een nieuwe eis in te stellen; daartoe bestaat slechts de noodzaak als de eiser een beroep wil kunnen blijven doen op de stuitende werking van de aanvankelijke eis.
Het hof heeft vervolgens geoordeeld (in rov. 4.6; zie ook rov. 4.9, vierde en vijfde volzin) dat artikel 3:324 BW Pro niet van toepassing is, omdat de door VCG aangespannen collectieve procedure is geëindigd in een zuiver declaratoire uitspraak die niet onder het bereik van artikel 3:324 BW Pro valt (en voorts omdat tenuitvoerlegging van een in de collectieve procedure verkregen condemnatoire uitspraak alleen door VCG en niet door de Afnemer kan plaatsvinden). [34] Over rov. 4.6 wordt in cassatie, terecht, niet geklaagd.
Het hof heeft voorts geoordeeld (in rov. 4.7 e.v.) dat artikel 3:316 lid 2 BW Pro niet van toepassing is, zodat de Afnemer niet verplicht was om binnen zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de einduitspraak in de collectieve procedure zelf een eis in te stellen teneinde te kunnen blijven profiteren van de stuitende werking van de collectieve actie van VCG. Hierover klaagt
onderdeel 1.
Het hof heeft verder geoordeeld (in rov. 4.9-4.10) dat in dit geval op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW Pro een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Hierover klaagt
onderdeel 2.
Het onderdeel klaagt (in
nr. 28van de procesinleiding) dat het hof heeft miskend dat voor de niet bij de collectieve actie aangesloten partij, zoals de Afnemer, de collectieve procedure op een andere wijze dan door toewijzing van de eis is geëindigd als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW Pro, indien weliswaar de in de collectieve procedure gevorderde verklaring voor recht is toegewezen maar in de collectieve procedure geen beslissing is genomen waaruit kan worden afgeleid dat en tot welk bedrag deze partij aanspraak kan maken op schadevergoeding. In dergelijke gevallen heeft immers de toewijzing van de verklaring voor recht niet geleid tot een oordeel omtrent de rechtsbetrekking tussen deze partij (i.c. de Afnemer) en de aangesproken partij (i.c. GroeiVermogen) nu de individuele schadevergoedingsvordering van deze partij in de collectieve procedure niet is behandeld en derhalve in de collectieve procedure niet is toe- of afgewezen, zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW Pro.
In ieder geval heeft het hof miskend dat voor het toepasselijke verjaringsregime bij collectieve acties die op eigen naam van de individuele deelnemers worden gevoerd en geleid hebben tot toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht, aangesloten dient te worden bij de zesmaandentermijn van artikel 3:316 lid 2 BW Pro, aldus de klacht (in
nr. 29).
nr. 38) of dat een specifiek regime moet gelden bij “collectieve acties die op eigen naam van de individuele deelnemers worden gevoerd” (vgl. de procesinleiding
nr. 39).
nr. 28van de procesinleiding betoogt in de kern dat de individuele schadevergoedingsvordering van de Afnemer niet is behandeld in de collectieve procedure en dat in die procedure geen oordeel is gegeven over de rechtsbetrekking tussen de Afnemer en Groeivermogen (dat wil zeggen over het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsvordering). [35] De klacht verbindt daaraan de gevolgtrekking dat in de collectieve procedure de individuele schadevergoedingsvordering niet is toe- of afgewezen zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW Pro, dat wil zeggen − zo begrijp ik – dat het ervoor moet worden gehouden dat deze vordering niet is toegewezen, zodat artikel 3:316 lid 2 BW Pro van toepassing is. [36] De klacht in
nr. 28van de procesinleiding slaagt naar mijn mening niet. Ik licht dat toe.
Dat is in de eerste plaats evident omdat de collectieve actie niet kan zien op schadevergoeding in geld volgens artikel 3:305a (oud) BW.
In de tweede plaats, omdat de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a (oud) BW geen oordeel inhoudt over de rechtsbetrekking tussen een individueel gerechtigde en de in de groepsactie aangesproken partij als zodanig. [37] Immers een dergelijke uitspraak geeft slechts rechten aan de partijen die haar hebben verkregen (zij het dat derden kunnen profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat de rechter die deze uitspraak heeft gedaan, in volgende soortgelijke zaken in dezelfde zin zal beslissen). [38]
nr. 28van de procesinleiding berust dus op het uitgangspunt dat de collectieve actie weliswaar op grond van artikel 3:316 BW Pro stuitende werking heeft ten aanzien van een daarop aansluitende individuele rechtsvordering, maar dat voor de vraag of de eis is toe- of afgewezen in de zin van artikel 3:316 BW Pro niet moet worden gekeken naar de eis in de collectieve actie. Voor dat laatste verlegt het onderdeel de blik naar een eis ten aanzien van een individuele rechtsbetrekking (althans een materieel daarmee gelijk te stellen beslissing; vgl. hierboven in 3.2). In deze zienswijze kan echter nimmer worden gesproken van toewijzing van een eis in de zin van artikel 3:316 BW Pro als het gaat om een op een collectieve actie aansluitende individuele rechtsvordering (tot schadevergoeding). Die individuele rechtsvordering is immers in de collectieve actie, per definitie, niet toegewezen. Zo bezien, komt men automatisch terecht bij artikel 3:316 lid 2 BW Pro: de individuele eis is niet toegewezen in de collectieve procedure (ook al is de eis in de collectieve procedure wel toegewezen), dus moet de individuele eis binnen zes maanden worden ingesteld.
de eis in de collectieve actieniet was toegewezen – en dus niet op de grond dat in de collectieve actie geen individuele rechtsvorderingen tot vernietiging of individuele rechtsbetrekkingen aan de orde waren.
Indien dit zo werkt in het geval dat de eis in de collectieve actie niet is toegewezen, dan ligt het voor de hand om op dezelfde manier te kijken als de eis in de collectieve actie wél is toegewezen.
onderdeel 1 nrs. 28-29berusten naar mijn mening op een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 1 nr. 30onder (i) tot en met (v) bedoelde omstandigheden. Voor het voorgaande is immers niet relevant (i) de vraag waarop de verklaring voor recht ziet (zie hierover ook
onderdeel 3) en (ii) of de Afnemer naast schadevergoeding ook een individuele verklaring voor recht heeft gevorderd (ook al omdat het hof alleen heeft geoordeeld over de vordering tot schadevergoeding). Dat (iii) de individuele schadevergoedingsvordering niet in de collectieve procedure is behandeld en (iv) dat toewijzing van de collectieve eis niet toewijzing van de schadevordering behelst, is hiervoor al aan bod gekomen. Voorts spelen in deze zaak niet (v) de met de WAMCA ingevoerde zesmaandentermijn van artikel 1018f lid 1 Rv waarbinnen een stuitingshandeling moet zijn verricht, noch (vi) de verjaringstermijn van artikel 7:907 lid 5 BW Pro bij een verzoek tot verbindendverklaring van een WCAM-overeenkomst.
nr. 30voortbouwende motiveringsklacht die het lot daarvan deelt. Het hof behoefde overigens zijn rechtsopvatting niet te motiveren.
nr. 32berust op een onjuiste lezing van rov. 4.7, slot. Het oordeel van het hof dat artikel 3:316 lid 2 BW Pro toepassing mist berust niet op de overweging dat de nieuw ingestelde eis als zodanig niet eerder in rechte aanhangig is gemaakt. Overigens ontbreekt belang bij deze klacht nu het hof is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
De gevolgen die de wet toekent aan de toewijzing van de eis in de collectieve actie kunnen niet worden vertaald naar de verjaring van de individuele rechtsvorderingen. Een condemnatoire uitspraak in de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a (oud) BW vertaalt zich in de toepasselijkheid van het verjaringsregime van de artikelen 3:324-325 BW, maar dat betreft niet de verjaring van een op de collectieve actie aansluitende individuele rechtsvordering tot schadevergoeding. Aan een in de collectieve actie toegewezen verklaring voor recht zijn uit een oogpunt van verjaring verder geen gevolgen verbonden (zie hiervoor in 4.16.1), maar op de individuele rechtsvordering tot schadevergoeding is het regime van de artikelen 3:310 en 3:316 e.v. BW van toepassing.
Er moet dus aansluiting worden gevonden bij de regels over de stuiting van de verjaring van rechtsvorderingen.
(i) Uit hetgeen eerder is besproken blijkt dat stuiting van de verjaring als hoofdregel tot gevolg heeft dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met aanvang van de volgende dag (artikel 3:319 lid 1 BW Pro).
(ii) Volgens deze bepaling geldt een uitzondering voor de voortdurende stuiting die het gevolg is van het instellen van een eis die wordt toegewezen. Het is niet nodig om in dat geval te bepalen dat stuiting van de verjaring tot gevolg heeft dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen, gezien het effect van de toewijzing van de eis. De voortdurende stuiting van het instellen van een eis lost zich na toewijzing van de eis immers op in een situatie waarin (a) hetzij een verjaringstermijn geldt voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging (artikelen 3:324-3:325 BW), (b) hetzij geen behoefte bestaat aan een verjaringstermijn, zoals bij een zuiver declaratoire uitspraak.
(iii) Hieruit kan worden afgeleid dat in een geval waarin weliswaar sprake is van een toegewezen eis, maar niet het onder (ii) onder (a) of (b) bedoelde effect intreedt, moet worden teruggevallen op de onder (i) bedoelde hoofdregel. Dit betekent dat de woorden “
anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd” in artikel 3:319 lid 1 BW Pro, uitsluitend zien op gevallen waarin in verband met de toewijzing van de eis geen behoefte meer bestaat aan toepassing van de hoofdregel van artikel 3:319 lid 1 BW Pro (dat door stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met aanvang van de volgende dag).
Dit betekent dat moet worden teruggevallen op de hoofdregel van artikel 3:319 lid 1 BW Pro dat door stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met aanvang van de volgende dag. Voor de toepassing van deze regel moet in een geval als het onderhavige onder ‘de volgende dag’ worden verstaan de dag na de dag waarop de stuitende werking van de collectieve actie ten einde is gekomen. Dat is dus in dit geval 21 november 2019.
Vervolgens kan artikel 3:319 BW Pro regulier worden toegepast. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke − hier: vijf jaren op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro − , doch niet langer dan vijf jaren (artikel 3:319 lid Pro 2, eerste volzin, BW).
onderdeel 2bestrijden in de kern de overwegingen die het hof in rov. 4.9 aanvullend heeft gegeven ter rechtvaardiging van de uitkomst waartoe het hof op systematische gronden reeds was gekomen. Zo bezien richt het onderdeel zich tegen overwegingen die ten overvloede zijn gegeven en is de hierna volgende bespreking van het onderdeel ten overvloede. Die bespreking biedt de gelegenheid om te bezien of er argumenten zijn die zouden moeten leiden tot een bijstelling van de door het hof en door mij bereikte conclusie dat in dit geval een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen.
subonderdeel 2.1berust, in het voetspoor van
onderdeel 1, op de stelling dat het hof heeft miskend dat artikel 3:316 lid 2 BW Pro van toepassing is. Deze stelling is onjuist zodat de klacht dient te falen.
opt out-verklaring afleggen en (b) een zesmaandentermijn om hun individuele rechtsvordering te stuiten, dus zonder de verplichting om binnen die tijd een procedure te starten.
Ook de WCAM kent in artikel 7:907 lid 5 BW Pro een minder strenge regel. Hierin wordt een (stuitbare) verjaringstermijn van (thans) twee jaren geboden. Deze termijn geldt overigens niet alleen voor individuele gerechtigden die zich willen onttrekken aan de verbindend verklaarde schikking, maar kan ook gerechtigden treffen die niet op de hoogte waren van het bestaan of de uitkomst van het verzoek tot verbindendverklaring (vgl. artikel 7:907 lid 5 onder Pro a, c en d BW).
Groeivermogen (schriftelijke toelichting nr. 34 onder (ii) en (vi)) ziet hierin een argument om te betogen dat ook bij toepassing van de zesmaandentermijn de rechtsbescherming van individuele eisers niets te wensen overlaat. Men kan het argument ook omdraaien: toepassing van de zesmaandentermijn is niet nodig om een aangesproken partij te beschermen tegen langdurige blootstelling aan claims, omdat die blootstelling er dan nog steeds kan zijn.
Het is in ieder geval niet zo (vgl. de schriftelijke toelichting van Groeivermogen nr. 26) dat juist de door het hof gekozen oplossing meebrengt dat de aangesproken partij langdurig wordt blootgesteld aan mogelijke claims. Ook het argument van Groeivermogen dat individuen niet eindeloos de tijd moeten krijgen om hun rechten te effectueren (schriftelijke toelichting nr. 23), gaat in zoverre niet op.
Zij wijst erop dat individuele eisers worden bijgestaan door professionele organisaties die weten dat een individuele schadevergoedingsvordering tijdig moet worden ingesteld (schriftelijke toelichting nr. 34 onder (iii)). Dit argument gaat echter niet op voor individuele gerechtigden die niet bij dergelijke organisaties zijn aangesloten.
Voorts wordt aangevoerd dat individuele gerechtigden er baat bij hebben om na de collectieve actie zo snel mogelijk in een vervolgprocedure uitsluitsel te verkrijgen (schriftelijke toelichting nr. 34 onder (iv)). Bezien vanuit het perspectief van een individuele gerechtigde lijkt het instrument van de zesmaandentermijn niet nodig om dit effect te bereiken, nog daargelaten het daaraan verbonden risico dat de vervolgprocedure te laat wordt ingesteld.
Ik onderschrijf op zichzelf het argument dat individuele gerechtigden bescherming ondervinden van de stuitende werking van de collectieve actie gedurende de collectieve procedures en zes maanden daarna, en dat dit tijd biedt voor schikkingsonderhandelingen (schriftelijke toelichting nr. 34 onder (vi)). Groeivermogen meent dat daarmee een afdoende bescherming is geboden. Ik sommige gevallen is dat ook de conclusie die uit de wet volgt, maar in andere gevallen niet (zie hiervoor in 4.42.1-4.42.3).
ubonderdeel 2.2falen derhalve.
subonderdeel 2.3heeft het hof miskend dat deelnemers de verjaring van hun individuele schadevergoedingsvorderingen ook gedurende de collectieve procedure op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW Pro eenvoudig (onvoorwaardelijk) kunnen stuiten.
gedurendede collectieve procedure.
nr. 45van de procesinleiding heeft het hof miskend, samengevat, dat voor de vraag of de collectieve actie stuitende werking heeft gehad voor de verjaring van de daarop volgende individuele schadevergoedingsvordering van de Afnemer, niet relevant is of het product VermogensVersneller 1998/3 onderdeel heeft uitgemaakt van de rechtsstrijd in de collectieve procedure, maar of de schadevergoedingsvordering van de Afnemer aansluit bij de toegewezen verklaring voor recht. Het hof had moeten beoordelen in welke relatie de toegewezen verklaring voor recht stond met de individuele vordering van de Afnemer tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de aanschaf van het product VermogensVersneller 1998/3. Indien het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat de individuele schadevergoedingsvordering van de Afnemer aansluit bij de in de collectieve procedure toegewezen verklaring voor recht, is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof in dat geval geen inzicht heeft gegeven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, aldus de klacht.
op de collectieve actie aansluitende” individuele vorderingen van belanghebbenden. [44] Het hof heeft dit aansluitingscriterium voor ogen gehad en gehouden (zie rov. 4.3 en rov. 4.12) en heeft dus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. [45] Het hof behandelt de vraag of het product VermogensVersneller 1998/3 onderdeel heeft uitgemaakt van de rechtsstrijd in de collectieve procedure, omdat Groeivermogen dit heeft betwist. De motiveringsklacht faalt omdat het hof, anders dan het onderdeel aanvoert, in rov. 4.11 voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Het hof heeft meerdere redenen genoemd waarom naar zijn oordeel voldaan is aan het aansluitingscriterium, telkens onder verwijzing naar vindplaatsen. Van een onbegrijpelijk oordeel is geen sprake.
nr. 46met de klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op de door Groeivermogen aangevoerde essentiële stellingen. Groeivermogen wijst erop dat zij heeft aangevoerd dat:
Deze overwegingen van de rechtbank ten aanzien van één van de individuele eisers kunnen niet afdoen aan het (voldoende begrijpelijk gemotiveerde) oordeel van het hof dat de vordering van de Afnemer
aansluitbij de vordering in de collectieve procedure. Als gezegd (in 4.54 hiervoor) heeft het hof heeft meerdere redenen genoemd waarom naar zijn oordeel voldaan is aan het aansluitingscriterium. Punt (iv) betreft dus niet een essentiële stelling waarop het hof had moeten ingaan.
nr. 46faalt ook de klacht in
nr. 49. Deze klacht houdt in dat het hof de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel heeft miskend voor zover het hof de in
nr. 46van de procesinleiding genoemde en in eerste aanleg aangevoerde stellingen niet heeft beoordeeld.
nr. 47over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de op de VermogensVersneller 1998/3 gestoelde schadevergoedingsvordering van de Afnemer onder de stuitende werking van de collectieve actie valt. De klacht is gericht tegen de overweging van het hof dat de rechtbank in de collectieve procedure in het dictum van haar vonnis een verklaring voor recht heeft gegeven met betrekking tot (onder meer) het product VermogensVersneller, zonder enige beperking naar jaar of tranche, en tegen de overweging van het hof dat de rechtbank bij haar oordeel ook is afgegaan op de informatie die is verstrekt ten aanzien van VermogensVersneller 1998/3. Volgens de klacht is deze motivering onbegrijpelijk, omdat de rechtbank blijkens rov. 6.126-6.129 van het vonnis nu juist niet is toegekomen aan een oordeel omtrent het onrechtmatig handelen van GroeiVermogen ten aanzien van de informatie en waarschuwingen over (het risico van) een restschuld in de brochure van de VermogensVersneller 1998/3, terwijl de brochure van de VermogensVersneller 1998/3 in de collectieve procedure niet is overgelegd en daarin dus niet kan zijn beoordeeld.
Hierop aansluitend voert de klacht in
nr. 48aan dat het hof het dictum van het vonnis van de rechtbank in de collectieve procedure niet zou hebben uitgelegd met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank voorafgaande aan haar dictum.
nr. 46van de procesinleiding. Ik verwijs naar de bespreking daarvan. Ook indien er enige spanning zit tussen het oordeel van de rechtbank in de collectieve procedure dat Groeivermogen onvoldoende heeft gewaarschuwd voor het risico van verlies van (ook) de inleg (rov. 4.11, vijfde volzin, van het bestreden arrest) en de overweging van de rechtbank ten aanzien van de in de klachten bedoelde individuele eiser, [49] doet dit niet af aan de bestreden overwegingen van het hof in rov. 4.11, dat de rechtbank in de collectieve actie bij zijn oordeel niet alleen is afgegaan op de informatie die is verstrekt ten aanzien van Vermogensversneller 1997/3, maar ook van de versie 1998/4 en – blijkens de verwijzing naar een eerdere uitspraak van 5 april 2006 – van de versie 1998/3. Ook de overweging van het hof dat de rechtbank in het dictum (onder 8.1) van haar vonnis de verklaring voor recht heeft gegeven met betrekking tot (onder meer) het product Vermogensversneller, zonder enige beperking naar jaar of tranche, blijft onaangeroerd. Deze overwegingen kunnen het oordeel van het hof dat de vordering van de Afnemer een aansluitende vordering betreft, dragen.