Pegroam B.V. stelde haar advocaat aansprakelijk wegens het niet tijdig stuiten van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een verstekvonnis. Het verstekvonnis betrof een vordering die was gecedeerd aan Pegroam. De advocaat had in 2002 executoriaal derdenbeslag gelegd, maar daarna geen verdere stuitingshandelingen verricht. Het hof oordeelde dat het gelegde beslag een voortdurende stuitende werking had en wees de vordering af.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. Volgens de Hoge Raad leidt stuiting van de verjaring van de tenuitvoerleggingsbevoegdheid door een daad van tenuitvoerlegging, zoals executoriaal derdenbeslag, tot het beginnen van een nieuwe verjaringstermijn van maximaal vijf jaar. Dit is anders dan de voortdurende stuiting die geldt bij het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de beroepsfout van de advocaat, met inachtneming van de juiste rechtsopvatting. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de advocaat in de kosten van het cassatiegeding.