Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Het middel
- de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel: [3]
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor openlijk geweld tegen goederen gepleegd op 7 april 2020 in een Nederlandse plaats. Het hof oordeelde dat verdachte, ondanks het ontbreken van bewijs dat hij zelf stenen gooide of een winkelwagen tegen een ruit duwde, een voldoende significante bijdrage had geleverd door deel uit te maken van een groep jongeren die gezamenlijk vernielingen pleegden.
De bewezenverklaring steunt op diverse proces-verbalen van aangiften, getuigenverklaringen en bevindingen van opsporingsambtenaren. Getuigen zagen een groep van acht jongeren stenen gooien tegen ramen van een school en een winkel, waarbij sommigen gooiden en anderen aanmoedigden door te lachen en te schreeuwen. Verdachte maakte deel uit van deze groep en bleef aanwezig tijdens de vernielingen, hoewel hij zelf ontkende actief deelgenomen te hebben.
Het cassatiemiddel klaagde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat verdachte een wezenlijke bijdrage had geleverd, omdat hij geen verbaal of fysiek aandeel had. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het begrip "in vereniging" plegen van geweld inhoudt dat een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht volstaat, ook als die niet gewelddadig is. De wisselwerking binnen de groep en de aanwezigheid van verdachte bij de vernielingen rechtvaardigen het oordeel dat hij een wezenlijke bijdrage leverde.
De Hoge Raad benadrukte de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat ook vocale bijdragen zoals gejoel en aanmoedigingen kunnen bijdragen aan de strafbaarheid. De Hoge Raad constateerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest. De uitspraak bevestigt de reikwijdte van het begrip "in vereniging" en de strafrechtelijke aansprakelijkheid van groepsleden die niet zelf fysiek geweld plegen maar wel bijdragen aan het geweld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte leverde een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging.