ECLI:NL:PHR:2024:187

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
16 februari 2024
Zaaknummer
23/03625
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslag op iPhone op grond van Europees onderzoeksbevel

De zaak betreft een cassatieberoep van klager tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 29 augustus 2023, waarin het klaagschrift tot opheffing van het beslag op zijn iPhone ongegrond werd verklaard. Klager werd verdacht van opzetheling van een auto en zijn iPhone werd in beslag genomen op grond van art. 94 Sv Pro. Naar aanleiding van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Belgische autoriteiten werd de iPhone overgedragen aan België.

Klager voerde aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn eigendomsrecht en het proportionaliteitsvereiste van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank oordeelde echter dat het beslag rechtmatig was, dat het EOB een lopend strafrechtelijk onderzoek betrof, en dat er geen weigeringsgronden waren op grond van art. 5.4.4 Sv. Het belang van de strafvordering in België werd verondersteld aanwezig.

De Hoge Raad bevestigt dat het toetsingskader voor beslag op grond van een EOB beperkt is tot de reikwijdte van het EOB en de weigeringsgronden. Onderzoek naar het eigendomsrecht en proportionaliteit is in deze procedure niet aan de orde. Het cassatieberoep wordt verworpen met een motivering ontleend aan art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de iPhone blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03625 Br
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 29 augustus 2023 het op grond van art. 5.4.10 jo art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen iPhone, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 22 juni 2023 is de klager door de politie in Geleen aangehouden op grond van verdenking van opzetheling van een auto. Bij deze aanhouding is onder de klager een iPhone in beslag genomen op de voet van art. 94 lid 1 Sv Pro (om de waarheid aan de dag te brengen). [1]
2.2
Op 17 juli 2023 is door de Belgische autoriteiten een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd in het kader van een “lopend strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde of gewapende diefstal”. [2] Naar aanleiding van dit bevel is de onder de klager in beslag genomen iPhone overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Op 27 juli 2023 is de klager hiervan op de hoogte gesteld. [3]
2.3
De Belgische autoriteiten hebben om geheimhouding van het EOB gevraagd. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom (in eerste instantie) niet aan de verdediging verstrekt.
2.4
Namens de klager is op 31 juli 2023 een op art. 5.4.10 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen iPhone. Het klaagschrift is op 15 augustus 2023 in openbare raadkamer behandeld. In de raadkamer heeft de raadsvrouw van de klager kenbaar gemaakt dat de verdediging het EOB alsnog heeft ontvangen.
2.5
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Limburg heeft op 29 augustus 2023 het beklag ongegrond verklaard.
2.6
Het middel is gericht tegen deze ongegrondverklaring, meer in het bijzonder dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat de klager als eigenaar van de iPhone een recht op bescherming van dit eigendom heeft.

3.De beschikking

3.1
De rechtbank heeft het standpunt van klager als volgt weergegeven:

Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de mobiele telefoon.
Namens de klager is ten eerste een beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 5.4.4. lid 1, aanhef en onder d, Sv. Klager wordt in de Nederlandse strafzaak verdacht van onder meer diefstal van een auto uit België. In dat kader is door de Nederlandse autoriteiten een EOB uitgevaardigd aan België, ten behoeve van het verkrijgen van de aangifte van deze vermeende diefstal. Het is niet ondenkbaar dat de Belgische autoriteiten een EOB zouden hebben uitgevaardigd om klager mogelijk ook in België verantwoordelijk te houden voor de vermeende diefstal. Klager wordt hier echter in Nederland reeds van verdacht en dient zich hieromtrent op 2 augustus 2023 ten overstaan van de politierechter te verantwoorden. Voorts is het voor klager onbekend om welke reden er voor de Belgische autoriteiten een noodzaak zou bestaan om beslag te leggen op zijn mobiele telefoon, nu de politie het onderzoek aan de mobiele telefoon heeft afgerond, omdat deze niet geopend kan worden. Tenslotte wordt met de voortdurende inbeslagname van de mobiele telefoon een inbreuk gemaakt op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.”
3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:

BeoordelingMet toestemming van de Belgische autoriteiten is onder meer het volgende gedeeld over het Belgische onderzoek:
"
In de nacht van 21 op 22 juni 2023 werd in MAASMECHELEN een voertuig TOYOTA Rav 4, met Belgisch kenteken [kenteken], gestolen. Op 22/06/2023, om 02u05, werd de Nederlander [klager] door de Nederlandse politie gearresteerd in dit gestolen voertuig. Hij werd door de Nederlandse politie verhoord over zijn aanwezigheid in dit voertuig (PL2300- 2023095922-9). [klager] was in het bezit van een iPhone 12 met imei-nummer [imei-nummer] en oproepnummer [telefoonnummer]. Betrokkene gaf geen toestemming tot uitlezing van dit toestel. Uitlezing van dit toestel zou kunnen leiden tot de identificatie van mededaders."
De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden.
Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen met betrekking tot de erkenning en uitvoering.
Evenals in beklagprocedures naar aanleiding van beslag dat is gelegd in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek behelst de toets van de rechter verder of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. Die toets blijft marginaal, nu de omstandigheid dat een staat een EOB uitvaardigt in een (kennelijk) lopend onderzoek of strafrechtelijke procedure voldoende is om dit strafvorderlijk belang aan te nemen. Het is immers niet aan de Nederlandse rechter om onderzoek te doen naar de gronden voor het uitvaardigen van het onderliggende rechtshulpverzoek. Daarbij is wel gebleken uit het feit dat de Belgische autoriteiten onderzoek willen doen naar mogelijke mededaders, dat er geen sprake is van een schending van het ‘ne bis in idem’ beginsel.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische onderzoeksrechter een EOB heeft uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde of gewapende diefstal. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5:4:4 Sv Pro voor.
Verder staat in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:679 en HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:744). Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat, terwijl het de autoriteiten van de uitvaardigende staat zijn die het best kunnen bepalen welke voorwerpen of gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek aldaar.
De Belgische autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het voorwerp dat in beslag is genomen. Gelet op de gerezen verdenking van strafbare feiten kan de in beslag genomen mobiele telefoon door de Belgische autoriteiten aangemerkt worden als voorwerp waarvoor zij een strafvorderlijk belang heeft bij inbeslagneming. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
Al hetgeen verder door de verdediging is aangevoerd kan evenmin leiden tot een gegrondverklaring van het beklag.”

4.Het middel

4.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de inbeslaggenomen mobiele telefoon “gelet op de gerezen verdenking van strafbare feiten door de Belgische autoriteiten aangemerkt kan worden als voorwerp waarvoor zij een strafvorderlijk belang heeft bij inbeslagneming, waarbij naar oordeel van de rechtbank een voortdurend belang van strafvordering bestaat,
terwijlde rechtbank heeft miskend dat [de klager] als eigenaar van de mobiele telefoon een recht op bescherming van dit eigendom heeft, althans daarover niets heeft overwogen”. Die beslissing is onbegrijpelijk en geeft blijk van een onjuiste toepassing van het recht, aldus de steller van het middel.
4.2
Vooropgesteld moet worden dat het systeem van het EOB is gebaseerd op wederzijdse erkenning en het daarmee verbonden beginsel van onderling vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het onderlinge vertrouwen biedt volgens het Hof van Justitie (HvJ) de mogelijkheid “om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Dit beginsel vereist, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen”. [4] Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
4.3
De toets die de Nederlandse beklagrechter moet aanleggen met betrekking tot een beslag op grond van een EOB concentreert zich op de vraag of het beslag onder de reikwijdte van het EOB valt en op de vraag of er sprake is van één van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4 Sv. Er is geen plaats voor onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB en het belang van de strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn. [5]
4.4
De rechtbank heeft dit toetsingskader met zoveel woorden onderkend en kort gezegd geoordeeld dat de in beslag genomen iPhone het bewijsmateriaal betreft waar het EOB betrekking op heeft en dat er zich geen weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4 Sv voordoen. Dat oordeel en deze (overigens juiste) vooropstellingen worden in cassatie niet betwist.
4.5
Wel wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel het recht op eigendom en bescherming daarvan, een en ander zoals is neergelegd in art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM, in niet heeft betrokken bij de afwegingen. Deze bepaling luidt als volgt:
"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."
4.6
Het is op zichzelf juist dat de rechtbank hier geen woorden aan heeft gewijd, terwijl dit namens de klager in raadkamer wel naar voren is gebracht. Maar in het licht van het hiervoor geschetste beperkte toetsingskader had de rechtbank hier bij haar overwegingen ook geen rekening mee
kunnenhouden, omdat de rechtbank gebonden is aan de in art. 5.4.4. Sv genoemde weigeringsgronden. [6] Het in art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM besloten proportionaliteitsvereiste is niet aan de orde bij een beklag als het onderhavige waarbij in verband met het vertrouwensbeginsel zoveel mogelijk aan het verlangde gevolg moet worden gegeven. [7] De rechtbank heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft haar oordeel toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Ten overvloede merk ik in dit verband op dat het motiveringsvereiste dat volgt uit art. 359 lid 2 Sv Pro in geval wordt afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet het oog heeft op een ter gelegenheid van de behandeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in raadkamer ingenomen standpunt. [8]

5.Tot slot

5.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De kennisgeving van inbeslagneming is als bijlage 1 aan het initiële klaagschrift gehecht.
2.Dit zijn de bewoordingen die de rechtbank in de bestreden beschikking op p. 2 gebruikt.
3.De kennisgeving van de overdracht is als bijlage 2 aan het initiële klaagschrift gehecht.
4.HvJ 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2454, NJ 2015/410, m.nt. E.A. Alkema (advies over de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verenigbaarheid van dit ontwerp met het VEU en het VWEU), par. 191. Zie uitgebreider over het interstatelijke vertrouwensbeginsel AG Paridaens in haar conclusie voorafgaand aan HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, m.nt. J.M. Reijntjes randnr. 5.3 en de HR in rov. 6.13.
5.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940,
6.Zie T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning”, NTS 2022, nr. 3., p. 152.
7.Zie ook: HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1153 waarin (weliswaar nog onder het voor de implementatie van het EOB geldende rechtshulpregiem) werd geklaagd dat de overdracht van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Belgische autoriteiten "een wezenlijke belemmering van eigendomsrechten" van de betrokkene opleverde. Deze klacht, in wezen een beroep op het proportionaliteitsbeginsel, gaf naar het oordeel van de Hoge Raad blijk van miskenning van de in rov. 2.3 weergegeven maatstaf te weten dat “als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien een verzoek als het onderhavige is gegrond op een verdrag - zoals hier het geval is - op grond van art. 552k, eerste lid, Sv aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, LJN ZD2927, NJ 2002/580)”; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1108; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:511.