De zaak betreft een klaagschrift van een werknemer van een bedrijf, gericht tegen het beslag op zijn iPhone dat plaatsvond naar aanleiding van Amerikaanse rechtshulpverzoeken. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het klaagschrift ongegrond, waarbij zij het verzoek om inzage in de vertrouwelijke rechtshulpverzoeken en aanhouding van de behandeling afwees. De rechtbank oordeelde dat geheimhouding gerechtvaardigd was op grond van het Verdrag tussen Nederland en de VS en dat het belang van het onderzoek zwaarder woog dan het inzagerecht van de verdediging.
Daarnaast stelde de verdediging dat niet was voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De rechtbank concludeerde echter dat de materiële feiten binnen de Nederlandse strafbaarstellingen vielen en dat de Amerikaanse en Nederlandse strafwetten hetzelfde rechtsgoed beschermden. De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat het verzoek om verstrekking van de rechtshulpverzoeken niet kon worden ingewilligd vanwege het interstatelijke vertrouwensbeginsel.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat de middelen falen en het cassatieberoep verworpen moet worden. Er zijn geen gronden voor vernietiging van de bestreden beschikking. De Hoge Raad handhaaft daarmee het beslag en de geheimhouding van de rechtshulpverzoeken, ondanks de frustratie van de klager over het ontbreken van zicht op de feiten.