Conclusie
‘Ten aanzien van feit 1
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 23 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…).
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 19 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , (…).
Een proces-verbaal van aangifte (…) van 20 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , (…) (met bijlagen).
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2022.
Ten aanzien van feit 2
Een proces-verbaal van verhoor aangever (…) van 17 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , (…) (met bijlagen).
Een proces-verbaal van observatie (…) van 28 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , (…).
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 19 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] , (…) (met bijlagen).
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 27 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] , (…).
’
‘Bewijsoverweging
Feit 1.: 19-03-18 [plaats] [b-straat] 4: pinpas + € 60,= [slachtoffer ] .
met de sleutel; pag. 1 05 dossier). De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] relateren niet dat zij [slachtoffer ] een foto toonden.
eerstemiddel heeft betrekking op de onder 1 bewezenverklaarde diefstal, in het bijzonder op ’s hofs oordeel dat voor de bewezenverklaring gebruik kon worden gemaakt van schakelbewijs. Uit de overwegingen van het hof zou niet kunnen volgen dat het zich rekenschap heeft gegeven van de ‘verzwaarde motiveringsplicht’; het gebruik van schakelbewijs zou onvoldoende zijn gemotiveerd. Voorts zou de vaststelling dat bij feit 1 sprake is van een modus operandi die gelijk dan wel vergelijkbaar is met die bij feit 2 onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. En hetgeen overigens tot het bewijs is gebezigd, zou de bewezenverklaring niet (zonder meer) kunnen dragen. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat ‘de bewezenverklaring van feit 2 niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan volgen’.
termijn van dertig dagenna verzending van deze kennisgeving een schriftuur indient bij de Hoge Raad.’ Daaruit kan worden afgeleid dat ook klachten over het ontbreken van een beslissing op de vordering kunnen worden ingediend. Van die gelegenheid is niet gebruik gemaakt.