ECLI:NL:PHR:2024:1274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
26 november 2024
Zaaknummer
22/02048
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 27 SrArt. 81 ROArt. 338 SvArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf voor medeplegen diefstal met babbeltruc bij seniorencomplex

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens twee diefstallen door middel van een babbeltruc bij seniorencomplexen, waarbij bankpassen en geld werden ontvreemd. De feiten betroffen diefstal op 19 maart 2018 in Amsterdam en op 17 juli 2018 in Haarlem, telkens samen met medeverdachten. De bewijsvoering berustte onder meer op observaties, verklaringen van slachtoffers en aangetroffen gestolen goederen in een voertuig.

De verdachte voerde in cassatie bewijsgerelateerde klachten aan, met name over het gebruik van schakelbewijs en de motivering daarvan. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht schakelbewijs gebruikte, waarbij de modus operandi van de babbeltruc – het lokken van slachtoffers naar de brievenbus om bankpassen en geld te stelen – op essentiële punten overeenkwam. Ook werd geoordeeld dat het bewijs voldoende overtuigend was, ondanks het ontbreken van directe herkenning door slachtoffers.

Ambtshalve merkte de Hoge Raad op dat het hof niet had beslist op de vordering van de benadeelde partij, maar dat dit in deze zaak niet tot cassatie aanleiding gaf vanwege de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de mogelijkheid voor de benadeelde partij om klachten in te dienen. De Hoge Raad vernietigt het arrest echter wel wat betreft de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf conform de gebruikelijke maatstaven, terwijl het overige cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd, het overige cassatieberoep wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02048
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 25 mei 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. en 2., ‘telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr. Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/02958. In deze zaak is het cassatieberoep op 10 mei 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Beide middelen betreffen de bewijsvoering. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaringen en de bewijsvoering weer. Tevens citeer ik uit de pleitnota van de raadsman van de verdachte.
Bewezenverklaringen, bewijsvoering en pleitnota
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1.
hij op 19 maart 2018 te Amsterdam , tezamen en in vereniging met een ander uit een woning een bankpas en een geldbedrag van in totaal 60,- euro, toebehorende aan [slachtoffer ] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2.
hij op 17 juli 2018 te Haarlem , tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning een bankpas en 80,- euro, toebehorende aan [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.’
6. De bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘Ten aanzien van feit 1

1.
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 23 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 19 maart 2018 omstreeks 15.30 uur bevond ik mij in burger gekleed op de [a-straat] te [plaats] . Ik zag dat een voertuig van het merk Ford, [kenteken 1] , met daarin twee mannen mij tegemoet kwam rijden. De bestuurder bleek later te zijn: [medeverdachte] geboren op [geboortedatum] 1988. De bijrijder bleek later te zijn [verdachte] , [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983.
Ik zag dat de mannen de [b-straat] inliepen en voor de centrale toegangsportiek van de woningen [b-straat 1 - 2] stonden. Ik zag dat de mannen vlak voor de brievenbussen en deurbellen stonden en hier naar keken en wezen. Ik zag vervolgens dat beide mannen via de centrale toegangsportiek naar binnen gingen en uit het zicht verdwenen. Kort hierop zag ik dat [verdachte] weer naar buiten kwam lopen en de deur openhield voor een oudere dame. Beiden gingen voor de brievenbussen staan en keken aandachtig hiernaar en waren met elkaar in gesprek. [verdachte] maakte hierbij enige gebaren richting de brievenbussen. Vervolgens gingen de vrouw en [verdachte] weer de portiek in en verdwenen uit zicht. Kort hierop zag ik dat [medeverdachte] alleen uit het portiek kwam lopen en naar de Ford toeliep. Vervolgens zag ik [verdachte] in de centrale toegangshal aan komen lopen. Hij nam ook plaats in de Ford. Nadat [verdachte] was ingestapt reed het voertuig weg.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 19 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Op 19 maart 2018 om 17:15 uur hebben wij een onderzoek ingesteld op de [b-straat 1 - 2] . Wij hebben aangebeld bij [b-straat 3] . De bewoonster bleek te zijn, [slachtoffer ] geboren op [geboortedatum] 1938. Wij vroegen aan [slachtoffer ] of zij circa dertig minuten geleden door een of meerdere personen bij haar woning was benaderd. [slachtoffer ] verklaarde het volgende: ‘Er belde een man bij mijn toegangsdeur die zei dat hij een postbezorger was. Hij vertelde dat hij per ongeluk [verbalisant 10] in mijn brievenbus had gedaan maar dat dit voor mijn bovenburen moest zijn. Ik ben toen mee naar beneden gelopen. Beneden zag ik dat er helemaal geen [verbalisant 10] in mijn brievenbus lag. Ik heb toen ook mijn identiteitsbewijs laten zien aan de man.
3.
Een proces-verbaal van aangifte (…) van 20 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , (…) (met bijlagen).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 maart 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever 1] :
Ik wil aangifte doen namens mijn moeder [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] 1938 te [plaats] .
Mijn moeder vertelde over hetgeen zich had afgespeeld op 19 maart 2018 het volgende: ‘Ik heb de deur open gemaakt voor een jongen die verkeerde [verbalisant 10] had bezorgd. Hij belde namelijk bij mij aan om te zeggen dat hij [verbalisant 10] in mijn brievenbus had gegooid die in een andere brievenbus moest zitten. Ik liep met de jongen mee naar beneden. Ik keek in mijn brievenbus en zag geen [verbalisant 10] . De jongen zei tegen mij dat hij zich vergist had en de [verbalisant 10] dan waarschijnlijk in de brievenbus boven mij had gedaan. Ik liep vervolgens weer naar boven om mijn woning in te gaan. Ik zag dat de jongen wegliep.’
Dezelfde dag werd ik omstreeks 18:30 uur door mijn moeder gebeld. Ze vertelde mij het volgende: ‘Ik ben gebeld door iemand die zei dat hij van de politie was. Die vertelde mij dat mijn pinpas was gevonden. Ik zei tegen de man aan de telefoon dat ik mijn pinpas direct zou blokkeren. Ik hing op en wilde naar mijn portemonnee lopen welke in de lade van het dressoir in de woonkamer lag. Ik keek in mijn portemonnee en zag direct dat mijn pinpas er niet meer in zat. Tevens zag ik dat er geld weg was. Ik had namelijk drie briefjes van € 20,- in mijn portemonnee zitten die zaten er niet meer in.’
4.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was samen met [medeverdachte] naar een appartementencomplex in de [b-straat] in [plaats] gegaan. Ik heb daar bij een mevrouw aangebeld. Ik heb haar gezegd dat ik per ongeluk een pakketje bij haar in de brievenbus had gegooid. Ik ben met haar naar de brievenbussen gelopen. Daar hebben we gepraat.

Ten aanzien van feit 2

5.
Een proces-verbaal van verhoor aangever (…) van 17 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , (…) (met bijlagen).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juli 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [aangever 2] :
Ik wil aangifte doen van diefstal van € 80,- en mijn bankpas. Ik was op 17 juli 2018 thuis aan [c-staat 1] te [plaats] . Er was verder niemand in mijn woning. Rond 14.00 uur werd er bij mij aangebeld. Ik deed mijn voordeur open en zag daar een getinte jongen van tussen de 25 en 35 jaar staan. De jongen vertelde dat hij per ongeluk een pakje in de verkeerde bus had gedaan en vroeg of ik met hem mee naar beneden wilde lopen. Ik liep terug naar de woonkamer om de sleutels te pakken en toen ik mij weer omdraaide om naar de voordeur te lopen zag ik een andere jongen staan in de ruimte voor de keuken. Deze jongen was ook getint en tussen de 25 en 35 jaar. Toen ik hem zag kwam hij naar me toe lopen en zei dat ik mijn identiteitsbewijs moest laten zien en mijn telefoonnummer moest geven. Hij wilde ook een briefje om mijn nummer op te schrijven. Ik gaf hem dit en hij schreef mijn telefoonnummer op. Toen de jongen weg was liep ik direct naar mijn portemonnee en toen zag ik dat mijn pinpas en € 80,- weg was.
6.
Een proces-verbaal van observatie (…) van 28 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 17 juli 2018 omstreeks 13.52 uur ziet observant [verbalisant 8] dat [medeverdachte] , [betrokkene] en [verdachte] in een Peugeot met [kenteken 2] richting [plaats] rijden. Observant [verbalisant 9] ziet dat de Peugeot omstreeks 14.11 uur wordt geparkeerd in de [d-straat] . Observanten [verbalisant 6] en [verbalisant 10] zien dat twee mannen uitstappen en over de [e-straat] lopen in de richting van de [f-straat] . Om 14.16 uur ziet observant [verbalisant 10] dat [verdachte] uit het portiek [f-straat 1-2] komt. Dit portiek geeft toegang tot een complex van seniorenwoningen genaamd: [A] . Kort hierop ziet hij ook [betrokkene] naar buiten komen, waarop de mannen ieder een kant oplopen. Observant [verbalisant 9] ziet de drie mannen lopen op de [g-straat] en ziet vervolgens de Peugeot om 14.20 uur wegrijden.
7.
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 19 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] , (…) (met bijlagen).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 17 juli 2018 omstreeks 17.00 uur heb ik een zwarte Peugeot met [kenteken 2] doorzocht. Op de vloer van de achterbank lag een opgevouwen papiertje. Ik vouwde genoemd papiertje open en zag dat daar het volgende op was geschreven: ‘ [aangever 2] [telefoonnummer] ’.
Nadat ik het middenconsole los had getrokken zag ik onder het middenconsole een Rabobank pasje liggen dat op naam was gesteld van [aangever 2] .
Op achterbank lag een witte Alcatel telefoon.
Deze goederen zijn in beslag genomen.
8.
Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 27 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] , (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In het voertuig met het merk Peugeot met [kenteken 2] werd een Alcatal telefoon aangetroffen. De Alcatel is uitgelezen. Er blijkt maar 1x met het toestel te zijn gebeld en wel op 17 juli 2018 om 15.08 uur voor de duur van 57 seconden naar het telefoonnummer van [aangever 2] [telefoonnummer] .
7. Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaringen het volgende overwogen:

‘Bewijsoverweging

Feit 1 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde
Op 19 maart 2018 is de verdachte samen met (de inmiddels voor dit feit onherroepelijk veroordeelde medeverdachte) [medeverdachte] naar het wooncomplex aan de [b-straat] te [plaats] , waar ook het slachtoffer woonde, gegaan. Volgens de aangifte namens het slachtoffer stond er op enig moment een man voor haar deur die per ongeluk een postpakket in haar brievenbus zou hebben gestopt. Blijkens zijn eigen verklaring is dat de verdachte geweest. Desgevraagd is het slachtoffer met de verdachte meegelopen naar haar brievenbus, maar daar bleek geen pakket in te liggen. De verdachte zei dat hij zich heeft vergist en vertrok. Deze verklaring van het slachtoffer past bij de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] die zag dat de verdachte en [medeverdachte] het wooncomplex in liepen en dat de verdachte enige tijd later samen met het slachtoffer bij de brievenbussen stond. Nadat het slachtoffer en de verdachte het portiek weer inliepen kwam eerst [medeverdachte] en later de verdachte uit het wooncomplex. Hierna ontdekte het slachtoffer dat haar pinpas en een geldbedrag van € 60,- ontbraken.
Bij de beoordeling van het bewijs van dit feit betrekt het hof hetgeen ten aanzien van feit 2, zoals hieronder beschreven, is vastgesteld en de mede daaruit af te leiden modus operandi, kort te omschrijven als een 'babbeltruc' waarbij de verdachte en zijn mededader(s) naar een wooncomplex van senioren gaan en een slachtoffer uit zijn woning naar diens brievenbus lokken om zo de gelegenheid te creëren uit de woning van het slachtoffer een bankpas en/of geld te ontvreemden. Het samenstel van deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De verklaring van de verdachte dat hij illegale medicijnen (Viagra en anabolen) bezorgde en deze in de verkeerde brievenbus had gegooid acht het hof niet aannemelijk. De verdachte heeft deze verklaring op geen enkele wijze onderbouwd en ook anderszins is hiervoor geen steun te vinden in het dossier. Overigens heeft de verdachte deze verklaring pas afgelegd nadat hem de inhoud van het dossier al bekend was.
Feit 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde
Op 17 juli 2018 is de verdachte tezamen met [medeverdachte] en [betrokkene] in een auto met [kenteken 2] naar [plaats] gereden. Blijkens de verklaring van aangever werd er bij zijn woning aangebeld. Een man zou per ongeluk een pakketje in de brievenbus van de aangever hebben gestopt, welk pakketje niet voor aangever bestemd was. Aangever heeft zijn sleutel gepakt om mee te lopen naar de brievenbus en zag vervolgens een tweede man in zijn woning staan. Op verzoek heeft aangever aan deze man zijn identiteitsbewijs laten zien en zijn telefoonnummer gegeven. Kort daarna komt aangever tot de ontdekking dat zijn bankpas en een geldbedrag van € 80,- zijn weggenomen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] heeft hij gezien dat de verdachte uit het complex van seniorenwoningen waar ook de aangever woont kwam lopen. Kort daarna volgde [betrokkene] . Enkele uren later, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] , werd in voornoemde auto – met daarin alle drie de verdachten – de gestolen bankpas en een briefje met daarop de naam en het telefoonnummer van de aangever aangetroffen. Tevens is in de auto een telefoon aangetroffen waarmee naar de aangever is gebeld.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 2, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan. Het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario dat hij illegale medicijnen bezorgde en enkel met [medeverdachte] is meegereden acht het hof niet aannemelijk. De verdachte heeft deze verklaring op geen enkele wijze onderbouwd en de verklaring wordt door niets ondersteund.’
8. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2022 houdt in dat de raadsman aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden onder meer het volgende in:

Feit 1.: 19-03-18 [plaats] [b-straat] 4: pinpas + € 60,= [slachtoffer ] .
Cliënt stelt die dag medicijnen te hebben bezorgd in de [b-straat] . Kon meerijden met de hem bekende [medeverdachte] . Cliënt deponeerde medicijnen in verkeerde brievenbus. Verzocht de medicijnen uit de brievenbus te halen maar bleek niet de brievenbus van [slachtoffer ] te zijn. Bewoners andere brievenbus bleken niet thuis te zijn. Cliënt is weer vertrokken. Wat [medeverdachte] deed terwijl hij zijn “ding” deed, weet cliënt niet.
[slachtoffer ] verklaart haar deur te hebben afgesloten toen zij meeliep met cliënt naar haar brievenbus (Ik heb toen de deur dichtgedaan
met de sleutel; pag. 1 05 dossier). De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] relateren niet dat zij [slachtoffer ] een foto toonden.
Als de dochter van [slachtoffer ] aangifte voor haar komt doet, vermeldt deze dit wel (pag. 1 06 dossier). Welke foto werd getoond; wat werd er gezegd?
Cliënt is rond 15:30 uur bij de [b-straat] (pv bevindingen Postmapag. 1 01). Eerst rond 18:30 uur bemerkt aangeefster [slachtoffer ] dat uit haar portemonnee haar pinpas mist en 3 briefjes van € 20,=.
Wettig en overtuigend bewijs dat cliënt haar pinpas ontvreemde danwel dat [medeverdachte] dat deed en dat cliënt als medepleger moet worden aangemerkt, ontbreekt.
Niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer ] de pas en het geld (al eerder op de dag) verloor/kwijt raakte of dat het op een eerder of een later moment elders danwel in haar woning door anderen dan cliënt van haar werd ontvreemd.
Vrijspraak.
Feit 2.: 17-07-18 [plaats] [c-staat 1] ; pinpas + € 80,= [aangever 2]
(…)
Op 17 juli 2018 reed cliënt met de hem bekende [medeverdachte] mee naar [plaats] om daar een pakketje met medicijnen te bezorgen. [medeverdachte] moest toch die kant op. Er bleek nog een andere persoon mee te rijden met [medeverdachte] . Cliënt kende deze persoon ( [betrokkene] ) niet.
Cliënt is ter plaatse alleen uitgestapt en heeft alleen zijn pakketje bezorgd. Wat [medeverdachte] en de 3e persoon intussen deden weet cliënt niet. Cliënt is weer naar de auto van [medeverdachte] gelopen en met hem (en de 3e persoon) teruggereden naar [plaats] , waar hij uit de auto gezet is bij de [h-straat] - [i-straat] .
Ondanks observaties die dag blijft onduidelijk wie de twee personen waren die bij [aangever 2] aanbelden/binnen kwam/kwamen. Cliënt betwist dat hij een van deze personen was. Ondanks de observatie wordt niet beschreven wie van de geobserveerden welke kleding droeg.
Het kaartje met daarop de naam [aangever 2] en zijn telefoonnummer is niet aan cliënt te koppelen. De auto was niet in gebruik bij cliënt. Van de bij cliënt aangetroffen Lebarakaart (dossier pag. 2 13) is niet gebleken dat deze gebruikt werd bij ‘babbeltrucs’.
Cliënt “deed zijn ding”. Wat [medeverdachte] en/of [betrokkene] deden weet hij niet.
Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cliënt betrokken was bij het plegen van dit feit.
Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van dit feit, in de beide tenlastegelegde varianten.’
Bespreking van de middelen
9. Het
eerstemiddel heeft betrekking op de onder 1 bewezenverklaarde diefstal, in het bijzonder op ’s hofs oordeel dat voor de bewezenverklaring gebruik kon worden gemaakt van schakelbewijs. Uit de overwegingen van het hof zou niet kunnen volgen dat het zich rekenschap heeft gegeven van de ‘verzwaarde motiveringsplicht’; het gebruik van schakelbewijs zou onvoldoende zijn gemotiveerd. Voorts zou de vaststelling dat bij feit 1 sprake is van een modus operandi die gelijk dan wel vergelijkbaar is met die bij feit 2 onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn. En hetgeen overigens tot het bewijs is gebezigd, zou de bewezenverklaring niet (zonder meer) kunnen dragen. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat ‘de bewezenverklaring van feit 2 niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan volgen’.
10. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
11. Uw Raad heeft in een arrest van 26 september 2023 overwogen dat met de term schakelbewijs ’pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering’. [1] Daarbij kan, aldus Uw Raad, ‘van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen’.
12. De eisen die aan het schakelbewijs worden gesteld, hangen af van de rol die dat schakelbewijs in de bewijsconstructie vervult. Als die rol cruciaal is, zullen aan de overeenkomst in modus operandi hoge eisen moeten worden gesteld. Dan is ‘ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt’. [2] Minder hoge eisen kunnen worden gesteld als het schakelbewijs van ondergeschikte betekenis is, bijvoorbeeld als de verdachte met goederen wordt aangetroffen die bij een andere diefstal waren weggenomen. [3]
13. Hoewel het hof niet expliciet heeft overwogen dat het bij de bewijsvoering van feit 1 gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, meen ik, met de steller van het middel, dat dit het geval is. Uit de bewijsoverwegingen inzake feit 1 blijkt dat het hof bij de beoordeling van het bewijs van dit feit betrekt ‘hetgeen ten aanzien van feit 2, zoals hieronder beschreven, is vastgesteld en de mede daaruit af te leiden modus operandi’. Volgens het hof is deze modus operandi ‘kort te omschrijven als een ‘babbeltruc’ waarbij de verdachte en zijn mededader(s) naar een wooncomplex van senioren gaan en een slachtoffer uit zijn woning naar diens brievenbus lokken om zo de gelegenheid te creëren uit de woning van het slachtoffer een bankpas en/of geld te ontvreemden’.
14. De steller van het middel licht niet toe waar de ‘verzwaarde motiveringsplicht’ bij schakelbewijs in zou bestaan. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof niet behoefde te motiveren ‘waarom sprake is van een patroon’ of nader diende toe te lichten dat de bij feit 2 gebezigde methode specifiek genoeg is om tot de conclusie te komen dat bij feit 1 van dezelfde modus operandi sprake is. Ik wijs er daarbij op dat de modus operandi die door het hof is vastgesteld, meer inhoudt dan ‘dat in zijn algemeenheid sprake is van een ‘babbeltruc’’. Het hof overweegt ook dat de verdachte en zijn mededader(s) naar een wooncomplex van senioren gaan. En de babbeltruc bestond in beide gevallen in het naar de brievenbus (proberen te) lokken van het slachtoffer. Aan die overeenkomst in modus operandi doet niet af dat het slachtoffer bij feit 2 niet mee naar beneden is gegaan. Ook in dit geval is aan de aangever gevraagd of hij mee naar beneden wilde lopen omdat per ongeluk een pakje in de verkeerde brievenbus was gedaan (bewijsmiddel 5).
15. De steller van het middel voert in de toelichting op het eerste middel voorts aan dat uit de bewijsvoering van feit 2 niet kan volgen dat de verdachte (ook) bij deze babbeltruc ‘betrokken was: er heeft geen confrontatie/herkenning plaatsgevonden waaruit volgt dat hij in c.q. bij de woning van aangever is geweest’. De vaststellingen van het hof zouden de (impliciete) conclusie dat het de verdachte en [betrokkene] zijn geweest die zich in het appartementencomplex aan een diefstal met babbeltruc schuldig hebben gemaakt niet rechtvaardigen. In de toelichting op het tweede middel wordt ook nog aangevoerd dat ‘van de derde persoon niet blijkt dat hij zich niet (ook) in het appartementencomplex heeft bevonden’.
16. Het bij feit 2 tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van observatie houdt in dat observant [verbalisant 8] [medeverdachte] , [betrokkene] en verdachte op 17 juli 2018 omstreeks 13.52 uur in een Peugeot met [kenteken 2] richting [plaats] ziet rijden (bewijsmiddel 6). Observant [verbalisant 9] ziet dat de Peugeot omstreeks 14.11 uur wordt geparkeerd in de [d-straat] . Observanten [verbalisant 6] en [verbalisant 10] zien twee mannen uitstappen en in de richting van de [f-straat] lopen. Om 14.16 uur ziet observant [verbalisant 10] dat verdachte uit het portiek [f-straat 1-2] komt dat toegang geeft tot een complex van seniorenwoningen genaamd ‘ [A] ’. Kort daarop ziet hij ook [betrokkene] naar buiten komen. Observant [verbalisant 9] ziet de drie mannen lopen op de [g-straat] en ziet de Peugeot om 14.20 uur wegrijden. Aangever [aangever 2] verklaart dat op 17 juli 2018 rond 14.00 uur wordt aangebeld door een jongen ‘van tussen de 25 en 35 jaar’ die ‘vertelde dat hij per ongeluk een pakje in de verkeerde bus had gedaan en vroeg of ik met hem mee naar beneden wilde lopen’ (bewijsmiddel 5). Nadat [aangever 2] naar de woonkamer was gelopen om zijn sleutels te pakken zag hij ‘een andere jongen staan in de ruimte voor de keuken’ die naar hem toe kwam lopen en zei dat hij zijn identiteitsbewijs moest laten zien en zijn ‘telefoonnummer moest geven. Hij wilde ook een briefje om mijn nummer op te schrijven’. Toen de jongen weg was is [aangever 2] direct naar zijn portemonnee gelopen en zag hij dat zijn pinpas en € 80 weg waren. In de Peugeot met [kenteken 2] is om 17.00 uur die dag een briefje gevonden waarop was geschreven ‘ [aangever 2] [telefoonnummer] ’ alsmede een Rabobank pasje ten name van [aangever 2] (bewijsmiddel 7). Met de in de Peugeot aangetroffen Alcatel telefoon is (alleen) op 17 juli 2018 om 15.08 uur gebeld naar het telefoonnummer van [aangever 2] (bewijsmiddel 8).
17. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat de bewijsvoering van een diefstal als de onderhavige slechts toereikend kan zijn als uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bij een confrontatie door het slachtoffer is herkend, miskent zij dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter kan worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (art. 338 Sv Pro). En ook voor zover wordt geklaagd dat het hof het medeplegen door de verdachte van de onder 2 bewezenverklaarde diefstal niet uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, faalt het. Ik wijs er in het bijzonder op dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden en kennelijk heeft afgeleid dat de verdachte met [betrokkene] het complex van seniorenwoningen binnen is gegaan, dat beide bij de woning van het slachtoffer zijn geweest, en dat één van beide daar het geldbedrag en de bankpas heeft weggenomen toen [aangever 2] naar de woonkamer liep nadat de ander hem had verteld dat hij per ongeluk een pakje in de verkeerde bus had gedaan.
18. Ten overvloede wijs ik erop dat ook in het geval uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte] buiten het appartementencomplex is gebleven, de bewijsvoering van medeplegen naar het mij voorkomt toereikend zou zijn geweest. Ik wijs er in dit verband op dat uit de bewijsvoering volgt dat enkele uren na de diefstal (om 17.00 uur) in de Peugeot met daarin alle drie de verdachten de gestolen bankpas is aangetroffen en het briefje met daarop de naam en het telefoonnummer van de aangever. Aldus doet zich de situatie voor dat de verdachte (betrekkelijk) kort na de diefstal (ook in verband met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt) wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden. De omstandigheid dat kan worden vastgesteld dat de diefstal door ‘verenigde personen’ is begaan maar niet door wie precies behoeft dan bij het uitblijven van een de redengevendheid van dat feit ontzenuwende verklaring niet aan een bewezenverklaring in de weg te staan. [4] Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario niet als zo’n verklaring aangemerkt.
19. Daarmee heeft het hof de bewijsvoering van feit 2 ook mede ten grondslag kunnen leggen aan de bewezenverklaring van feit 1.
20. De steller van het middel voert in de toelichting op het eerste middel voorts aan dat de bewezenverklaring van feit 1, zonder schakelbewijs, in strijd met artikel 342, tweede lid, Sv slechts berust op de verklaring van aangeefster, afgelegd tegenover de politie en haar dochter. De beide andere bewijsmiddelen (de observatie en de verklaring van verdachte) zouden het bewezenverklaarde niet kunnen dragen.
21. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de bewezenverklaring van feit 1 ook als de overeenkomst in modus operandi met feit 2 wordt weggedacht, niet alleen op verklaringen berust die aangeefster tegenover de politie en haar dochter heeft afgelegd (bewijsmiddelen 2 en 3). Een tot het bewijs gebezigd proces-verbaal van bevindingen houdt in dat verbalisant [verbalisant 1] op 19 maart 2018 omstreeks 15.30 uur heeft waargenomen dat [medeverdachte] en verdachte voor het centrale toegangsportiek van de woningen [b-straat 1 - 2] stonden, vlak voor de brievenbussen en deurbellen; dat zij hiernaar keken en wezen en dat zij vervolgens via het centrale toegangsportiek naar binnen gingen en uit zicht verdwenen (bewijsmiddel 1). Verbalisant heeft voorts gezien dat verdachte kort daarop naar buiten kwam lopen en de deur openhield voor een oudere dame, dat beide aandachtig naar de brievenbussen keken en met elkaar in gesprek waren en vervolgens weer het portiek ingingen en uit zicht verdwenen. Kort daarna kwam [medeverdachte] uit het portiek lopen en zag verbalisant verdachte in de centrale toegangshal aan komen lopen. Beide namen plaats in de Ford en reden weg. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met [medeverdachte] naar een appartementencomplex in de [b-straat] is gegaan, dat hij daar bij een mevrouw heeft aangebeld en heeft gezegd dat hij per ongeluk een pakketje bij haar in de brievenbus heeft gegooid, dat hij met haar naar de brievenbussen is gelopen en dat hij daar met haar heeft gepraat (bewijsmiddel 4).
22. Aldus doet zich niet de situatie voor dat de bewezenverklaring van feit 1 in strijd met artikel 342, tweede lid, Sv berust op de verklaring(en) van één getuige. De situatie dat de door aangeefster ‘naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal’ doet zich niet voor. [5]
23. De steller van het middel attendeert er in de toelichting op het eerste middel voorts op dat er in de pleitnotities op is gewezen dat de aangeefster van feit 1 heeft verklaard haar deur te hebben afgesloten toen zij met de verdachte meeliep naar haar brievenbus, en zegt dat zij de deur heeft dichtgedaan met de sleutel. Ook in dat licht zou, zo begrijp ik, de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed zijn.
24. Vaste rechtspraak is dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is om, ‘binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht’. [6] Het hof heeft kennelijk geen geloof gehecht aan de verklaring van aangeefster voor zover deze inhoudt dat zij de deur (met de sleutel) heeft afgesloten. Dat stond het hof vrij en behoefde geen nadere motivering. Ik neem daarbij in aanmerking dat in cassatie niet wordt aangevoerd dat sprake was van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. [7]
25. Beide middelen falen.
Afronding
26. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve vraagt de vordering van de benadeelde partij de aandacht. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg gehouden op 4 december 2018 houdt in dat de officier van justitie de zaak voordraagt en melding maakt ‘van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ’. De voorgelezen en overhandigde vordering van de officier van justitie houdt onder meer in: ‘toewijzing vord. BP (hoofdelijk)’. De in eerste aanleg overgelegde pleitnota vermeldt: ‘Afwijzing van de vordering benadeelde partij.’
27. Het vonnis houdt inzake de vordering van de benadeelde partij de volgende overweging in: ‘De benadeelde partij [aangever 2] vordert ter zake van het onder 2 ten laste gelegde een materiële schadevergoeding van € 80,— te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 80,— toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 17 juli 2018. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen.’
28. Het dictum van het vonnis houdt in: ‘Wijst de vordering van [aangever 2] , wonende te [plaats] , toe tot een bedrag van € 80,-- (tachtig euro) aan materiële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.’ De rechtbank legt daarnaast een schadevergoedingsmaatregel op.
29. Uit art. 421, tweede lid, Sv volgt dat de voeging die in eerste aanleg heeft plaatsgehad voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen van rechtswege voortduurt in hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2022 houdt in dat de voorzitter meedeelt: ‘De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] tot een bedrag van € 80,- toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij heeft deze vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof beschikt niet over de oorspronkelijke vordering.’ De advocaat-generaal merkt vervolgens op: ‘De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] heb ik ook niet aangetroffen in het dossier. Vaststaat dat hij gelet op de aangifte schade heeft geleden. Ik verzoek u daarom de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 80,-.’ De raadsman merkt op: ‘Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij lijkt het erop dat deze er is geweest. De rechtbank heeft de vordering immers toegewezen. Ik verzoek u gelet op de bepleite vrijspraak de vordering af te wijzen.’
30. Het bestreden arrest houdt onder het kopje ‘Vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel’ het volgende in: ‘De rechtbank heeft in het vonnis een vordering van de benadeelde partij toegewezen. Het hof heeft geconstateerd dat het dossier geen vordering bevat, zodat hier geen beslissing op kan worden genomen. Wel ziet het hof aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 80,-. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.’ Het dictum houdt (daarbij aansluitend) geen beslissing op de vordering van de benadeelde partij in; wel is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Aan de verdachte is de verplichting opgelegd ‘om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 80,00 (tachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening’. De aanvangsdatum van de wettelijke rente is bepaald op 17 juli 2018.
31. Het hof is gehouden een beslissing te nemen op de vordering van de benadeelde partij voor zover de voeging in hoger beroep van rechtswege voortduurt of de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. [8] Daaraan doet - meen ik - niet af dat de vordering niet is aangetroffen bij de stukken van het geding die het hof van de rechtbank heeft ontvangen. Redelijke wetstoepassing brengt naar het mij voorkomt mee dat het hof in een dergelijk geval de vordering van de benadeelde partij opvraagt bij de rechtbank en, als de rechtbank de vordering niet alsnog opstuurt, de benadeelde partij in de gelegenheid stelt een kopie te overleggen van de oorspronkelijke vordering, waarvan de hoogte en de grondslag gelet op de stukken van het geding vaststaan. Ik heb uit de stukken niet kunnen afleiden dat die gelegenheid is geboden.
32. Niet beslissen op de vordering van een benadeelde partij is in beginsel een grond voor ambtshalve cassatie. [9] Twee omstandigheden geven evenwel grond om in de onderhavige zaak een uitzondering op dat uitgangspunt aan te nemen. De eerste is dat een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd die een betalingsverplichting behelst ter hoogte van het gevorderde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, met de dag waarop het delict is gepleegd als aanvangsdatum van de wettelijke rente. [10] De tweede is dat op 6 oktober 2022 aan de benadeelde partij een kennisgeving is gestuurd waarin is meegedeeld dat in de onderhavige zaak cassatie is ingesteld, en dat op 21 juni 2024 aan de benadeelde partij een tweede kennisgeving is gezonden, die onder meer inhoudt: ‘U kunt rechtsklachten over de beslissing betreffende uw vordering indienen. De wet schrijft voor dat de Hoge Raad deze klachten alleen kan behandelen als een advocaat namens u binnen een
termijn van dertig dagenna verzending van deze kennisgeving een schriftuur indient bij de Hoge Raad.’ Daaruit kan worden afgeleid dat ook klachten over het ontbreken van een beslissing op de vordering kunnen worden ingediend. Van die gelegenheid is niet gebruik gemaakt.
33. Voorts merk ik ambtshalve op dat Uw Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat beroep in cassatie is ingesteld. Dat dient tot strafvermindering te leiden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, rov. 3.8. Naar deze overweging wordt verwezen in HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:654, rov. 2.4.
2.B.F. Keulen en G. Knigge,
3.Keulen en Knigge,
4.Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
5.Vgl. HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459, rov. 3.2 en HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,
6.Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
7.Vgl. voor de eisen aan een Meer en Vaart-verweer Keulen en Knigge,
8.Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:540 en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3901,
9.Vgl. onder meer HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:932 en de rechtspraak genoemd in noot 2 van de conclusie voorafgaand aan dit arrest.
10.Vgl. in dat verband arresten waarin klachten over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet tot cassatie leidden omdat een vernietiging van deze beslissing de verplichting tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel in stand liet (HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932,