Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
(i) De Gemeente geeft grond in erfpacht uit. Daarbij hanteert zij algemene bepalingen. Afhankelijk van het moment van uitgifte van de grond in erfpacht gelden voor de in deze zaak betrokken percelen van particuliere erfpachters de algemene bepalingen van 1978 of 1991 (hierna: AB1978 of AB1991).
(ii) BEZ is een vereniging die ten doel heeft om de belangen van de erfpachters met huizen in de gemeente Zaanstad te behartigen. De andere procespartijen aan haar zijde zijn met name genoemde particuliere erfpachters.
(iii) Vanaf 1995 is de Gemeente met omzettingsbeleid voor particuliere erfpachters gekomen. Dit hield in dat deze erfpachters de mogelijkheid kregen om de bloot eigendom van de in erfpacht uitgegeven grond te kopen. Deze erfpachters moesten hiervoor bij de Gemeente een aanvraag doen.
(iv) De toenmalige berekeningsmethodiek voor de koopprijs van de grond en de overige voorwaarden, zijn opgenomen in de Nota omzetting erfpacht in vol eigendom bij woningbouwterreinen van juni 1995. Op basis hiervan bepaalde de Gemeente de koopprijs (hierna: het Omzettingsbeleid 1995).
(v) In 2006 heeft de Gemeente een onderdeel van dit beleid aangepast (hierna: het Omzettingsbeleid 2006). De gehanteerde rekenrente voor het contant maken van de gevonden grondwaarde werd teruggebracht van 6,5% naar 4,5%. Omdat de koopprijzen voor de aankoop van de bloot eigendom van de grond hierdoor stegen is besloten tot een overgangsregeling (hierna: de Overgangsregeling). Op grond daarvan werd de rekenrente stapsgewijs (per kwartaal gedurende anderhalf jaar) aangepast tot het niveau van 4,5% was bereikt.
(vi) Op 25 januari 2007 heeft de Gemeente, in een besloten gemeenteraadsvergadering, in afwachting van nieuw omzettingsbeleid de Overgangsregeling per direct ingetrokken (hierna: het Intrekkingsbesluit). Vanaf dat moment was omzetting, dus aankoop van de bloot eigendom van de in erfpacht uitgegeven grond, tijdelijk niet mogelijk.
(vii) In oktober 2007 heeft de Gemeente nieuw omzettingsbeleid (hierna: het Omzettingsbeleid 2007) vastgesteld met als uitgangspunt dat zij een reële vergoeding zou krijgen voor de aan de erfpachters te verkopen bloot eigendom van de grond. Aan dit beleid ligt een andere berekeningsmethodiek ten grondslag dan onder het Omzettingsbeleid 2006. Het Omzettingsbeleid 2007 had tot gevolg dat de door de Gemeente bepaalde prijzen voor de koop van bloot eigendom van de grond in 2007 aanzienlijk stegen. Die stijging heeft zich nadien verder voortgezet door aanpassing van de onder (ix) te noemen parameters.
(viii) Het Omzettingsbeleid 2007 is direct in werking getreden en kende geen overgangsregeling.
(ix) De Gemeente hanteert tot dusver (de systematiek van) het Omzettingsbeleid 2007, met dien verstande dat de daarbij horende parameters (grondquote, depreciatie, percentage voor het waardevast maken van de koopsom en rekenrente) regelmatig zijn en worden bijgesteld.
(i) de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door het Omzettingsbeleid 2006 en de Overgangsregeling niet actief onder de aandacht van de erfpachters te brengen en te volstaan met de gebruikelijke publicatie op de website van de Gemeente (rov. 4.31);
(ii) de wijze van totstandkoming van het Omzettingsbeleid 2007 onrechtmatig is omdat (a) de erfpachters mochten verwachten dat het Omzettingsbeleid 2006 en de Overgangsregeling niet zonder enige vooraankondiging ingetrokken en/of opgeschort zou worden en (b) de Gemeente zich, gezien de ingrijpendheid van de beleidswijziging, bij de totstandkoming van het Omzettingsbeleid 2007 meer rekenschap had moeten geven van de belangen van de erfpachters (rov. 4.22-4.28);
(iii) de inhoud van het Omzettingsbeleid 2007 niet onrechtmatig is (rov. 4.34-4.56);
(iv) de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 over de canonherziening (rov. 4.83), artikel 23 AB1978 over wijziging van de AB (rov. 4.86) en artikel 9 AB1991 over de canonherziening (rov. 4.107-4.108) niet onredelijk bezwarend zijn.
Het toetsingskader
.voor zover mogelijk concreet beoordelen.”
Abstracte toetsing van artikel 9 AB1991
Grief 4 in Zaak I (artikelen 8, 11 en 22 AB1978)
Grief 5, artikel 23 AB1978
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1-6betreffen de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van de artikelen 8, 11, 12 en 23 AB1978 en artikel 9 AB1991.
Onderdeel 7betreft het oordeel van het hof over de bekendmaking van het Omzettingsbeleid 2006 en de daarbij behorende Overgangsregeling.
onderdelen 1-6betreffen verschillende aspecten van de toetsing van de canonherzieningsbepalingen (artikelen 8, 11 en 22 AB1978 en artikel 9 AB1991) en voorwaardenwijzigingsbepaling (artikel 23 AB1978). Het middel volgt de opbouw van de arresten van het hof. Ik bespreek gelijksoortige klachten gezamenlijk. De klachten stellen aan de orde dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende gemotiveerd:
(i) de maatstaf van artikel 6:233 onder Pro a BW beperkter of minder streng heeft opgevat dan de maatstaf van de Richtlijn (
onderdeel 1);
(ii) als maatstaf heeft gehanteerd of een beding ‘kennelijk onredelijk’ is en niet of een beding ‘oneerlijk’ dan wel ‘onredelijk bezwarend’ is (
subonderdelen 2.1, 3.1 en 5.1);
(iii) heeft geoordeeld dat artikel 9 AB1991 respectievelijk de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 al bij de totstandkoming beperkingen inhouden die liggen besloten in de rechtsverhouding tussen de burger en de gemeentelijke overheid (
subonderdelen 3.2, 3.3 en 5.1);
(iv) niet heeft beoordeeld of artikel 9 AB1991 respectievelijk de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 het contractuele evenwicht kunnen verstoren (
subonderdelen 3.5 en 5.1) en geen gewicht heeft toegekend aan indicatieve gegevens over een mogelijke canon die onredelijk zou uitpakken (
subonderdeel 5.2);
(v) de betekenis van punt 1 onder l van de Bijlage bij de Richtlijn voor de beoordeling van artikel 9 AB1991 heeft miskend, in het bijzonder wat betreft de vraag of de erfpachters bij een canonherziening een reële opzegbevoegdheid hebben (
subonderdelen 2.2 en 3.4);
(vi) eraan voorbij gaat dat [eisers 4] en [eisers 5] geen opzegbevoegdheid hebben (
subonderdeel 3.6);
(vii) niet heeft gereageerd op de essentiële stelling van BEZ c.s. dat de erfpachtrechten niet of moeilijk overdraagbaar zijn, omdat zij moeilijk financierbaar zijn doordat de prijs voor de erfpachtrechten geheel en onbeperkt in handen van de Gemeente is gelegd (
onderdeel 4);
(viii) bij de beoordeling van artikel 23 AB1978 voorbij gaat aan een essentiële stelling van BEZ c.s. (
onderdeel 6).
Volgens BEZ c.s. (schriftelijke toelichting nrs. 4.13-4.17) heeft het hof dit inderdaad miskend. Het gaat BEZ c.s. er met name om dat de indicatieve lijst in de bijlage bij de Richtlijn (hierna: de indicatieve lijst) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) over de toetsing aan artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn, (ook) een rol dienen te spelen bij de toetsing van bedingen in algemene voorwaarden als de Richtlijn temporeel niet van toepassing is (schriftelijke toelichting nrs. 4.9-4.10).
onderdeel 1berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten en dient daarom te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Indien de AB1991 van toepassing zijn op erfpachtovereenkomsten van na 31 december 1994, wordt − abstract of, in het geval van [eisers 6] ., concreet − getoetst aan de maatstaf van de Richtlijn door middel van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 6:233 onder Pro a BW.
ex tuncaan de hand van alle omstandigheden van het geval. [9] Het voorgaande sluit overigens niet uit (zie hierna in 3.7.2) dat de rechter bij de beoordeling van bedingen een onderscheid maakt tussen gevallen waarop de Richtlijn al dan niet van toepassing is.
Verder is het met het oog op onder meer de plicht van de rechter om, kort gezegd, ambtshalve te toetsen of een beding oneerlijk is, nodig om te bepalen of een situatie valt onder het (temporele) toepassingsbereik van de Richtlijn.
subonderdelen 2.1 en 3.1klagen dat het hof in rov. 9.16 en 9.17 TA en rov. 3.3-3.7 EA bij de toetsing van artikel 9 AB1991 uitgaat van een verkeerde maatstaf waar het beoordeelt of de mogelijkheid van herziening van de erfpachtcanon op grond van artikel 9 AB1991 al dan niet ‘zeer wel verdedigbaar en niet kennelijk onredelijk’ is, in plaats van al dan niet ‘oneerlijk’ of ‘onredelijk bezwarend’. Het hof legt de lat voor aantasting van deze bepaling daarmee veel te hoog, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 5.1betrekt deze klacht ook op de beoordeling van de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 in rov. 9.22-9.23 TA en rov. 3.3-3.7 EA.
zeer wel verdedigbaar en niet kennelijk onredelijk [is] tegenover [de] erfpachter” (rov. 9.16 TA) en dat de daarbij te hanteren maatstaf – de nieuwe grondwaarde en het op dat moment geldende marktrentepercentage – “
in zijn algemeenheid niet kennelijk onredelijk [kan] worden beschouwd” (rov. 9.17 TA). Ook ten aanzien van de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 gebruikt het hof de term “
kennelijk onredelijk” (rov. 9.23 TA). Het middel wijst hier terecht op.
Gezien het voorgaande, meen ik dat het gebruik van de door het subonderdeel gewraakte terminologie niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof een verkeerde dan wel een veel te zware maatstaf (aldus de schriftelijke toelichting namens BEZ c.s. nr. 5.4) heeft gehanteerd. Anders dan het subonderdeel poneert, volgt dit mijns inziens ook niet uit rov. 9.16 TA.
subonderdelen 2.1, 3.1 en 5.1slagen niet. BEZ c.s. gaat in de schriftelijke toelichting op deze subonderdelen ook in op de thematiek van
subonderdeel 3.5. Ik betrek dit bij de bespreking van dat subonderdeel (hierna in 3.17 e.v.).
subonderdeel 3.2geeft rov. 9.17 TA blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat bij wijziging van de canon op de voet van artikel 9 AB1991 geen sprake is van een beding dat al bij de totstandkoming beperkingen inhoudt van de bevoegdheid van de Gemeente om de canon te wijzigen, die besloten liggen in de rechtsverhouding tussen de burger en de gemeentelijke overheid en die zijn verbonden met de bijzondere positie van de gemeentelijke overheid en van het gemeentelijke erfpachtbeleid. Het gaat hier namelijk om een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente om in ieder individueel geval de canon te herzien na ommekomst van een termijn van 25 jaar, waarbij van toetsing en vaststelling door de gemeenteraad, en dus van democratische controle geen sprake is. Aansluitend klaagt
subonderdeel 3.3dat in rov. 9.17 TA in werkelijkheid sprake is van een uitoefeningstoets.
Subonderdeel 5.1betrekt de klacht van
subonderdeel 3.2ook op de toetsing van de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 in rov. 9.22-9.23 TA en rov. 3.3-3.7 EA.
ex tunc; zie hierover nader bij de bespreking van
subonderdeel 3.5in 3.20-3.21). Daarentegen kunnen bij de beoordeling of de toepassing van een beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ook omstandigheden worden meegewogen die zich na de contractsluiting hebben voorgedaan, zoals de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd (
ex nunc). Dit laatste, de zogenaamde uitoefeningstoets, speelt geen rol bij de toetsing aan de Richtlijn en artikel 6:233 onder Pro a BW. [17]
SEBA/Amsterdam I, zoals dat blijkens het arrest
Euriborhypothekenmoet worden begrepen [18] – dat een wijzigingsbeding in gemeentelijke erfpachtvoorwaarden al bij de totstandkoming een beperking inhoudt van de bevoegdheid van de gemeente om de erfpachtvoorwaarden te wijzigen. De Hoge Raad overwoog hierover in het arrest
Euriborhypotheken:
Het argument van
subonderdeel 3.2dat het bij een canonwijziging op de voet van de artikelen 9 AB1991 of 8, 11 en 22 AB1978 (anders dan bij een beding dat de Gemeente de bevoegdheid geeft om de erfpachtvoorwaarden te wijzigen) gaat om een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente, doet daaraan niet af. De door het hof bedoelde beperkingen van de bevoegdheid van de Gemeente die liggen besloten in de rechtsverhouding tussen de burger en de gemeentelijke overheid, gelden immers ook voor het college van burgemeester en wethouders als gemeentelijk orgaan.
Het argument van
subonderdeel 3.2dat er geen democratische controle op de canonvaststelling is, betreft een van de gezichtspunten die worden genoemd in de rechtspraak van de Hoge Raad. De situatie in deze zaak verschilt in dit opzicht enigszins van de situatie die aan de orde was in de zaak
SEBA/Amsterdam I. Doorslaggevend is dit echter niet. Het gaat immers om een gezichtspunt dat meegewogen moet worden bij de beoordeling van de bedingen, maar waarbij het ontbreken van het gezichtspunt in deze zaak op zichzelf nog niet dwingt tot de conclusie dat de bedingen onredelijk bezwarend zijn. Bovendien sluit het feit dat door de Gemeente [19] vastgestelde erfpachtvoorwaarden een bevoegdheid toekennen aan het college van burgemeester en wethouders in het algemeen niet de mogelijkheid uit, dat de gemeenteraad kan controleren op welke wijze het college daaraan uitvoering zal geven of heeft gegeven.
3.2, 3.3 en 5.1slagen niet.
Voorts is het oordeel volgens het subonderdeel onvoldoende gemotiveerd, met name omdat BEZ c.s. gemotiveerd heeft aangevoerd dat artikel 9 AB1991 tot onredelijke verhoging van de canonverplichting aanleiding geeft of kan geven. Ten slotte is het hof in rov. 8.2 EA ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van BEZ c.s., aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 5.1betrekt de klacht van
subonderdeel 3.5ook op de toetsing van de artikelen 8, 11 en 22 AB1978 in rov. 9.22-9.23 TA en rov. 3.3-3.7 EA. Volgens
subonderdeel 5.2is het oordeel in rov. 9.23 TA onjuist en/of onbegrijpelijk, omdat de omstandigheid van indicatieve gegevens voor een mogelijke canon die onredelijk zou uitpakken van doorslaggevende betekenis kan zijn, althans relevant is, voor de beoordeling van de vraag of het wijzigingsbeding het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk kan verstoren.
subonderdelen 3.5 en 5.1zowel situaties betreffen waarop de Richtlijn niet van toepassing is (zodat uitsluitend getoetst wordt aan artikel 6:233 onder Pro a BW) als situaties waarop de Richtlijn wel van toepassing is (zodat artikel 6:233 onder Pro a BW richtlijnconform moet worden uitgelegd en toegepast). Zie hiervoor in 3.5.2. De klachten gaan uit van de maatstaf van de Richtlijn zoals deze volgens de rechtspraak van het HvJ moet worden begrepen. Ik bespreek de klachten aan de hand van deze maatstaf. Aangenomen kan worden dat artikel 6:233 onder Pro a BW als zodanig, dus wanneer deze bepaling niet richtlijnconform moet worden uitgelegd en toegepast, op de door de klachten bedoelde punten geen verdergaande eisen stelt dan de Richtlijn.
subonderdeel 3.5.
subonderdeel 3.5naar de juiste maatstaf. Dit blijkt met name uit de arresten
T/Dexiavan de Hoge Raad en
Dexia Nederlandvan het HvJ over het beding in de voorwaarden van Dexia waarin de contante waarde van de vergoeding die de consument bij ontbinding van de overeenkomst vervroegd aan Dexia verschuldigd was, werd berekend aan de hand van een vast percentage van 5% per jaar. De Hoge Raad oordeelde, kort gezegd, dat dit beding oneerlijk is, omdat het door Dexia vervroegd ontvangen bedrag voor haar onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen, zodat het beding Dexia, afhankelijk van de rentestand op het moment van ontbinding, een onterecht voordeel in de schoot kan werpen. Daaraan staat niet in de weg dat het beding voor de consument ook neutraal of gunstig kan uitpakken. [20] Het HvJ onderschreef deze benadering en overwoog: [21]
Dexia Nederland-arrest van het HvJ overwogen dat
“niet bij voorbaat in zijn algemeenheid [kan] worden geoordeeld dat artikel 9 AB1991, in strijd met de goede trouw, het evenwicht (…) ten nadele van de consument-erfpachter in aanzienlijke mate verstoort of kan verstoren”(rov. 3.5 EA). Het hof is daarmee uitgegaan van de juiste beoordelingsmaatstaf (zie punt 60 van het in 3.19 geciteerde arrest van het HvJ).
bij voorbaat in zijn algemeenheid’ niet betekenen dat volgens het hof volstaat dat het beding in zijn algemeenheid door de beugel kan (daarbij op de koop toenemend dat het beding in bepaalde gevallen wel oneerlijk zou kunnen uitpakken) of dat het hof slechts zou hebben getoetst of ‘toepassing van het beding in alle omstandigheden tot een onaanvaardbare uitkomst leidt’. [22] Voor zover het middel daarvan uitgaat, berust op het op een onjuiste lezing van de arresten van het hof.
bij voorbaat in zijn algemeenheid’doelt het hof op de abstracte toetsing van het beding in de door BEZ ingestelde collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW. Dit houdt in dat de canonwijzigingsbepalingen worden getoetst met het oog op alle erfpachters die zijn gebonden aan de AB1991, zonder dat rekening wordt gehouden met eventuele omstandigheden die spelen in de verhouding tussen de Gemeente en een individuele erfpachter die in deze procedure optreedt (zie rov. 9.4 en 9.14 TA).
Deze abstracte toetsing komt tot uiting in onder meer de overwegingen dat “
de omstandigheid dat de Gemeente na 25 jaar de mogelijkheid wil hebben om de canon te herzien aan de gewijzigde grondwaarde (…) niet kennelijk onredelijk tegenover erfpachter [is]” (rov. 9.16 TA) en dat de “
maatstaf (grondwaarde en rekenrente) (..) een redelijke basis voor de berekening [vormt]” en dat “
[e]venmin (…) bij voorbaat in zijn algemeenheid [kan] worden geoordeeld dat deze maatstaf het evenwicht tussen partijen ten nadele van consument-erfpachter in aanzienlijke mate verstoort” (rov. 9.17 TA). In rov. 3.4 EA verwoordt het hof dit opnieuw.
subonderdeel 3.5dat het hof het bewijsaanbod van BEZ c.s. niet had mogen passeren. BEZ c.s. heeft aangeboden te bewijzen door middel van het horen van deskundigen dat de door de Gemeente aan [eisers 6] . voorgehouden wijze van herziening van de canon niet redelijk en gebruikelijk is, en dat er geen eenvoudige en voorzienbare wijze is waarop de canon wordt vastgesteld die door alle deskundigen op dit gebied voor juist wordt gehouden (memorie van grieven BEZ c.s. nr. 4.92).
subonderdeel 3.5niet slaagt, geldt hetzelfde voor
subonderdeel 5.1.
3.5, 5.1 en 5.2slagen niet.
subonderdelen 2.2 en 3.4klagen over de wijze waarop het hof in rov. 9.16 en 9.17 TA heeft geoordeeld over de betekenis van punt 1 onder l van de indicatieve lijst. [23] Volgens
subonderdeel 2.2miskent het hof in rov. 9.16 TA dat de bevoegdheid om de canon te herzien op grond van artikel 9 AB1991 een beding als bedoeld in punt 1 onder l van de indicatieve lijst is, en had het hof daarom moeten beoordelen of tegenover die herzieningsmogelijkheid een reële opzegbevoegdheid van de erfpachters stond. Als het hof dit niet heeft miskend, dan is onbegrijpelijk waarom het hof het beding niet als oneerlijk of onredelijk bezwarend heeft aangemerkt, mede in het licht van de stellingen BEZ c.s. dat de opzegbevoegdheid van artikel 5:87 BW Pro niet effectief kan worden benut.
nu de herzieningsmogelijkheid van artikel 9 AB Pro 1991 iets anders is dan de invulling van de prijs als bedoeld in artikel l van de blauwe lijst” (rov. 9.16 TA).
In rov. 9.17 TA toetst het hof echter de bij de canonherziening te hanteren maatstaf (grondwaarde en rekenrente) mede in het licht van de “
omstandigheid dat eenzijdige prijsverhoging op de indicatieve blauwe lijst staat (in artikel l)”. Daarbij gaat het hof mede in op de opzegbevoegdheid van de erfpachter volgens artikel 5:87 lid 1 BW Pro; [24] het hof “
sluit niet uit dat de stelling van BEZ c.s. dat opzegging van het erfpachtrecht enorme schade toebrengt aan erfpachters, juist is”. Alles afwegende, komt het hof is rov. 9.17 TA tot het oordeel dat artikel 9 AB1991 de toets der kritiek kan doorstaan.
De overweging in rov. 9.17 TA over de opzegbevoegdheid van de erfpachter is volgens het hof (in rov. 3.7 EA) ten overvloede gegeven en draagt zijn beslissing niet.
subonderdeel 2.2niet op. Er is geen belang bij de rechtsklacht van het subonderdeel. In het midden kan blijven of de herzienings
mogelijkheidna elke 25 jaar van artikel 9 AB1991 als zodanig reeds wordt bestreken door punt 1 onder l van de indicatieve lijst. Het hof heeft de herzienings
maatstafvan artikel 9 AB1991 – die het bestaan van een herzieningsmogelijkheid veronderstelt − immers in rov. 9.17 TA getoetst in het licht van het betreffende onderdeel van de indicatieve lijst.
nietoneerlijk of onredelijk bezwarend is. Daarentegen zou sprake zijn geweest van een overweging ten overvloede indien het hof had geoordeeld dat het beding
weloneerlijk en onredelijk bezwarend is op bepaalde door het hof genoemde gronden en, los daarvan, bovendien op de grond dat een reële opzeggingsmogelijkheid ontbreekt.
subonderdeel 3.4. Ik loop de klachten van dit subonderdeel na. [28]
subonderdeel 3.4gaan niet op.
Onderdeel 4slaagt niet.
De rechtbank oordeelde (in rov. 4.86) dat lid 1 niet onredelijk bezwarend is, onder verwijzing naar hof Den Haag 19 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2894 (gewezen na cassatie en verwijzing door HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769 (
SEBA/Amsterdam I)), en dat hetzelfde geldt voor lid 2.
Met grief V bestreed BEZ c.s. het oordeel van de rechtbank ten aanzien artikel 23 lid Pro 2 AB1978. Daarbij voerde zij aan dat het beroep op artikel 6:237, aanhef en onder c, BW ongemotiveerd was gepasseerd, dat de bepaling van lid 2 impliceert dat de Gemeente bevoegd is wijzigingen in de kern van de overeenkomst aan te brengen, dat de Gemeente bijzondere voorwaarden kan opleggen die niet voorzienbaar en bepaalbaar zijn, en dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan het arrest van het hof Den Haag van 19 september 2017, ten aanzien van artikel 23 lid Pro 2 AB1978 juist tot een tegenovergesteld oordeel dienen te leiden (memorie van grieven nrs. 4.128-4.134).
De inhoud van rov. 9.25 TA wekt echter meer de indruk dat het hof het oog heeft op het eerste lid, gezien (i) het gebruik van de term ‘algemene voorwaarden’ en de verwijzingen naar (ii) de gemeenteraad, (iii) de ‘algemene wijzigingsbevoegdheid’ en (iv) de door het hof te verrichten toets van het Omzettingsbeleid 2007.
Denkbaar is echter dat het hof, net zoals de rechtbank, lid 2 beoordeelt in het voetspoor van lid 1. In dat geval impliceert een oordeel over lid 1 ook een oordeel over lid 2. Daaraan staat niet in de weg dat het hof niet afzonderlijk ingaat op het in de memorie van grieven van BEZ c.s. aangevoerde argument dat de genoemde uitspraak van hof Den Haag ten aanzien van artikel 23 lid Pro 2 AB1978 juist tot een tegenovergesteld oordeel dient te leiden; dit argument is immers niet nader uitgewerkt door BEZ c.s. Daaraan staat ook niet noodzakelijkerwijs in de weg het (evenmin nader uitgewerkte) argument in de memorie van grieven van BEZ c.s. dat de Gemeente op grond van lid 2 bijzondere voorwaarden kan opleggen die niet voorzienbaar en bepaalbaar zijn; een dergelijke algemene opmerking kan immers ook worden gemaakt over de in lid 1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid.
Hierbij komt dat BEZ c.s. in feitelijke instanties geen voorbeelden heeft gegeven van de aard en inhoud van de ‘bijzondere voorwaarden’ als bedoeld in het tweede lid. [32] Duidelijk is dat ‘bijzondere voorwaarden’ niet hetzelfde zijn als de in het eerste lid bedoelde ‘algemene bepalingen’. In welke opzichten zij verschillen, is echter niet concreet uitgewerkt, anders dan dat lid 2 volgens de stellingen van BEZ c.s. gaat naar de kern van de overeenkomst. Dit biedt als zodanig echter nog geen handvat om de onredelijk bezwarendheid van de bevoegdheid van de Gemeente volgens artikel 23 lid Pro 2 AB1978 anders te beoordelen dan de onredelijk bezwarendheid van de bevoegdheid van het eerste lid.
Ten slotte is het argument waarmee het hof het beroep op artikel 6:237, aanhef en onder c, BW verwerpt, mijns inziens toepasbaar op zowel het eerste als het tweede lid.
Onderdeel 6berust daarmee naar mijn mening op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en dient te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Naarmate het percentage van de rekenrente hoger is, wordt het door de erfpachter te betalen bedrag voor de bloot eigendom lager. De Gemeente heeft geconstateerd dat de vaste rekenrente (6.5%) van het oorspronkelijke omzettingsbeleid geen rekening hield met fluctuaties in de rente en dat het percentage van 6,5% bij de toenmalige rentestand niet waar kon worden gemaakt. Daarom heeft de Gemeente het Omzettingsbeleid 2006 ingevoerd, waarbij werd uitgegaan van een op de marktontwikkelingen afgestemde rekenrente. Daarbij werd een Overgangsregeling ingevoerd (zie voor de verschillende stappen in deze overgangsregeling rov. 2.8 van het eindvonnis), omdat de Gemeente onderkende dat onmiddellijke en onverkorte invoering van het nieuwe percentage van de rekenrente tot een flinke verhoging van de koopsommen zou leiden (zie eindvonnis rov. 2.7).
De invoering van het Omzettingsbeleid 2007 leidde tot een zeer forse stijging van de prijzen voor de bloot eigendom (rov. 5.7 en 12.1 TA). [33] De toepassing van het Omzettingsbeleid 2007 heeft als resultaat dat de koopprijs sinds 2007 aanzienlijk is gestegen. De oorzaak daarvan ligt niet zozeer in de startwaarde (die relatief stabiel is gebleven), als wel in de rekenrente (zie voor de verschillende stappen rov. 4.9 EA). Het verschil tussen de rekenrente en de inflatie is in de loop der jaren namelijk steeds kleiner geworden. Daardoor verdwijnt het voordeel dat de koper heeft als de rekenrente veel verschilt van het inflatiepercentage (zie rov. 4.6, 4.8 en 4.9 EA). Het hof illustreert dit aan de hand van de cijfers in Bijlagen I en II bij het eindarrest.
onderdeel 7is onbegrijpelijk dat het hof de aanpassing van de rekenrente in twee jaar tijd bij de beoordeling van het Omzettingsbeleid 2006 niet óók van doorslaggevende betekenis acht en valt niet in te zien waarom ter zake van het Omzettingsbeleid 2006 niet óók van de Gemeente gevergd had mogen worden dat de zittende erfpachters hierover persoonlijk zouden worden geïnformeerd.
Het onderdeel richt zich op de ontwikkeling van de rekenrente onder het Omzettingsbeleid 2006 en de daarbij behorende Overgangsregeling respectievelijk onder het Omzettingsbeleid 2007. Het onderdeel gaat daarmee echter voorbij aan de in rov. 12.1 TA genoemde omstandigheden dat bij het Omzettingsbeleid 2007 een overgangsregeling ontbrak en dat het besluit zeer abrupt werd genomen terwijl de Overgangsregeling uit 2006 nog liep.
Bovendien kon het hof in rov. 11.1 TA overwegen dat de aanpassing in het Omzettingsbeleid 2006 een betrekkelijk geringe aanpassing op slechts een onderdeel van het beleid betrof (een aanpassing van de rekenrente die niet meer correspondeerde met de fluctuerende rente met een overgangstermijn van anderhalf jaar). Daarentegen ging het bij het Omzettingsbeleid 2007 naar het hof heeft vastgesteld om een andere berekeningsmethodiek.
goede informatie aan de burgers en makelaardij over de gewijzigde systematiek gewenst is”, en dat “
[g]esteld noch gebleken is dat bekendmaking op de website niet als zodanig kan worden aangemerkt.”
Uit de stellingen van BEZ c.s. waarnaar de procesinleiding verwijst, blijkt niet dat BEZ c.s. in hoger beroep deze overwegingen concreet hebben bestreden en/of dat zij alsnog concrete redenen hebben aangevoerd waarom publicatie op de website niet afdoende is. Nu BEZ c.s. hierover in hoger beroep niets nieuws heeft aangevoerd, behoefde het hof daarop niet specifiek in te gaan. Voor zover BEZ c.s. betoogde dat de publicatie niet tijdig was (in het licht van het doel van de publicatie), heeft het hof deze stelling in rov. 11.1 TA (slot) inhoudelijk beoordeeld en verworpen. Dit (feitelijke) oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 7niet tot cassatie leiden.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
onderdelen 1, 2, 2A en 2Bhet oordeel in rov. 12.1 TA en rov. 6.2-6.3 EA dat de bekendmaking en wijze van totstandkoming van het Omzettingsbeleid 2007 onrechtmatig is. Omdat de rov. 6.2-6.3 EA niets toevoegen aan rov. 12.1 TA, besprek ik de klachten aan de hand van laatstgenoemde overweging.
nrs. 1.1-1.2, klaagt, samengevat, dat het oordeel van het hof de aard van het handelen van de Gemeente en de rechtsverhouding die tussen partijen (nog niet) gold, miskent. Het bekendmaken van het Omzettingsbeleid 2006 is niet meer dan een uitnodiging om in onderhandeling te treden en levert geen aanbod op. Het staat de Gemeente vrij deze uitnodiging, en dus het Omzettingsbeleid 2006, in te trekken (
nr. 1.1).
nr. 1.2).
nr. 1.1veronderstelt, niet geoordeeld dat de Gemeente niet de bevoegdheid zou hebben om het Omzettingsbeleid 2006 in te trekken. Het hof heeft echter, terecht, getoetst of de wijze waarop de Gemeente dat heeft gedaan, voldoet aan de eisen die het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval stelt en waaraan de Gemeente is gebonden bij de uitoefening van haar privaatrechtelijke bevoegdheden (artikel 3:14 BW Pro en artikel 3:1 lid 2 Awb Pro).
De klacht in
nr. 1.1faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht in
nr. 1.2faalt, omdat uit de overwegingen van het hof voldoende kan worden opgemaakt aan welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur het hof het handelen van de Gemeente heeft getoetst. Voor zover het onderdeel in
nr. 1.3een motiveringsklacht tegen rov. 12.1 TA richt, faalt die klacht in het verlengde van de klachten in de
nrs. 1.1 en 1.2.
nr. 1.3terecht tot uitgangspunt dat het hof met zijn opmerking in rov. 12.1 TA dat het hof “
dit, evenals de rechtbank, als onrechtmatig” beoordeelt, niet beoogt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne te maken en deze overwegingen mede aan zijn beoordeling ten grondslag te leggen. De
onderdelen 2, 2A en 2Bzijn voorgesteld voor het geval het hof dezelfde redenering heeft gevolgd als de rechtbank (zie
nr. 1.4), dat wil zeggen, naar ik begrijp, dat het hof de overwegingen van de rechtbank wel tot de zijne heeft gemaakt. Nu de
onderdelen 2, 2A en 2Bberusten op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof, falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag.