Conclusie
vervolgingtegen een van de daders het eerst aanvangt, maar naar het moment waarop het
rechtsgedingtegen hem aanvangt, dat wil zeggen het moment waarop de dagvaarding het parket van de officier van justitie verlaat ter betekening aan de verdachte. [2] Voor dit standpunt valt steun te vinden in het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3095. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad immers dat een redelijke uitleg van art. 6 lid 2 Sv Pro meebrengt dat in een geval waarin de verdachte als deelnemer aan hetzelfde strafbare feit door zijn dagvaarding daarvoor gelijktijdig met zijn medeverdachten wordt vervolgd voor dezelfde bevoegde rechtbank en geen van de andere deelnemers met betrekking tot dit feit elders is gedagvaard, aan de bevoegdheid van dat gerecht niet in de weg staat dat de verdachte eerder voor een ander gerecht zou zijn vervolgd door de indiening van een vordering bewaring. [3] Bij het beoordelen van de bevoegdheid van een gerecht in verband met art. 6 lid 2 Sv Pro is dus niet bepalend waar de vervolging tegen een van de daders het eerst is aangevangen, maar waar deze is gedagvaard.
“Strijd met artikel 6 Sv Pro
in de zaak jegens [betrokkene 1]. Dit mocht het hof in het midden laten, nu het antwoord op deze vraag geen invloed heeft op de bevoegdheid van de rechtbank in de zaak tegen de verdachte.
“Bevoegdheid van het hof
6.2.3. Bewijsuitsluiting OVC [betrokkene 2] vanwege vormverzuimen
6.2.4. Bewijsuitsluiting OVC [betrokkene 2] vanwege onbetrouwbaarheid
voor het bewijs te gebruiken onderdelenvan de OVC-gesprekken voldoende betrouwbaar zijn. Het is dus niet noodzakelijk vast te stellen dat de gehele inhoud van de gesprekken betrouwbaar is. Bezien dient te worden of het waarschijnlijk is dat de genoemde voor het bewijs relevante onderdelen, waarin door [betrokkene 2] wordt gesproken over twee personen die de moord uiteindelijk hebben gepleegd, louter zijn terug te voeren op de politie-informatie die [betrokkene 2] in zijn verhoren heeft gekregen of toch verder strekt dan dat.