ECLI:NL:HR:2011:BO9872
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid kinderrechter bij gelijktijdige vervolging van jeugdige verdachte en meerderjarige medeverdachten
In deze zaak stond de vraag centraal of de kinderrechter in de rechtbank Haarlem bevoegd was om een jeugdige verdachte te berechten, terwijl de meerderjarige medeverdachten werden vervolgd door een andere rechtbank. De verdediging stelde dat op grond van artikel 6, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) het gerecht dat als eerste met de vervolging begon exclusief bevoegd was, waardoor de kinderrechter en het gerechtshof onbevoegd zouden zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat het doel van artikel 6, tweede lid, Sv is om gelijktijdige vervolgingen door dezelfde rechter te laten plaatsvinden ter bevordering van proceseconomie en gelijkheid in straftoemeting. Echter, omdat de vervolging van de jeugdige verdachte later begon dan die van de meerderjarige medeverdachten, was er geen sprake van gelijktijdige vervolging. Bovendien moet de zaak van de jeugdige verdachte worden behandeld door de kinderrechter van zijn woonplaats volgens artikel 495 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet redelijk en niet in lijn met doelmatige rechtspleging is om uitsluitend de kinderrechter van de rechtbank waar de medeverdachten worden vervolgd bevoegd te verklaren. Daarom staat artikel 6, tweede lid, Sv niet in de weg aan de bevoegdheid van de kinderrechter in Haarlem. Het beroep werd verworpen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit had geen gevolgen gezien de lichte straf.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de kinderrechter en verwerpt het beroep wegens onbevoegdheid.