Conclusie
nietbepleite lezingen in beginsel terecht voor gesteld, maar in de door mij voorgestane twee andere mogelijke lezingen zie ik die klachten niet tot cassatie leiden. Dat laatste geldt ook voor de onderdelen 2 tot en met 6.
De eenzijdige wijziging van de indexeringsregeling
De werkgever verleent jaarlijks op 1 januari toeslagen op:
de reeds ingegane ouderdoms(…)pensioenen;(...)
De werkgever kan de betaling van zijn verdere bijdragen verminderen of geheel staken, indien naar zijn oordeel bedrijfsbelang dit noodzakelijk maakt als gevolg van een ingrijpende wijziging van omstandigheden.(…)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelkomt op tegen het oordeel in rov. 3.5 dat tussen partijen niet in geschil zou zijn dat de aanspraken van [verweerders] zijn gebaseerd op de in art. 21 lid Pro 3, tweede volzin pensioenreglement 1993 vermelde ‘reeds gedane betalingen’ en het oordeel dat daarin juist van het betalingsvoorbehoud worden uitgezonderd gevallen als van [verweerders] waarin de pensioenen al zijn ingegaan op het moment van de beoogde toepassing van het financieel voorbehoud. Jaap Eden richt motiveringsklachten tegen de uitleg van de stellingen van [verweerders] of van de uitleg van art. 21 lid 1 pensioenreglement Pro 1993.
tweede onderdeelkomt op tegen de oordelen in rov. 3.7 onder d./e., g. en h. dat de wetswijziging uit 2007 (invoering Pensioenwet) geen lastenverzwaring met zich meebrengt en dat niet zeker is dat Jaap Eden zal moeten overgaan tot de in art. 26 Pw Pro voorgeschreven affinanciering tegen een vast percentage vooraf, omdat de voordien gebruikelijke financiering ook na de wetswijziging in de periode 2007-2018 onverkort is voortgezet en gesteld noch gebleken is dat Jaap Eden gehouden zou kunnen worden om over te gaan tot een vaste indexering van 3%. Dat geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 26 Pw Pro en de enkele omstandigheid dat Aegon tot 1 januari 2018 wel volgens het oude regime heeft geïndexeerd kan niet het oordeel dragen dat Aegon gehouden kan worden daarmee door te gaan na 1 januari 2018. Ook is niet gerespondeerd op stellingen met betrekking tot het onevenredig zwaar drukken van de pensioenlasten van een kleine groep pensioendeelnemers op het budget van Jaap Eden, waardoor de solidariteit tussen werknemers en oud-werknemers tekort wordt gedaan.
derde onderdeelklaagt over rov. 3.7 onder c. met betrekking tot hetgeen door Jaap Eden ter zitting is verklaard over het geoormerkt zijn van de subsidie voor Jaap Eden en of daaruit al dan niet personeelslasten betaald mogen worden, alsook over rov. 3.7 onder a./b. dat de financiële situatie van Jaap Eden niet zodanig is dat die in de weg zou staan aan onverkorte nakoming van de oorspronkelijke onvoorwaardelijke indexeringsregeling. Daartegen worden motiveringsklachten gericht en een rechtsklacht tegen het oordeel in welke mate bij zowel art. 12 Pw Pro en art. 21 pensioenreglement Pro 1993 voor een eenzijdige wijziging van een indexeringsregeling sprake moet zijn van een ‘ingrijpende wijziging van omstandigheden’. Daar is door het hof de lat te hoog gelegd.
vierde onderdeelkomt op tegen het oordeel in rov. 3.6 dat het wijzigingsverbod van art. 20 Pw Pro in de gegeven omstandigheden niet op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan wijken. Dat oordeel kan niet in stand blijven bij het slagen van klachten uit onderdelen 2 en/of 3.
vijfde onderdeelbevat de voortbouwende klacht dat bij het slagen van een van de voorafgaande klachten ook de slotsom uit rov. 3.8 en de conclusie in 3.9 worden aangetast. De klacht besluit met het volgende: ‘De beslissingen van het hof in rov. 3.10 en 3.11 bouwen eveneens voort op voormelde beslissingen en kunnen derhalve ook niet in stand blijven.’
zesde onderdeelkomt op tegen het oordeel in rov. 3.13 dat zowel het beroep op verjaring als de ‘voorwaardelijke nieuwe grief in het principaal appel’ tardief is, zodat zij geen onderdeel uitmaken van de rechtsstrijd in hoger beroep. Daarbij zou miskend zijn dat het in het licht van de door partijen gemaakte (proces)afspraken in strijd is met de eisen van een goede procesorde om hier onverkort de hand te houden aan de tweeconclusieregel.
in fine, hiervoor weergegeven in voorlaatste alinea van 3.1) een voldoende scherpe klacht richt tegen de griefuitleg van het hof in rov. 3.10 dat geen grieven zijn ingebracht tegen de onderdelen III en IV van het dictum (tot nakoming en financiering van de indexatie volgens het oorspronkelijke pensioenreglement uit 1993). Beslissend is daarvoor hoe onderdeel 5, een volgklacht, moet worden begrepen. Is die zo te lezen dat met hetgeen in onderdelen 1 tot en met 4 is aangevoerd ook het oordeel dat de dicta in prima III en IV in stand moeten blijven uit rov. 3.10 wordt bestreden in cassatie? Anders gezegd: is voldoende kenbaar geklaagd in onderdeel 5 dat de griefuitleg van het hof dat geen grieven zijn gericht tegen de dicta III en IV in eerste aanleg
onbegrijpelijkis? Het is maar hoe je ‘voortbouwen op’ de aangevallen beslissingen uit die cassatieklacht van onderdeel 5 moet lezen en ik schets hierna hoe dat langs twee lijnen zou kunnen. Bij gebreke van een voldoende kenbare cassatieklacht hiertegen, blijft dat oordeel uit rov. 3.10 in stand en lijkt belang te ontbreken bij de klachten van onderdelen 1 tot en met 4, die uitmonden in het eindoordeel in rov. 3.9 dat het bestreden oordeel wat betreft het declaratoir uit dictum I in eerste aanleg (dat Jaap Eden door de eenzijdige wijziging van de indexatie onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerders] ) moet worden bekrachtigd. De volgklacht van onderdeel 5 gaat dan ook niet op.
(nakomings)dicta III en IVvan het kantonrechtersvonnis niet door grieven van Jaap Eden zijn bestreden, een zelfstandig oordeel is en
nietvoortbouwt op de oordelen in rov. 3.8 (de ‘slotsom’ dat hetgeen Jaap Eden aanvoert ten faveure van haar eenzijdige wijziging van de indexeringsregeling gebaseerd op alle aangevoerde juridische grondslagen niet overeind blijft) en rov. 3.9 (leidend tot het oordeel dat het
onrechtmatigheidsdeclaratoir in het dictum onder Iin eerste aanleg moet worden bekrachtigd), dus
andersdan onderdeel 5
in fineaangeeft. Tegen rov. 3.10 had een daarop toegesneden motiveringsklacht moeten worden gericht, anders dan in de vorm van een veegklacht uit onderdeel 5. In die lezing blijft rov. 3.10 als in cassatie onvoldoende kenbaar bestreden overeind en dat zou betekenen dat geen belang resteert bij cassatie gegrond op de onderdelen 1 tot en met 4, omdat het instandhouden van de nakomingsdicta door het hof dan in cassatie niet wordt bestreden.
in finekan ook zijn bedoeld dat de in de onderdelen 1 tot en met 4 bestreden oordelen niet alleen doorwerken in het eindoordeel (rov. 3.8) dat tevergeefs een beroep is gedaan door Jaap Eden op een rechtsgeldige eenzijdige wijziging van de indexeringsregeling uit 1993, hetgeen de juistheid impliceert van het dictum onder I van het kantonrechtersvonnis (rov. 3.9, het onrechtmatigheidsdeclaratoir), maar dat die oordelen ook van invloed zijn op het vervolgoordeel in rov. 3.10 over de nakomingsdicta III en IV in eerste aanleg. De formulering in rov. 3.10 verdient in die lezing, zo moet worden toegegeven, bepaald geen schoonheidsprijs, nu de algemeen geformuleerde grief van Jaap Eden immers klaarblijkelijk
nietalleen op het declaratoire dictum onder I zag, maar zeker ook op de nakomingsdicta II, III en IV [5] , waarbij bovendien ook het hof zelf in rov. 3.3 aangeeft dat Jaap Eden stelt dat de door haar aangedragen feiten en omstandigheden die tot de eenzijdige wijziging van de indexatieregeling hebben geleid (en die het hof vervolgens gaat beoordelen en tegen welke beoordeling de onderdelen 1 tot en met 4 zijn gericht) in Jaap Edens optiek de door [verweerders] gevorderde ‘
nakoming van de regeling’ verhinderen wegens i) strijd met de bedoeling van partijen, ii) strijd met goed werknemerschap, dan wel iii) strijd met art. 6:6 lid 2 BW Pro, of iv) strijd met art. 6:248 lid 2 BW Pro. Het hof plaatst de stellingen van Jaap Eden zodoende zelf voorafgaand aan rov. 3.10
uitdrukkelijk ook in de nakomingssleutel. In dat licht behelst het wel erg summiere finale deel van de veegklacht mogelijk toch een voldoende kenbare (motiverings)klacht tegen het hierbedoelde deel van rov. 3.10.
overeengekomen voorwaardelijke toeslagverleningis uitgezonderd van die begrippen en daaruit volgt dat het wijzigingsverbod niet ziet op
voorwaardelijketoeslagverlening (ook wel: indexering [16] ). Art. 20 Pw Pro vormt dus geen beletsel voor de wijziging van nog te verwerven aanspraken en van overeengekomen voorwaardelijke toeslagen [17] .
AFM-zaak was de vraag aan de orde of een onvoorwaardelijke toeslagverlening met een voorwaardelijk element voor de toekomst gewijzigd kan worden in een voorwaardelijke toeslagverlening. De Hoge Raad beantwoordde die vraag bevestigend en overwoog over (on)voorwaardelijke toeslagverlening en art. 20 Pw Pro het volgende [18] :
’moet worden gemaakt, namelijk alleen in het geval dat de uitvoering van de oorspronkelijke pensioenovereenkomst tot onaanvaardbare resultaten leidt en andere mogelijke oplossingen niet voor handen zijn [28] .
betalingsvoorbehoudin de pensioenovereenkomst op te nemen. Art. 12 Pw Pro luidt als volgt:
wijzigingsbevoegdheidniet gelukkig [45] .
onderdeel 1komt Jaap Eden met rechts- en motiveringsklachten op tegen rov. 3.5, waarin het hof de cao-norm toepast op uitleg van het pensioenreglement. Het hof heeft daarin verder geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanspraken van [verweerders] zijn gebaseerd op de in art. 21 lid Pro 3, tweede volzin pensioenreglement vermelde ‘reeds gedane betalingen’, zodat de tekst van het pensioenreglement uit 1993 geen ruimte biedt om de met [verweerders] overeengekomen indexeringsregeling te wijzigen. Het hof heeft de stelling van Jaap Eden dat het wijzigingsverbod van art. 20 Pw Pro niet ziet op de toepassing van een in de overeenkomst opgenomen financieel voorbehoud (art. 21 pensioenreglement Pro 1993) verworpen, omdat art. 21 lid 3 pensioenreglement Pro 1993 juist van het voorbehoud uitzondert gevallen als van [verweerders] , waarin de pensioenen al zijn ingegaan op het moment van de beoogde toepassing van het financieel voorbehoud. Dat vormt volgens de klacht een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [verweerders] of van het betalingsvoorbehoud van art. 21 lid 3 pensioenreglement Pro 1993. Het lijkt er volgens de klacht op dat het hof in rov. 3.5 het beroep op het betalingsvoorbehoud heeft geplaatst in de sleutel van de bedoeling van partijen bij het pensioenreglement 1993, maar die partijbedoeling vervolgens in het luchtledige heeft laten hangen. Aangevoerd wordt dat Jaap Eden het beroep op het financiële voorbehoud niet heeft gedaan in het kader van de partijbedoeling, maar in het kader van de stelling dat de wijziging van de toeslagregeling op grond van art. 21 lid 3 pensioenreglement Pro 1993 jo. art. 12 Pw Pro (voorheen art. 2 lid 7 Pensioen Pro- en Spaarfondsenwet) een zelfstandige grond oplevert voor de werkgever om zijn bijdragen aan een pensioenregeling te verminderen of te beëindigen. Die stelling staat zodoende los van de partijbedoeling bij het reglement.
Artikel 19. Toeslagen op de pensioenen
De eenzijdige wijziging van de indexeringsregeling’. Het oordeel ziet zodoende op indexering van al ingegane pensioenaanspraken van [verweerders] vanaf 1 januari 2018. Van (daadwerkelijke geldelijke) betaling van indexaties van hun pensioenen is voor de periode vanaf 1 januari 2018 echter, zo blijkt uit de stellingen waar Jaap Eden zich op beroept, geen sprake geweest. Dan valt niet in te zien dat de aanspraken van [verweerders] zijn gebaseerd op ‘reeds gedane (feitelijke) betalingen’. De cao-norm lijkt hier in deze lezing mee te brengen dat dit niet kan worden uitgelegd als ‘indexaties die conform reeds ingegane pensioenverplichtingen verschuldigd zijn’ of iets dergelijks, zoals de mogelijk bij het hof voorzittende gedachte zou kunnen zijn geweest. Bij toepassing van de cao-norm kan immers acht worden geslagen op de elders in het pensioenreglement gebruikte formuleringen. Als zou zijn bedoeld ‘indexaties die conform reeds ingegane pensioenverplichtingen verschuldigd zijn’, dan zou het reglement dit wel exact zo hebben verwoord, kan gelet op de overige teksten in het reglement dan de gedachte zijn; in art. 19 van Pro het reglement onder a. wordt immers gerept over jaarlijkse toeslagen per januari op ‘reeds ingegane pensioenen’ en dan ligt niet meteen voor de hand dat met de term ‘de op grond van reeds gedane betalingen verworven aanspraken op pensioen’ in art. 21 lid 3 van Pro het reglement zou zijn bedoeld: alle indexaties van al ingegane pensioenen. Het feit dat de pensioenen al zijn ingegaan betekent immers niet noodzakelijkerwijs dat de indexaties daarop voor de periode vanaf 1 januari 2018 ook al zijn betaald/gefinancierd – ook al is dat wel wat wettelijk is voorgeschreven. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat de pensioenen van [verweerders] en ook de onvoorwaardelijke indexering daarvan op grond van de in 2007 ingevoerde Pensioenwet
al afgefinancierd hadden moeten zijn(vgl. rov. 3.7 onder d./e.: ‘De op grond van artikel 26 Pensioenwet Pro voorschreven affinanciering is tot 2018 ook nooit toegepast’ [57] ), maar dat impliceert niet dat die verplichting
ook is nageleefdin dit geval. Bovendien heeft Jaap Eden uitdrukkelijk aangegeven dat dit hier niet is gebeurd.
objectief uitgelegd conform de cao-norm: als betaling van een geldsom of in de ruime betekenis van ‘nakoming’ [58] , zoals gangbaar in ons burgerlijk recht. In het laatste geval heeft het hof – toegegeven ook op deze plaats: dat had best beter kunnen worden geformuleerd – met de hier aangevallen passage aangegeven dat het hier nu eenmaal een onvoorwaardelijke indexatie betreft zonder beperkingen, waarvoor had dienen te worden afgefinancierd, zodat daarop het betalingsvoorbehoud niet kan zien en in die zin is ‘uitgezonderd’ in het geval van [verweerders] Dan verdient die formulering als gezegd geen schoonheidsprijs, maar dan past het wel precies in het sjabloon van rov. 3.3.5 van het
AFM-arrest, hiervoor geciteerd in 3.11, nu hier sprake is van absoluut onvoorwaardelijke toeslagen, waarbij onmiddellijk vanaf de aanvang van de pensioenopbouw recht bestaat op financiering in één keer van de toeslagen over de opgebouwde pensioenaanspraken, ook voor de toekomst, en de pensioenuitvoerder verplicht is daarvoor een technische voorziening aan te houden. Dit past in de Nederlands civielrechtelijke objectieve uitleg (hetgeen iets heel anders is dan ‘grammaticale’ of ‘woordelijke’ uitleg) van ‘betaling’, die al sinds eeuwen althans ook kan zijn: nakoming van een schuld in brede zin, dus hier: van de verplichting tot integrale affinanciering van de absoluut onvoorwaardelijke (toekomstige) pensioentoeslagen van [verweerders] De mogelijke tegenwerping dat (ook) die verplichting tot integrale affinanciering feitelijk niet is nagekomen door Jaap Eden, is te weerleggen met de constructie dat in een hier kennelijk gebezigde ruime uitleg van het begrip ‘betaling’ juridisch verdisconteerd zit dat voor ingegane pensioenen met absoluut onvoorwaardelijke indexering sprake is/juridisch moet zijn van integrale affinanciering en het uit te leggen beding geen rekening houdt met een mogelijke niet nakoming van waartoe men juridisch gehouden is. Deze ruime uitleg van het begrip brengt dat als het ware inherent mee.
aannemelijkheid van de rechtsgevolgenwaartoe de hiervoor besproken onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan bij objectieve uitleg conform de cao-norm onder andere acht worden geslagen op de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden interpretaties zouden leiden.
behoortte kunnen leiden in mijn optiek, gelet op de onaanvaardbare rechtsgevolgen daarvan.
subonderdeel 1.2klaagt Jaap Eden dat voor zover het hofoordeel is gebaseerd op de veronderstelling dat art. 21 lid 3 tweede Pro volzin van het reglement gevallen als van [verweerders] juist zou uitzonderen van het financiële voorbehoud, zodat de wijziging van de indexeringsregeling in strijd is met het wijzigingsverbod van art. 20 Pw Pro, omdat sprake zou zijn van ‘reeds gedane betalingen’, die beslissing onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat van ‘reeds gedane betalingen’ nu juist geen sprake is, zoals expliciet aangegeven door Jaap Eden [59] .
sec, waarbij het niet van belang is of er daarvoor al is gefinancierd. Dat vormt een onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg volgens de klacht, omdat uit de objectieve bewoordingen van het reglement, gelezen in de context van de hele regeling, niet kan worden afgeleid dat beoogd is verworven aanspraken hoe dan ook uit te sluiten van het wijzigingsbeding. Dat miskent in de eerste plaats dat art. 21 lid 3 tweede Pro volzin van het reglement uitdrukkelijk bepaalt dat
op grond van reeds gedane betalingenverworven aanspraken niet worden aangetast. Volgens de cao-norm zijn bij uitleg daarvan de objectieve bewoordingen in beginsel doorslaggevend en die laten er geen enkele twijfel over bestaan dat het moet gaan om aanspraken op grond van wat al is betaald door Jaap Eden als werkgever aan inkoopsommen voor indexaties. Nu het hof van een andere lezing is uitgegaan, (te weten dat pensioenaanspraken van al ingegane pensioenen sowieso niet kunnen worden gewijzigd) dan een uitleg conform de objectieve bewoordingen van het reglement, zonder dat wordt uitgelegd hoe tot die andere uitleg wordt gekomen, is de cao-norm niet toegepast, zodat het oordeel van het hof onjuist is. Mocht het hof de cao-norm hier wel hebben toegepast, dan heeft het hof geen inzicht gegeven in de door hem gevolgde gedachtegang die heeft geleid tot die andere uitleg en is de beslissing van het hof in zoverre onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.5is dat voor zover de in dit onderdeel bestreden oordelen ook “doorwerken” in rov. 3.6, die overwegingen en beslissingen evenmin in stand kunnen blijven.
al dan niet met een correctie achteraf’ lijken daar volgens de klacht op te duiden. Sinds de wijziging van de Pensioenwet in 2007 is financiering achteraf evenwel uitdrukkelijk verboden. De volgende overwegingen van het hof getuigen in zoverre dan ook van een onjuiste rechtsopvatting:
Als in de pensioenovereenkomst is toegezegd dat ook de pensioenrechten na de pensioeningangsdatum onvoorwaardelijk wordt geïndexeerd, zal deze geprojecteerde opbouwperiode nog langer moeten zijn.” [70] [onderstrepingen A-G]
ook alle toekomstige toeslagen op opgebouwde aanspraken’ [72] [onderstreping A-G].
uit art. 26 Pw Pro, maar dat in de parlementaire geschiedenis wel duidelijke aanwijzingen zijn te vinden dat bij een pensioenregeling als de onderhavige sprake is van een
verplichting tot volledige financiering van alle toekomstige toeslagen bij onvoorwaardelijke toeslagverlening [73] . Wat op dit punt de precieze reikwijdte is van art. 26 Pw Pro, is voor zover ik heb kunnen nagaan nog niet specifiek uitgemaakt in rechtspraak van de Hoge Raad, die in
AFMwel leert dàt er integraal moet worden afgefinancierd bij absoluut onvoorwaardelijke toeslagen als in onze zaak aan de orde.
contra legemhet verbod van financiering achteraf in feite aan haar laars te lappen en dat lijkt wel de gedachtegang van het hof te zijn met zijn verwijzing naar het gegeven dat dit geen problemen met de toezichthouder heeft opgeleverd: zolang die toezichthouder niet aan de bel trekt, dient Jaap Eden volgens het hof dus een bij wet verboden wijze van financiering van de indexering van de pensioenen van [verweerders] maar uit te voeren, met allerhande mogelijke problemen (onder meer bestuurlijke boetes voor Aegon) van dien. Daardoor wordt Jaap Eden (en ook Aegon) in een onmogelijke en zeer onwenselijke spagaat geplaatst tussen enerzijds het voldoen aan de pensioenverplichtingen en anderzijds het voldoen aan wettelijke voorschriften. De enkele omstandigheid dat Aegon tot 1 januari 2018 wel volgens het oude regime heeft geïndexeerd, kan de beslissing van het hof dat dat dus na 1 januari 2018 ook kan doorgaan, niet dragen, aldus het vervolg van de klacht. Hiermee is ook volstrekt onduidelijk hoe Jaap Eden jegens [verweerders] uitvoering moet geven aan de oorspronkelijke indexeringsregeling, omdat financiering van de indexering achteraf tegen een variabel percentage op grond van de wet niet meer mogelijk is. Ook als gekozen zou moeten worden voor een bepaald vast percentage, geeft het hof hier geen houvast. Dat een en ander maakt volgens subonderdeel 2.2 onbegrijpelijk dat is geoordeeld dat de wijziging van de Pensioenwet in 2007 onvoldoende zwaar weegt om de indexering van de pensioenen van [verweerders] aan te passen met een vast percentage van 1% dat vooraf is gefinancierd. De passage uit rov. 3.7 onder h. dat het partijen vrij staat om over de indexering nadere afspraken te maken, komt volgens het laatste deel van de klacht neer op rechtsweigering door de uitvoeringsproblematiek van de indexeringsregeling naar partijen terug te kaatsen, terwijl het hof daar juist een beslissing over moest nemen.
uitvoering, in de zin van financiering, van de oorspronkelijke indexeringsregeling. Pensioenuitvoerder Aegon zou aan Jaap Eden hebben laten weten dat die uitvoering niet meer op een bepaalde manier (namelijk via jaarlijkse financiering achteraf) zou kunnen geschieden. Dat moge zo zijn, zo valt de hier aangevallen redenering van het hof heel kort te parafraseren, maar dat komt voor risico van Jaap Eden in haar pensioenrelatie met [verweerders] , terwijl niet overtuigend is geconcretiseerd dat met nakoming van de oorspronkelijke indexeringsregeling het onmogelijke wordt gevergd van Jaap Eden – het meest dragende argument in deze, dat goed te volgen is. De wijze waarop de pensioenovereenkomst (indexeringsregeling) wordt uitgevoerd is een zaak tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder; zij moeten er onderling uitkomen hoe dat moet gebeuren en dit risico kan niet, behoudens buitengewone omstandigheden, die het hof gemotiveerd weegt en in dit geval onvoldoende oordeelt, worden afgewenteld op de gepensioneerden. Dat hofoordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en daar ketsen deze motiveringsklachten inhoudelijk hoofdzakelijk op af. Daar komt bij dat het hof niet gehouden was te beoordelen hoe Jaap Eden de indexeringsregeling diende uit te voeren, maar alleen of de eenzijdige wijziging van de oorspronkelijke variabele onvoorwaardelijke indexeringsregeling van maximaal 3% naar een niet-variabele indexering van 1% op grond van bijzondere omstandigheden de toets der kritiek kon doorstaan. Het hof heeft toereikend gemotiveerd geoordeeld dat en waarom dat niet het geval is. Van rechtsweigering is geen sprake. Daarbij is in rov. 3.7 onder h. overigens door het hof aangeduid hoe de uitvoering vorm zou kunnen krijgen, zonder op gespannen voet te komen met de huidige Pensioenwet, bijvoorbeeld door middel van een vaste indexering met een correctie achteraf.
anderein rov. 3.3 genoemde grondslagen ii. t/m iv. (strijd met goed werknemerschap of de redelijkheid en billijkheid); strijd met de bedoeling van partijen is al in rov. 3.5 verworpen. De klacht stuit daarop af.
onderdeel 5is in de inleiding al besproken in 3.2-3.5. Ik verwijs daar kortheidshalve naar. Afhankelijk van hoe welwillend men de volgklacht van onderdeel 5 leest, is er òfwel geen belang bij de onderdelen 1 tot en met 4 en vindt ook onderdeel 5 daarin zijn Waterloo, òfwel is in het voetspoor van de subonderdelen 1.1-1.3 ook onderdeel 5 in één van drie mogelijke, maar door mij
nietbepleite lezingen in zoverre terecht voorgesteld, maar heeft in datzelfde verdere voetspoor ook daarvoor te gelden dat dit in twee andere uiteengezette lezingen niet tot cassatie kan leiden.
vermeerderdmet betrekking tot de VUT-periode. In verband met de gewijzigde eis heeft Jaap Eden bij memorie van 16 november 2021 beroep gedaan op verjaring van de vordering tot verhoging van de VUT-uitkering en in verband met de schending door [verweerders] van de tussen partijen gemaakte procesafspraak heeft Jaap Eden zich genoodzaakt gezien om bij diezelfde memorie een nieuwe grief te formuleren met betrekking tot de periode 2002-2017.
vermeerderden dat Jaap Eden zich
daaromgenoodzaakt zag om (alsnog) met betrekking tot die vorderingen een beroep op verjaring te doen en een nieuwe voorwaardelijke grief aan te voeren. Dat is gebeurd bij de eerste gelegenheid waarbij dat kon na de eisvermeerdering van [verweerders] In het licht van die omstandigheden zou het hof in rov. 3.13 ten onrechte, dan wel onbegrijpelijkerwijs onverkort de hand hebben gehouden aan de tweeconclusieregel met betrekking tot zowel het verjaringsberoep als de nieuwe grief.
vermeerderd [81] . Het hof heeft in rov. 3.12 namelijk geoordeeld dat [verweerders] hun vorderingen met betrekking tot de wijze van toepassing van de indexeringsregeling over de jaren 2002-2017 juist hebben
verminderden dat tegen die eisvermindering zelf geen bezwaar is gemaakt, zodat deze wordt toegelaten. Tegen deze overweging is geen kenbare cassatieklacht gericht, voor zover ik heb kunnen zien. Zodoende mist onderdeel 6 feitelijke grondslag, waar het al integraal op afketst [82] .