In deze zaak gaat het om de moord op een slachtoffer in Almere op 15 december 2015, waarbij verdachte samen met een medeverdachte werd veroordeeld voor medeplegen van moord, brandstichting, beschadiging en opzetheling. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft vastgesteld dat verdachte en medeverdachte nauw en bewust samenwerkten bij de voorbereiding en uitvoering van de moord en het in brand steken van de vluchtauto, een BMW M5 met misdadige herkomst.
De bewijsvoering berustte op onder meer camerabeelden, PGP-telefoonberichten, OVC-gesprekken, en het feit dat verdachte en medeverdachte op meerdere momenten met de vluchtauto in de buurt van de plaats delict waren. Ook werd vastgesteld dat verdachte benzine heeft gekocht die werd gebruikt voor de brandstichting van de vluchtauto. Het hof concludeerde dat verdachte wist dat de BMW gestolen was en als vluchtauto diende.
Het cassatieberoep richtte zich op de bewijsvoering van brandstichting en beschadiging, de begrijpelijkheid van het oordeel over de kennis van verdachte omtrent de herkomst van de BMW, en de toepassing van de gewijzigde regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-regeling). De Hoge Raad verwierp alle middelen, bevestigde de bewezenverklaring en oordeelde dat de wijziging van de VI-regeling een executiekwestie is en geen strafverzwaring inhoudt, zodat het hof terecht geen rekening hield met die wijziging bij de strafoplegging.
De Hoge Raad concludeert dat het hof de strafrechtelijke feiten wettig en overtuigend heeft bewezen verklaard en dat het verweer tegen de strafoplegging faalt. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de straf van 23 jaar en 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest in stand blijft.