Conclusie
1. Het delict (omstandigheden en tijdstip van overlijden)
2.Daderschap van de verdachte
3.Voorbedachte raad
nietheeft gedaan en daarmee de volgende kwesties heeft opengelaten:
A scientific DNA report in relation to the Supreme Court of the Netherlands and [aanvrager], van 2 oktober 2017;
Supplementary Reportvan 7 mei 2019 (met commentaar op de Krane & Gilder statement van juni 2012).
modeswaarin het toestel zich kan bevinden. Indien een dergelijke verbinding inderdaad mogelijk is, rijst de vervolgvraag hoe waarschijnlijk de totstandkoming van een dergelijke spraakverbinding is onder twee elkaar uitsluitende hypothesen. Daarvan is de eerste afgeleid van het schuldscenario en de tweede van het onschuldscenario. Gsm-hypothese I behelst het geval waarin de verzoeker zich tijdens dat telefoongesprek in Deventer of in de omgeving van Deventer bevond. Gsm-hypothese II houdt in dat de verzoeker onder de vastgestelde condities reed over het genoemde weggedeelte van de A28.
Analyse van de radiopropagatie-omstandigheden rondom Deventer op 23-9-1999uit (hierna: het TNO/TU Delft-rapport). [22] Daarin is als bijlage eveneens de beantwoording opgenomen van nadere vragen die hun naar aanleiding van een concept van het eindrapport vanuit de begeleidingscommissie zijn gesteld.
nietverantwoordelijk voor het gebruik, de relevantie en de toepasbaarheid van deze informatie en middelen, en evenmin voor de conclusies die aan de onderzoeksbevindingen worden verbonden.
kortereduur van het post-morteminterval (PMI), dat wil zeggen: het tijdsverloop tussen enerzijds het overlijden en anderzijds de lijkvinding (op 25 september 1999) of de sectie (op 26 september 1999), dan verenigbaar met het tijdstip van overlijden dat het hof op basis van tactische bevindingen had aangenomen, zoals gezegd: in de avond van 23 september 1999 (niet ver) na 20.36 uur. Vanwege het uitblijven van temperatuurmetingen van het lichaam van het slachtoffer en van de woonkamer op het moment dat zij levenloos werd aangetroffen, diende onderzoek naar het tijdstip van overlijden zich te richten op een aantal andere postmortale fenomenen, zoals (1) de toestand van de ogen van het slachtoffer (bijvoorbeeld de mate van vertroebeling van het hoornvlies), (2) rigor mortis (de mate van lijkstijfheid), en (3) livor mortis (de patronen en wegdrukbaarheid van lijkvlekken).
Uit de voorliggende stukken komen geen elementen naar voren die dwingend zoudenmoetendoen besluiten dat het overlijdenmoethebben plaatsgevondennahet politioneel vooropgestelde tijdstip op 23/09/1999 omstreeks 20:30 uur. De schaars voorliggende gegevens, in het bijzonder de beschrijving van de lijkstijfheid ter gelegenheid van de sectie, zijn niet in tegenspraak met een postmortem interval van ca. 2.5 dagen tussen het politioneel vooropgestelde tijdstip van overlijden en het tijdstip van de sectie.” [23]
moetzijn verplaatst door de dader van het delict, terwijl deze handschoenen droeg. Kan dat verplaatsen niet ook gedaan zijn door het slachtoffer zelf, die eventueel op zoek was naar bepaalde spullen of documenten die zij in de braadpan bewaarde, zonder dat zij daarbij bruikbare dactyloscopische sporen achterliet? Daarover kan wisselend worden gedacht, maar meer relevant acht ik hoe het CCT die vraag beoordeelt. Het antwoord op die vraag vergt immers kennis van en praktische ervaring met sporenonderzoek en daarover mag het CCT geacht worden te beschikken. Als de kans op het ontstaan, persisteren en detecteren van (bruikbare) dactyloscopische sporen op de braadpan – onder een bepaald scenario en onder bepaalde condities –
kleinis, zegt het niet-aantreffen van dergelijke sporen niet zo veel. Het CCT houdt inderdaad voor ‘het meest aannemelijk’ een delict-scenario waarin het slachtoffer die braadpan heeft verplaatst. Het CCT omschrijft namelijk het volgende delict-scenario:
Na het avondeten neemt het slachtoffer plaats in de serre en kijkt naar het acht-uur journaal. Op tafel staat een ontkurkte, volle fles wijn en een vol glas jus d’orange. Haar schort hangt over de stoel. Ze maakt/bekijkt een boodschappenlijstje. Om 20.36 uur wordt het slachtoffer hierbij onderbroken omdat zij gebeld wordt door [aanvrager] . Na dit gesprek loopt ze naar boven, mogelijk naar aanleiding van het telefoontje, om de braadpan van zolder te halen. Wanneer het slachtoffer met de braadpan naar beneden loopt, wordt zij wederom onderbroken. Er wordt aan de voordeur aangebeld. Het slachtoffer plaatst de braadpan in de werkkamer en loopt naar beneden om de voordeur te openen, voor een haar bekend persoon. Samen lopen zij de woonkamer binnen en ontstaat er een aanleiding/had de dader al het plan waarbij het slachtoffer door botsend geweld op de vloer terecht komt. De dader poogt al zittend op of naast het slachtoffer met een smal, bandvormig object het slachtoffer te wurgen waarbij zij haar bewustzijn (deels) verliest. De dader verplaatst het slachtoffer tot onder het schilderij van haar overleden man. Vervolgens steekt de dader het slachtoffer vijf keer. Mogelijk wast de dader zijn handen en/of het steekwapen. De dader verlaat de woning via de voordeur.” [30]
ernstige vermoedenwekt dat indien dit gegeven bij de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek in de strafzaak zou hebben geleid tot – voor zover hier van belang – een vrijspraak. Ik sta stil bij deze drie voorwaarden. [32]
Voldoende is dat het «ernstige vermoeden» rijst dat de rechter tot een andere beslissing[i.c. vrijspraak, D.A.]
zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan,” aldus de minister van Justitie. [42] Mijns inziens is de ondergrens voor het novum het ontstaan van zodanig ernstige twijfel aan de feitelijke juistheid van de bestreden beslissing, dat een vrijspraak de waarschijnlijke uitkomst is van een hypothetisch strafproces waarin de rechter bekend is met het bedoelde gegeven. De enkele
mogelijkheiddat het voorgestelde novum zou hebben geleid tot een andere afloop van de strafzaak (vrijspraak), is onvoldoende. [43]
nietde eis dat het novum de
onschuld van de veroordeelde waarschijnlijk maakt. Het bewijs van het
tegendeelvan schuld, is dus niet noodzakelijk. Voldoende is dat het nieuwe gegeven (het novum) het bewijs ten laste van de veroordeelde ontzenuwt, zodat over diens schuld alsnog ernstige twijfel ontstaat. [44]
allenieuwe gegevens die in het nadere feitenonderzoek naar voren zijn gekomen. [50]
clustersvan samenhangende nova, hebben betrekking op de gsm-pijler, terwijl het novum dat in het aanvullend herzieningsverzoek wordt voorgedragen (een alibi) ook daarop voortborduurt. De nova (in de clusters) III en IV hebben betrekking op de DNA-pijler.
nietseparaat bespreken, aangezien het nut hiervan m.i. is komen te vervallen met de verschijning van het rapport van TNO/TU Delft. De conclusies daarvan worden in het herzieningsverzoek op zichzelf niet betwist. Om duidelijk te maken waarover dit rapport precies uitspraken doet, behandel ik eerst een voorvraag.
naar zijn verklaringbevond op het moment van het bewuste telefoontje op 23 september 1999 om 20.36 uur. Met name de (hierboven geciteerde) overwegingen onder 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.16 in het bestreden arrest laten zien dat het hof die locatie in zijn bewijsredenering heeft toegespitst op de afrit (van de A28) bij ’t Harde, als zou de verdachte dát hebben verklaard. Ik meen echter dat deze toespitsing op de afrit bij ‘t Harde evident niet gerechtvaardigd wordt door de verklaringen die de verzoeker tijdens het rechercheonderzoek als verdachte heeft afgelegd. [53] De verzoeker heeft meermalen verklaard dat hij tijdens het telefoongesprek ergens op het traject van de A28
tussen Harderwijk en ’t Hardereed. Meer concreet is de afrit bij ’t Harde daarbij wel ter sprake gekomen, maar de verzoeker heeft die locatie niet definitief gespecificeerd als
delocatie van het bewuste telefoongesprek, integendeel. [54] Hoewel het – bij gebrek aan nieuwheid – in het herzieningsrecht niet onproblematisch is om aan deze lokalisering door het hof voorbij te gaan, meen ik dat bij een serieuze evaluatie van het nieuwe feitenmateriaal met het oog op de weging en waardering van de voorgestelde nova, het in aanmerking genomen weggedeelte van de A28 waarop de verzoeker naar zijn zeggen heeft gebeld redelijkerwijze niet zal mogen worden beperkt tot de afrit bij ’t Harde. Om die reden heb ik de deskundigen van TNO/TU Delft verzocht om bij het door hen verrichte technische onderzoek als mogelijke locaties van de mobiele telefoon van de verzoeker tijdens de telefoonverbinding op 23 september 1999 om 20.36 uur het gehele weggedeelte van de A28
tussen Harderwijk en ’t Hardete betrekken.
spraakverbinding kan worden opgebouwd. Die afstand is binnen de gsm-standaard gelimiteerd. Deze limiet heeft niets te maken met de hierna te bespreken kwestie van het bestaan van atmosferische omstandigheden die ‘buitengewone radiopropagatie’ vergemakkelijken. Het daadwerkelijk voeren van een telefoongesprek vergt dat de afstand tussen de mobiele telefoon en het gsm-basisstation waarmee een radioverbinding wordt gelegd, beperkt blijft tot ongeveer 35 kilometer. Dit theoretisch maximum is – om redenen van efficiency – van meet af aan ingebouwd in het ontwerp van het
global system for mobile communications, de gsm-standaard. [55] Het houdt verband met het faciliteren van een gedeeld gebruik van de bandbreedte van het netwerkkanaal, waarbij ruimte is gemaakt voor acht ‘tijdsloten’. Deze methodiek staat bekend als
time division multiple access(TDMA). Dit stelt het gsm-basisstation in staat om op één kanaal tegelijkertijd meer gesprekken af te wikkelen. [56] De limiet van 35 kilometer belemmert
nietde ontvangst over grotere afstanden dan 35 kilometer van het zogeheten ‘bakensignaal’ of ‘
broadcast signal’ (over het
broadcast control channel(BCCH)), waarmee een gsm-basisstation zich aan mobiele telefoons in de omgeving bekendmaakt. De limiet heeft alleen betrekking op het daadwerkelijk voeren van telefoon
gesprekken. [57]
timing advance(TA)-waarde, te weten een getal uit de reeks van 0 tot en met 63 (de getallen staan voor een factor van ongeveer 550 meter). Het gsm-basisstation verzendt de TA-waarde vervolgens aan het mobiele toestel om dit in staat te stellen de timing van het signaal ‘te vervroegen’ (“
to advance its timings of transmissions”). Dit is ter compensatie van het tijdverlies dat gepaard gaat met de overbrugging van de afstand tussen de mobiele telefoon en het basisstation en strekt ertoe om de timing van het mobiele toestel te synchroniseren met dat van het gsm-netwerk (
radio subsystem synchronisation). Uit de TA-waarde kan globaal (namelijk met een onnauwkeurigheid van ten hoogste ongeveer 550 meter) de geografische afstand tussen de betreffende mobiele telefoon en het gsm-basisstation worden afgeleid.
superrefractie. Als gevolg daarvan verliest het door de radiogolven gedragen signaal onderweg minder energie dan het gebruikelijke ‘padverlies’. Die radiogolven kunnen in zo’n geval immers verder over het aardoppervlak reiken dan onder meer normale omstandigheden. Dit wordt ‘buitengewone (of: abnormale/anomale) radiopropagatie’ genoemd. Radiogolven kunnen zelfs als het ware worden ‘gevangen’ in een luchtlaag, een ‘duct’. Wanneer dat de onderste luchtlaag betreft heet dat een ‘oppervlakteduct’.
De metingen met weerballonnen in De Bilt laten zien dat in de vroege avond van 23 september 1999 de situatie afweek van de standaardatmosfeer en dat er zich anomale propagatie-omstandigheden hebben voorgedaan. Ze laten niet zien of deze omstandigheden zich ook daadwerkelijk om 20:30 uur in het gebied rondom Deventer hebben voorgedaan. Daarvoor is de afstand met De Bilt en de tijd tussen de twee oplatingen van de weerballonnen te groot. Om dit te ondervangen zijn modellen gebruikt om de atmosferische omstandigheden rondom Deventer te reconstrueren. Uit de reconstructie van de atmosfeer rondom Deventer van 23 september 1999 bleek dat onder normale omstandigheden het padverlies erg groot zou zijn geweest. In de vroege avond van 23 september 1999 kan er echter sprake zijn geweest van sterke ducting. De grootste versterking werd bereikt tussen 19:00 uur en 20:00 uur, maar ook om 20:30 uur was de versterking van het signaal nog groot.”
Operation Maintenance Centrevan KPN en de lijst met gsm-basisstations. Met deze reconstructie en de dekkingseisen volgens het destijds geldende
Link Budgetis de radiodekking van de basisstations berekend met een
planning toolvan KPN. [67]
(…). Netwerkeisen ten aanzien van interferentie buiten beschouwing latend, kan de kans op het tot stand brengen van een verbinding tussen het basisstation en het mobiele toestel tussen de 5 en 10% worden geschat. Voor een succesvolle verbinding zijn de eisen echter strenger. Alleen onder sterk anomale propagatiecondities kan het signaal tussen 19:00 uur en 21:00 uur langs de A28 sterk genoeg zijn om te voldoen aan de netwerkeisen ter voorkoming van interferentie. De kans op een verbinding wordt dan kleiner dan 5%, maar het is niet onmogelijk. (…).
kleiner dan 5%, maar niet onmogelijk”, c.q. “
niet hoger dan 5%”. Het is van belang om erop te wijzen dat TNO/TU Delft hiermee uitsluitend de kans inschat op een spraakverbinding via gsm-basisstation 14501
alsde verzoeker zich heeft bevonden op het weggedeelte van de A28 nabij Nunspeet. TNO/TU Delft doet hiermee dus géén uitspraak over de (on)waarschijnlijkheid
datde verzoeker daadwerkelijk aldaar rijdend over de A28 in de avond van 23 september 1999 over gsm-basisstation 14501 verbinding had met de vaste telefoonlijn van het slachtoffer.
Alsde verzoeker zich daarentegen zou hebben bevonden in de
service cellvan gsm-basisstation 14501, is de kans op een spraakverbinding groter dan 90%, aldus TNO/TU Delft. Ook hier is het van belang om erop te wijzen dat TNO/TU Delft
nietconcludeert
datde verzoeker zich met een kans groter dan 90% bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501.
likelihood ratio) van een spraakverbinding via gsm-basisstation 14501 indien beschouwd onder de twee mogelijkheden die zich op 23 september 1999 om 20.36 uur kunnen hebben voorgedaan en door TNO/TU Delft zijn besproken. Dat zijn: (i) het geval waarin de verzoeker op dat moment reed op wegen die worden bestreken door de
service cellvan gsm-basisstation 14501, en (ii) het geval waarin de verzoeker op dat moment reed op een weggedeelte van de A28 (in de bocht) bij Nunspeet.
indiende verzoeker reed over andere weggedeeltes van de A28 tussen Harderwijk en ’t Harde dan het weggedeelte nabij Nunspeet. Uit het rapport kan alleen worden afgeleid dat die kans vanwege de ‘schaduwwerking’ van de Veluwe (aanzienlijk) geringer is dan 5%. [69]
nietworden bestreken door de
service cellvan gsm-basisstation 14501, merkt TNO/TU Delft op:
Daarbuiten zal een mobiele telefoon primair verbinding zoeken met een ander basisstation. Alleen in geval van grote signaalverzwakking van dat basisstation, bijvoorbeeld als gevolg van blokkering door bebouwing, zal een mobiele telefoon nog verbinding zoeken met 14501. De waarschijnlijkheid dat dit voorkomt is zeer klein, maar niet onmogelijk.”
service cellvan gsm-basisstation 14501 (een element van het schuldscenario), en (ii) de verzoeker rijdt op de A28 nabij Nunspeet (een element van het onschuldscenario), de enige twee reële opties zijn die een (al dan niet goede) verklaring kunnen geven voor de spraakverbinding tussen het mobiele toestel van de verzoeker en de vaste telefoonlijn van het slachtoffer via gsm-basisstation 14501. Daarbij ondervindt de eerste optie, zo volgt uit het TNO/TU Delft-rapport,
minstensachttien keer meer steun dan de tweede (‘minstens’ achttien, namelijk ‘groter dan 90%’, gedeeld door ‘5% of minder’). De rapportage van TNO/TU Delft wijst dus uit dat het schuldscenario een betere verklaring geeft voor de verbinding via gsm-basisstation 14501 dan het onschuldscenario, al is dat laatste (de verzoeker reed nabij Nunspeet) beslist niet uitgesloten.
BCCH allocation list) daarin, en (iv) de mogelijkheid dat (onder anomale propagatiecondities) interferentie met het signaal van andere gsm-basisstations (
co-channel interference) geen of slechts een verwaarloosbaar verstorend effect heeft gehad op de totstandkoming van een verbinding met basisstation 14501. Deze aspecten heeft TNO/TU Delft besproken en onderkend. In zijn reactie d.d. 27 juli 2022 op (onder meer) het rapport van TNO/TU Delft neemt Pluijmers van dat rapport dan ook geen afstand en sluit hij zich uitdrukkelijk aan bij bepaalde onderdelen ervan. Zijn eindconclusie luidt: “
Onder deze omstandigheden is het mogelijk dat de mobiele telefoon van [aanvrager] vanaf de A28 tussen Harderwijk en 't Harde contact heeft gehad met cel 14501 in Deventer.” [72] Pluijmers doet echter, anders dan TNO/TU Delft, geen concrete uitspraken over de mate van (on)waarschijnlijkheid van een verbinding met cel 14501 vanaf de A28 tussen Harderwijk en ’t Harde, al betwist hij de wegingen van TNO/TU Delft op zichzelf niet. [73]
Tactische aspecten binnen de onderzoekspijler GSM. [76] Ter toelichting: [verbalisant 4] betreft de tactisch rechercheur die op mijn verzoek en met instemming van de korpsleiding gedurende een aantal jaren bijstand heeft verleend aan het nadere feitenonderzoek dat de rechter-commissaris en ik op de voet van artikel 461 Sv Pro hebben ingesteld naar het bestaan van gronden voor herziening van de veroordeling van de verzoeker. [verbalisant 4] was gedurende die periode lid van de begeleidingscommissie en is in die hoedanigheid ook betrokken geweest bij de totstandkoming van het rapport van TNO/TU Delft. Het proces-verbaal van 6 juli 2018 betreft een door [verbalisant 4] uitgevoerde analyse én integratie van op dat moment beschikbare tactische informatie op het terrein van de gsm-pijler. Het proces-verbaal bepreekt (a) de mogelijke locatie van het telefoongesprek van 20.36 uur op de A28 in het licht van de verklaringen daarover van de kant van de verzoeker (met name ten aanzien van het bestaan van een file op de A28 nabij Harderwijk), (b) het moment van thuiskomst van de verzoeker in de avond van 23 september 1999 in het licht van verklaringen van de verzoeker en zijn gezinsleden, (c) de alibi’s van andere personen. Het proces-verbaal is echter géén verslag van nieuw feitenonderzoek; het vormt een analyse en interpretatie van tactische informatie waarmee de rechter op zichzelf bekend was omdat die in het procesdossier was opgenomen. Alleen al om die reden kan het proces-verbaal geen novum bijbrengen en zo is het door de verbalisant ook niet bedoeld. Wel is de inhoud ervan van belang bij de weging van de voorgestelde nova. Ik zal er in het navolgende dan ook nog meermalen naar verwijzen, met name bij de bespreking van het aanvullend herzieningsverzoek. Voor nu heeft te gelden dat het proces-verbaal geen betrekking heeft op én geen afbreuk doet aan de conclusies van het rapport van TNO/TU Delft.
calling channels’ beschreven en van commentaar voorzien. Bij dit onderzoek naar
calling channels(hier bedoeld als: BCCH-kanalen) wordt een testrit gereden met een geprepareerde mobiele telefoon waarmee successievelijk de (‘sterkste’) bakensignalen kunnen worden afgelezen die het toestel al rijdende (in ‘
idle mode’) van de gsm-basisstations ontvangt. Het resultaat van dit onderzoek is een lijst met de nummers (
cell ID’s) van de betreffende gsm-basisstations van KPN. Aan de hand van informatie van KPN kunnen de
cell ID’s worden gekoppeld aan de locaties van de opstelpunten (de gsm-masten).
cell ID’s) van gsm-basisstations en met de adressen van de bijbehorende opstelpunten. Het BTO had die lijst in de ochtend van 29 november 1999 gefaxt aan het recherchebijstandsteam. Ik noem deze lijst: de BTO-lijst. [80] Aangenomen (i) dat de nummers van gsm-basisstations en adressen van de opstelpunten op die lijst in chronologische volgorde staan vermeld (dat blijkt namelijk niet expliciet) en (ii) dat doorgaans het sterkste bakensignaal afkomstig is van het gsm-basisstation in de
service cellwaarvan het mobiele toestel zich bevindt, kan aan de hand van deze lijst de rijroute van het BTO redelijk goed worden gereconstrueerd. [81] Hoewel over de representativiteit van deze (slechts éénmalige) test het nodige valt op te merken, is de verzoeker tijdens zijn verhoor in de middag van 29 november 1999 met de BTO-lijst geconfronteerd en is hij er – op zichzelf correct – op gewezen dat gsm-basisstation 14501 te Deventer op de lijst niet voorkomt. [82]
nietin het procesdossier dat aan justitie en aan de rechter ter beschikking is gesteld. “
Het was juister geweest als de deskundige J.R. met deze bevindingen uitdrukkelijk was geconfronteerd en deze bevindingen ook zichtbaar in het procesdossier waren opgenomen”, aldus concludeert het CCT terecht. [87]
In het telecomonderzoek dat volgde op de constatering dat de mobiele telefoon van [aanvrager] tijdens dat telefoongesprek een basisstation in Deventer aanstraalde, is naar onze opvatting op basis van het feitenmateriaal dat tijdens het opsporingsonderzoek al op tafel kwam onvoldoende aandacht besteed aan de mogelijkheid dat een spraakverbinding via een basisstation op grotere afstand van de mobiele telefoon onder bijzondere omstandigheden tot de mogelijkheden behoorde. Te constateren valt echter dat het RBT voornamelijk onderzoek heeft gedaan vanuit het basisstation (14501). Geprobeerd is om in dat verband de algemene regel, te weten: alleen verbinding binnen het werkingsgebied van het basisstation, te bevestigen in plaats van de (mogelijkheid van de) uitzondering te onderzoeken. Aanwijzingen voor die ‘uitzondering’ waren bijvoorbeeld te vinden in de ruwe onderzoeksresultaten van het BTO. Het onderzoek naar de calling channels geeft namelijk aan dat het fenomeen van buitengewone radiopropagatie wellicht vaker voorkomt dan waarmee de hier genoemde deskundigen rekening hebben gehouden.” [88]
Uit de rapportage van het coldcaseteam blijkt dat bij de meetritten van de politie dat enkele veraf gelegen cellen geselecteerd werden. Dit is dus minder zeldzaam dan werd aangenomen.” [89]
Gezien de door het CCT-Team nu bekendgemaakte onderzoeksresultaten bevond [aanvrager] zich ten tijde van het gesprek zeer waarschijnlijk niet in Deventer.”
Gezien de onderzoeksresultaten van zowel de Politie destijds in 1999 en de nu in het CCT-rapport bekend gekomen resultaten, alsmede de "getuigendeskundigen" J.R. en R.S, inclusief de bevindingen van de destijds in 2003 en 2004 onderzochte aanwezigheid van buitengewone weersomstandigheden die de zg. Radiopropagatie zeer sterk positief bevorderen, bevond [aanvrager] zich ten tijde van het gesprek zeer waarschijnlijk op de snelweg A28 tussen Harderwijk en 't Harde. Hierbij kan worden aangemerkt dat de door mij ingeschatte waarschijnlijkheid dat [aanvrager] zich ten tijde van het gesprek op de snelweg A28 tussen Harderwijk en 't Harde bevond, tussen de 20 en 25% is gelegen.” [90]
datde verzoeker zich tijdens het bewuste telefoongesprek in Deventer bevond (“
zeer waarschijnlijk niet”) en de kans
datde verzoeker zich op dat moment op de A28 tussen Harderwijk en 't Harde bevond (“
zeer waarschijnlijk”). Dit betreffen andere kansen dan waarover TNO/TU Delft uitspraken heeft gedaan. [91] Zonder dat [betrokkene 18] überhaupt bekend is met eventueel ander bewijsmateriaal tegen de verzoeker en zonder dat zijn deskundigheid zich bijvoorbeeld over DNA-materie uitstrekt, kan een telecomdeskundige als zodanig over dergelijke kansen geen uitspraken doen die tot een novum kunnen leiden. Daarmee overschrijdt [betrokkene 18] immers de grenzen van zijn deskundigheid.
zeer waarschijnlijk” op de A28 tussen Harderwijk en ‘t Harde heeft bevonden, verbazing op in het licht van zijn vervolgmededeling dat hij die kans inschat op “
tussen de 20 en 25%”. Ik zou een kans van deze orde zelf niet als “
zeer waarschijnlijk” bestempelen, integendeel. Die vervolgmededeling betekent trouwens ook dat de verzoeker zich volgens [betrokkene 18] op het moment van bellen met een kans ‘tussen de 75 en 80%’ – en dus: met een grote kans –
eldersheeft bevonden dan op de A28 tussen Harderwijk en ‘t Harde.
op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt”. [betrokkene 18] voldoet niet aan die voorwaarde. Sterker, het hof heeft tweemaal uitdrukkelijk afstand genomen van de verklaringen van [betrokkene 18] op de grond dat zij onvoldoende waren onderbouwd. [96]
kleiner dan 5%, maar niet onmogelijk”, c.q. “
niet hoger dan 5%” is
indiende verzoeker reed over de A28 nabij Nunspeet, en “
groter dan 90%” is
indiende verzoeker zich bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501 te Deventer. Ik herhaal dat TNO/TU Delft daarmee géén uitspraken doet over de grootte van de kans
datde verzoeker ten tijde van het telefoongesprek op 23 september 1999 om 20.36 uur reed over de A28 nabij Nunspeet, en evenmin over de grootte van de kans
datde verzoeker zich op dat moment bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501.
datde verzoeker het telefoongesprek op 23 september 1999 om 20.36 uur heeft gevoerd vanaf de A28 (“
niet aannemelijk”, aldus het hof) en de kans
datde verzoeker in of nabij Deventer was (de verbinding via basisstation 14501 “
duidt erop”, aldus het hof). Wat is de zeggingskracht van de conclusies van TNO/TU Delft voor de vaststellingen van het hof?
service cellvan gsm-basisstation 14501 te Deventer. De plausibiliteit van dat schuldscenario dient hierbij vooralsnog te worden beoordeeld zonder rekening te houden met enig technisch bewijsmateriaal (waaronder dat van de gsm-pijler). Anders dreigt een cirkelredenering. Indien een schuldscenario op tactische gronden onmogelijk of (zeer) onwaarschijnlijk is, blijft de conclusie van TNO/TU Delft op zichzelf geheel intact, maar is zij niet relevant voor de vaststellingen van het hof. En dat laatste is precies wat er in het aanvullend herzieningsverzoek wordt betoogd.
De Deventer karaktermoord, en met name de bladzijden 108-118 daarvan. [97] Hierin zet Derksen uiteen waarom de kans dat het telefoongesprek tussen de verzoeker en het slachtoffer werd afgewikkeld door basisstation 14501 op een moment dat de verzoeker zich in of nabij Deventer zou hebben bevonden, nihil is. Deze passages bevatten géén bestrijding van de conclusies van het TNO/TU Delft-rapport. Derksen spreekt over de kans
datde verzoeker zich op 23 september 1999 om 20.36 uur in de
service cellvan basisstation 14501 te Deventer bevond. Die kans is nul en dat staat gelijk aan de zekerheid dat de verzoeker daar niet was, aldus Derksen. Hij trekt zijn conclusies op ‘tactische gronden’. Hij baseert zijn uitspraak op een doorrekening van de reistijden van de verzoeker, aangenomen dat hij zich in Utrecht om 19.20 uur vanaf (een zijstraat van) de Croeselaan in het drukke stadsverkeer heeft begeven en vervolgens over de snelwegen A12, A28 en A1 naar Deventer is gereden (zoals de politie meent dat de verzoeker heeft gereden). Het is volgens Derksen in dit schuldscenario
onmogelijk dat de verzoeker dan om 20.36 uur binnen de
cellvan basisstation 14501 te Deventer heeft gereden. Als de verzoeker daarentegen (in het onschuldscenario) overeenkomstig zijn mededelingen om 19.20 uur vanaf (een zijstraat van) de Croeselaan in Utrecht via de Europalaan en de A12 op weg naar huis is gegaan, op de A28 in de file bij Harderwijk heeft gestaan, de afrit bij Harderwijk (naar [plaats] ) over het hoofd heeft gezien, en zijn weg over de A28 heeft vervolgd om bij ’t Harde de afrit naar [plaats] te nemen, dan reed hij volgens de berekeningen van Derksen om 20.36 uur
preciesop de A28 in de bocht bij Nunspeet.
onschuld is de veronderstelling dat de verklaringen van de verzoeker overeenstemmen met de werkelijkheid op zichzelf wel begrijpelijk. Hoewel (ook) onschuldige verdachten zich kunnen vergissen en soms liegen, ligt het – in de veronderstelling dat hij onschuldig is – voor de hand om in beginsel uit te gaan van de goede trouw van een verdachte. In een scenario van schuld ligt dat uiteraard anders. In een scenario waarin een ontkennende verdachte schuldig is, heeft hij er alle belang bij om justitie om de tuin te leiden. De aanname dat de verzoeker als verdachte steeds overeenkomstig de waarheid heeft verklaard, is dus in het
schuldscenario op z’n minst kwestieus.
welkerijroute de – door het hof schuldig geachte – verzoeker heeft gekozen om in Deventer te arriveren. Er is dan ook geen reden om vast te houden aan de rijroute die de politie of het OM destijds in gedachten had. Hieronder zal ik andere rijroutes en een ander tijdschema verkennen, en ik zal laten zien dat het door Derksen geschetste beeld in dat geval kantelt. Dat alleen al brengt mee dat de bewoordingen waarin Derksen zijn conclusie heeft opgetekend enige nuancering behoeven.
plaats‘brengen’, maar dat het daarbij – wil de aanwijzing tenminste als alibi kunnen gelden – ook steeds moet gaan om het precieze
tijdstipdaarvan (hoe laat was hij daar dan?) en indien dat niet bekend is: binnen een redelijke marge.
kande verzoeker dan in Utrecht zijn auto hebben geparkeerd met het oog op een (kort) bezoek aan het Jaarbeursgebouw in Utrecht? De rit van de woning van [betrokkene 21] te [plaats] via Harderwijk naar de woning van [betrokkene 22] te [plaats] kan zonder vertragingen en zonder de (thans geldende) maximumsnelheid te overschrijden ongeveer veertig minuten beslaan, maar die schatting is in het tijdvak kort vóór 18 uur donderdagavond niet reëel. Als ik een reisduur van vijftig minuten schat,
kande verzoeker om 18.05 uur bij de voordeur van [betrokkene 22] hebben gestaan. [103] De daaropvolgende rit over de A28, de A12 en de Europalaan naar (de zijstraat van) de Croeselaan te Utrecht
kan(zonder oponthoud en zonder de maximumsnelheid te overschrijden) ongeveer 23 à 24 minuten beslaan, maar ook dat is omstreeks dat tijdstip niet reëel. Rekening houdend met 35 à 40 minuten,
kande verzoeker zijn auto hebben geparkeerd om 18.40 à 18.45 uur. Dit betreft uiteraard slechts een schatting, maar die wordt wel gestaafd door de volgende objectieve aanwijzing.
Ik had de indruk dat de meeste bezoekers zich reeds in de zaal bevonden. Ik plaatste mijn naam en handtekening op één van de intekenlijsten. Vervolgens pakte ik een stencil met de samenvatting van het te behandelen onderwerp. Of ik die avond — alvorens weer rechtsomkeer te maken – aldaar nog een kop koffie heb gedronken, weet ik niet meer met zekerheid.” [107] Hieruit leid ik af dat de cursus in de herinnering van de verzoeker nog niet was aangevangen en dat zich – op het moment dat hij rechtsomkeert maakte – meer deelnemers
inde zaal bevonden dan daarbuiten, met dien verstande dat daarbuiten nog wel een substantieel aantal deelnemers stond. Zo’n omschrijving roept eerder associaties op met een toestand van vijf minuten vóór aanvang (dus om 18.55 uur) dan met dat van het aanvangsmoment van de cursus (om 19.00 uur). Om 19 uur verwacht je verhoudingsgewijs veel meer mensen in de zaal dan alleen ‘de
indrukdat er méér mensen in de zaal waren’ (dan in de ontvangstruimte ernaast). Enige onzekerheidsmarges in aanmerking nemend, houd ik het erop dat de verzoeker de presentielijst om 18.55 uur ± 5 minuten
kanhebben getekend. Dat sluit bovendien aan op mijn inschatting van zijn aankomsttijd aldaar.
kunnenzijn gestapt.
omstreeks 19.15 uur”. [111] De objectieve gegevens sluiten deze door de verzoeker genoemde tijden niet uit. De door mij besproken vraag betreft echter of er ook een ander, reëel en plausibel schuldscenario kan worden opgesteld waarin de verzoeker reeds tussen 19.00 en 19.10 uur wegreed. Zoals uit voorgaande blijkt, laten objectieve gegevens dat redelijkerwijze toe. Als gevolg daarvan
kande verzoeker dus tien tot twintig minuten eerder zijn vertrokken dan het tijdstip (19.20 uur) dat Derksen tot uitgangspunt neemt.
schuldscenario waarop Derksen ingaat en waarin de verzoeker na zijn vertrek bij de Jaarbeurs te Utrecht over de A12 en de A28 rijdt en bij knooppunt Hoevelaken de snelweg A1 richting Deventer neemt,
kande verzoeker – als ik uitga van de berekening van Derksen zelf – 92 minuten na zijn vertrek uit Utrecht arriveren bij de woning aan de [a-straat 1] te Deventer. Indien de door mij aangehouden vertrektijd tot uitgangspunt wordt genomen (nl. tussen 19.00 en 19.10 uur), is de aankomsttijd bij de woning in Deventer gelegen tussen (ongeveer) 20.32 en 20.42 uur. Niet lang vóór zijn aankomst aldaar zou hij in dit scenario naar het slachtoffer hebben gebeld. De verbinding met gsm-basisstation 14501 om 20.36 uur is dus verenigbaar met het door mij geschetste scenario waarin de verzoeker tussen 19.00 en 19.10 uur uit Utrecht vertrok. Kortom, als de verzoeker slechts tien tot twintig minuten eerder is vertrokken dan Derksen aanneemt, bijvoorbeeld zonder kopje koffie en zonder toiletbezoek, is het schuldscenario dat Derksen heeft overgenomen van de politie allerminst onmogelijk.
linkerrijbaan” (bedoeld is: de linker rijstrook) had “
dichtgegooid”, waardoor hij de afslag naar Harderwijk miste (bedoeld is: afrit 13, naar de N302 (Harderwijk, Lelystad )). [114] Op 23 november 1999 verklaarde hij daarover: “
T.h.v. Harderwijk werd het verkeer gemaand op een rijbaan te gaan rijden. Daarbij had dus een vrachtautocombinatie de ene baan "dichtgegooid" om andere automobilisten te dwingen naar een rijbaan te gaan. Ivm dit rijgedrag had hij zijn aandacht niet bij de weg gehad en de afslag Harderwijk gemist.” [115]
werd gemaand om op een rijbaan te rijden”. Aangezien de zuidelijke rijbaan van de snelweg A28 voor het verkeer richting Zwolle aldaar bestaat uit twee rijstroken en een vluchtstrook, maak ik uit de twee verklaringen van de verzoeker tezamen beschouwd op dat hij bij die twee verhoren heeft bedoeld mee te delen dat op het wegvak van de A28 op de rijbaan voor de rijrichting Zwolle vóór de afrit naar de N302 blijkens (tijdelijke) verkeersmaatregelen de linker rijstrook was afgezet, als gevolg waarvan het verkeer moest invoegen op de rechter rijstrook (lees dus zijn woorden “
een rijbaan” in zijn tweede verklaring als: één rijstrook). Het voordringen door andere weggebruikers irriteerde hem; hij wilde dat verkeersgedrag niet accepteren en sloot (net als een vrachtwagen in het verkeer voor hem) kort aan op zijn voorligger. Daardoor was hij afgeleid en miste hij de afrit naar de N302.
Bij Harderwijk werd het verkeer over de vluchtstrook geleid, dit vanwege wegwerkzaamheden. Vanwege het drukke verkeer was er een file ontstaan. Daar een voor hem rijdende vrachtauto verhinderde dat achterop komend verkeer kon inhalen, had tot gevolg, dat verdachte de afslag [plaats] miste. Hij was toen doorgereden naar de afslag 't Harde.” [116] Hier geeft de verzoeker zodoende een verklaring die enigszins afwijkt van de vorige twee verklaringen: er waren kennelijk niet één, maar twéé rijstroken afgezet, als gevolg waarvan het verkeer over de vluchtstrook werd geleid. Ook geeft de verzoeker hierbij een reden op voor de afzetting: wegwerkzaamheden.
om 19.10 uur gemeld[wordt]
dat begonnen wordt met de plaatsing van een halve baanafzetting volgens voorgeschreven bebording”. De assistent uitvoerder [betrokkene 24] deelde mee dat “
wij omstreeks 19.15 uur[zijn]
begonnen met de werkzaamheden”.
Er van uitgaande dat de actuele situatie niet wezenlijk afwijkt van de situatie in 1999, is de afslag die [aanvrager] zegt te hebben gemist afslag 13 Lelystad op de A28 rechts. In de huidige situatie is deze afslag gelegen tussen hectometerpaal 52.6 en 52.8. (…). Dat betekent, uitgaande van gelijkblijvende hectometrage op de A28 door de jaren heen, dat het proces van geleiding naar de vluchtstrook waarschijnlijk plaatsvond in de 700 meter voor deze afslag en dat de feitelijke afsluiting van de rijbaan 100 meter na de afslag gerealiseerd werd, (…).” [121] Die locatie, bij hectometerpaal 52,9 (dat is nog net vóór het viaduct van de N302 over de A28), betreft het ‘nulpunt’ of knelpunt, de locatie waar het verkeer van twee rijstroken uiterlijk moet samenvoegen tot één. Dit vormt een flessenhals, eventueel ook de kop van een file (er kunnen meer flessenhalzen zijn). De invoegstrook van de oprit van de N302 naar de A28 ligt vijfhonderd meter verderop.
inde file’ de beste verklaring is. Ik ga dit hier niet verder uitwerken, want ik deel de opvatting dat ‘aanwezigheid
inde file’ een betere verklaring is voor het dragen van kennis omtrent details van de wegafzetting en de file, dan de mogelijkheid dat de verzoeker die kennis heeft opgedaan (i) van een ander persoon, (ii) op diezelfde weg maar op een ander moment of (iii) door eigen waarneming vanaf een andere route.
verlaten. Het dossier bevat geen rechtstreekse, objectieve aanwijzingen voor dat tijdstip of voor de duur van het oponthoud door de file. De duur van het oponthoud hangt ook nog eens af van de (variabele) lengte van de file. Beredeneerde schattingen, omgeven door onzekerheidsmarges, geven wellicht het meest betrouwbare beeld.
sterkrelativeren.
mogelijkontstond (het begin van) de file op de A28 voor Harderwijk niet lang ná 19.10 à 19.15 uur, te weten het moment waarop een aanvang werd gemaakt met het plaatsen van afzettingen. Aan dit tijdstip kleven echter diverse onzekerheden. Hoe laat de afzetting daadwerkelijk gerealiseerd was, is namelijk niet exact uit het logboek op te maken. Derksen gaat zonder meer uit van 19.10 uur. Als (volgens [betrokkene 23] , na lezing van het logboek) om 19.10 uur wordt begonnen met het plaatsen van verkeersbakens, markeringen en/of verkeerstekens is nog maar zeer de vraag of mag worden aangenomen dat vanaf dat moment de afzetting is voltooid. Het kan eerder zijn, maar ook later. Alleen al het tevoorschijn halen van het vele materieel lijkt mij een klus. Het daadwerkelijke afzetten van rijstroken lijkt me bovendien een complexe operatie, die niet met een druk op de knop is volbracht. Is het uitgesloten dat het verkeer later dan 19.10 uur werd gestremd? Ik denk van niet. M.i. ben ik met bijvoorbeeld een aanvangstijdstip voor de opbouw van een file van 19.20 of 19.30 uur in de berekening van een reëel ‘alternatief’ scenario nog voorzichtig. Met de aantekening dat hierover allerminst zekerheid bestaat, houd ik vooralsnog een fileopbouw vanaf 19.20 uur aan, slechts tien minuten later dus dan Derksen.
nieuwwegverkeer over de
oprit van de N302 naar de A28 speelt daarentegen in de berekening geen rol, want die oprit is gelegen ná de flessenhals van de file. Het komt er in essentie op neer dat niet alleen de vluchtstrook van de A28, maar ook afrit 13 fileverkeer afvoerde. Juist de voertuigen in de (rechter) rijstrook waarop de verzoeker naar zijn zeggen reed, maakten gebruik van de afrit, zodat het verkeer op zijn rijstrook over een bepaald weggedeelte sneller zal hebben gereden dan het verkeer op de linker rijstrook. De berekeningen van Derksen laten echter niet zien dat hij hierin de ‘ventielwerking’ van afrit 13 in aanmerking heeft genomen. Dat maakt nogal uit, want de afvoer van fileverkeer via afrit 13 heeft een flinke impact op (niet zozeer de lengte van de file maar vooral) de duur van het oponthoud. Het verkeer in de file stroomt daardoor sneller door. [132]
Dit spel[van het tegenwerken van voordringers, D.A.]
vond plaats op het gedeelte van de snelweg waar ik rechtsaf had moeten slaan om vervolgens linksaf over een viaduct in de richting Lelystad te kunnen rijden. Ik had dit pas door toen ik al onder het viaduct reed. Inmiddels stonden er ook al plastic pionnen op de middenstreep. Direct na het viaduct is er aan de rechterzijde een toerit naar de weg waarop ik mij al bevond. Ik zag daar een aantal voertuigen van een wegenbouwbedrijf staan en — als ik mij goed herinner — ook een aantal gewone auto's, waarschijnlijk van wegwerkers. Kort daarna — er lag daar nieuw zwart asfalt – waren er weer twee banen beschikbaar en was de drukte voorbij. Ik heb overigens niet gezien dat men op dat moment aan de weg aan het werk was.”
De gebruikte rekenmethode is statistisch te grof om een betrouwbare uitspraak te doen over een individuele reis.” Nogmaals, dat oordeel van Rijkswaterstaat heeft dus betrekking op zowel de berekening van Derksen als die van mij. Rijkswaterstaat doet overigens geen uitspraak over de vraag of er onder de gegeven omstandigheden van destijds überhaupt een file is ontstaan.
schuldscenario toelaten. In dat scenario is de verzoeker niet naar huis gereden, maar naar Deventer. Hoe kan zijn route er in dat geval uit hebben gezien?
kunnenarriveren bij de woning van het slachtoffer aan de [a-straat 1] . Uiteraard is dit alles een ‘grove’ schatting die is omgeven met onzekerheidsmarges en die mede afhangt van de verkeersdrukte in Deventer. Substantiële verschillen levert dat niet meer op. Een aankomsttijd tot omstreeks 21 uur is m.i. hoe dan ook ‘niet ver’ na 20.36 uur.
service cellvan gsm-basisstation 14501. [138] Dat is allerminst een toevalstreffer, want dat verblijf in die
service cellduurt op deze route, ten westen van Deventer en de IJssel, ongeveer acht (à negen) minuten. Het mobiele toestel verliest ongeveer vijf à zes minuten contact met gsm-basisstation 14501 als de verzoeker daarna over de N344 nabij Deventer komt en vervolgens over de Wilhelminabrug Deventer ingaat, maar de vervolgroute over de IJsselkade en de Johannes van Vlotenlaan maken een eventuele verbinding via gsm-basisstation 14501 weer waarschijnlijk. Van de (bij doorstromend verkeer) ongeveer achttien minuten na binnenkomst in de
service cellvan gsm-basisstation 14501 tot aan de woning van het slachtoffer gaat de route voor ongeveer twee derde in die
service cell. Dat staat in contrast met de maximaal vier minuten die de verzoeker in het door Derksen uiteengezette onschuldscenario rijdt over het traject van de A28 in de bocht bij Nunspeet. [139] , [140] Er zijn geen aanwijzingen (en de verzoeker heeft zelf ook niet verklaard) dat hij in de bocht bij Nunspeet in de file stond. [141]
onmogelijk is dat de verzoeker überhaupt omstreeks 20.36 uur verbleef
inof
in de omgevingvan Deventer. Hoewel dit novum naar mijn inzicht niet voldoet aan de juridische eisen die de Hoge Raad aan dergelijke nova stelt, heb ik het vanwege de strekking van dat betoog toch van belang geacht om er inhoudelijk op in te gaan. In de tweede plaats is de constatering dat er een reëel, plausibel scenario bestaat waarin de verzoeker zich op 23 september 1999 om 20.36 uur bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501 van belang voor de relevantie en de weging van de conclusies van TNO/TU Delft.
service cellvan gsm-basisstation 14501 te Deventer. Het aanvullend herzieningsverzoek, waarin het betoog van Derksen centraal staat, gaat dus vanwege zowel juridische als inhoudelijke gronden niet op. Ik geef de kern van mijn betoog nog eens weer.
nietnam.
service cellvan gsm-basisstation 14501, in welk gebied omstreeks 20.36 uur een verbinding met gsm-basisstation 14501 mogelijk was, ongeveer tien tot twaalf minuten bedraagt, terwijl het verblijf in ‘de bocht bij Nunspeet’ in het door Derksen uiteengezette scenario van onschuld hooguit vier minuten beslaat. Dat maakt dat mijn berekening van het tijdschema van een scenario van schuld reëel en beslist niet onwaarschijnlijk is.
dwingt niettot de conclusie dat de verzoeker op 23 september 1999 om 20.36 uur daadwerkelijk in de bedoelde
service cellverbleef. Mijn betoog strekt er enkel toe te laten zien dat er daarvoor een reële, plausibele mogelijkheid bestond omdat het tijdschema dat toelaat wanneer van andere aannames wordt uitgegaan en onzekerheidsmarges (meer) in aanmerking worden genomen.
het is niet aannemelijk dat de verzoeker het telefoongesprek op 23 september 1999 om 20.36 uur heeft gevoerd vanaf de A28;
het feit dat dit gesprek is gevoerd via basisstation 14501 te Deventer duidt erop dat de verzoeker op het genoemde tijdstip in of nabij Deventer was.
nietgeoordeeld dat het uitgesloten is dat de verzoeker het telefoongesprek heeft gevoerd vanaf de A28. [142] Dat scenario-element is naar het oordeel van het hof slechts “
niet aannemelijk”.
duidt erop”, aldus het hof, dat de verzoeker op het genoemde tijdstip in of nabij Deventer was. Met andere woorden: de afwikkeling via basisstation 14501 vormt naar het oordeel van het hof (een redelijk sterke) aanwijzing voor de aanwezigheid van de verzoeker in of nabij Deventer.
kleiner dan 5%, maar niet onmogelijk”, c.q. “
niet hoger dan 5%” is
indiende verzoeker reed over de A28 nabij Nunspeet, en “
groter dan 90%” is
indiende verzoeker zich bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501 te Deventer. Ik herhaal nog maar eens dat TNO/TU Delft daarmee géén uitspraken doet over de grootte van de kans
datde verzoeker ten tijde van het telefoongesprek op 23 september 1999 om 20.36 uur reed over de A28 nabij Nunspeet, en evenmin over de grootte van de kans
datde verzoeker zich op dat moment bevond in de
service cellvan gsm-basisstation 14501.
service cellvan gsm-basisstation 14501 te Deventer. In dat geval is de kans op een spraakverbinding via dat basisstation groter dan 90%.
onmogelijk kan hebben verbleven in of in de omgeving van Deventer is gebaseerd op informatie waarmee de rechter die de veroordeling uitsprak op zichzelf al bekend was. Bovendien berust deze stelling op aannames waarvoor geen objectieve ondersteuning is en op een berekening waarin onzekerheidsmarges onvoldoende in aanmerking zijn genomen.
op de blouse die het slachtoffer bij de lijkvinding droeg zijn verschillende sporen afkomstig van de verzoeker aangetroffen;
die sporen zijn consistent met het gepleegde delict;
die sporen laten redelijkerwijze geen andere uitleg toe dan dat deze zijn ontstaan bij het plegen van het delict.
geheledoor de deskundige(n) op één of meer sporendragers waargenomen ‘sporenbeeld’ in aanmerking genomen. Hierbij wordt tevens acht geslagen op het
nietaantreffen van sporen (‘
absence of evidence’) op plaatsen waar de deskundige dat eventueel wél zou verwachten. De biologische sporen zelf geven echter geen uitsluitsel over de vragen hoe en wanneer zij zijn achtergelaten. Wel kunnen deskundigen uitspraken doen over de vraag in hoeverre een bepaald sporenbeeld mag worden verwacht onder de aanname dat bepaalde specifieke handelingen zijn verricht. In kenmerken van een sporenbeeld, zoals de kwantiteit en de kwaliteit van de sporen, de aard, de locatie, de configuratie en de samenstelling ervan ligt mogelijk informatie besloten over de wijze, het tijdstip en de locatie van het ontstaan van deze sporen. [144]
nietde dader is, maar waarin een onbekende persoon dodelijk geweld op het slachtoffer heeft uitgeoefend. Als elementen uit deze scenario’s zijn de volgende twee, elkaar uitsluitende DNA-hypothesen afgeleid.
uitsluitendin de ochtend van 23 september 1999 met het slachtoffer in haar woning gedurende ongeveer tien minuten zakelijk contact gehad. Dit is in de DNA-pijler de onschuldhypothese.
de beste verklaringvoor de totstandkoming van het sporenbeeld? En dezelfde vraag in wéér andere bewoordingen: welke van de twee hypothesen geeft
de beste uitlegvan het sporenbeeld? Daarbij komt tevens de vraag op
in welke matehet sporenbeeld beter past bij de ene dan wel de andere hypothese, c.q.
in welke matede ene hypothese een betere verklaring geeft voor het sporenbeeld dan de andere.
likelihood ratio, getalsmatig, dan wel in woorden. Een
likelihood ratiobetreft een door deskundigen ingeschatte waarschijnlijkheid (‘
likelihood’) van het aantreffen van het sporenbeeld indien DNA-hypothese I (schuld) juist zou zijn, ten opzichte van de door deskundigen ingeschatte waarschijnlijkheid (‘
likelihood’) van het aantreffen van het sporenbeeld indien DNA-hypothese II (onschuld) juist zou zijn. Het gaat om dezelfde systematiek en om dezelfde soort vragen als die in de gsm-pijler aan TNO/TU Delft zijn voorgelegd. De deskundige doet géén uitspraken over zijn inschatting van de kans
datde verzoeker het dodelijke geweld heeft toegepast, respectievelijk de kans
datde verzoeker met het slachtoffer uitsluitend zakelijk contact heeft gehad.
niemand, en dus ook niet ‘de boekhouder’ (die zij verder niet kende), de ochtend van 23 september 1999 op bezoek was geweest. [147] Vier jaar later, nadat zij de terechtzitting van de rechtbank Zwolle had bijgewoond en nadat zij thuis door een journalist was opgezocht, deelde zij daarentegen mee dat zij de man die in Zwolle terechtstond herkende omdat zij hem de ochtend van 23 september 1999 van boven af door het raam kijkend uit de woning had zien vertrekken. [148] Ik kan de geloofwaardigheid van deze aanpassing van haar verklaringen niet adequaat beoordelen. Ik houd het er dan ook op dat uit de verklaringen van de schoonmaakster niet, althans niet met zekerheid, kan worden afgeleid dat de verzoeker de ochtend van 23 september 1999 géén bezoek heeft gebracht aan het slachtoffer. Daaruit kan echter ook niet met zekerheid worden afgeleid dat hij dat wél heeft gedaan.
altijdeen witte blouse, aldus de schoonmaakster. [152] Ná de ontvangst van de verzoeker in de ochtend van 23 september 1999, had het slachtoffer tussen 10 en 10.15 uur een afspraak met haar huisarts. [153] De schoonmaakster staat bij dat het slachtoffer zich tussen de ontvangst van de verzoeker en het bezoek aan de huisarts
nietheeft omgekleed (“
dat loonde niet”) en in nette kleding naar de huisarts is gegaan.
Waarschijnlijk omdat ik enkele dagen daarna van de moord vernam en dit dus de laatste keer bleek te zijn geweest dat ik haar had gezien, heb ik mij later nog enigszins de kleding herinnerd welke zij die ochtend droeg. Ik weet niet meer of het een jurk of een mantelpak was, maar de kleur was rood.” Deze passage is de verzoeker in de media vaker tegengeworpen, als zou hij zichzelf door het schrijven hiervan de das hebben omgedaan. Ik betwijfel of dat werkelijk zo is. De beschrijving van kleding met een rode kleur hoeft immers niet zonder meer betrekking te hebben op de blouse, maar kan ook een omschrijving zijn geweest van de kleur van uitsluitend een jurk of een mantelpak (waarbij hij de kleur van een eventuele blouse buiten beschouwing heeft gelaten). Bovendien bestaat de reële mogelijkheid dat de verzoeker zich, of hij nou schuldig is of niet, drie jaar later in stellige bewoordingen vergiste in de kleur van de kleding die het slachtoffer tijdens zijn bezoek aan haar droeg. De gewraakte passage uit het dagboek is voor wat betreft de scenario’s van schuld en onschuld m.i. onvoldoende onderscheidend om daaraan consequenties te verbinden. [154]
totstandkomingvan deze sporen onder de aanname dat DNA-hypothese I, respectievelijk DNA-hypothese II juist is. Tevens speelt de vraag naar een inschatting van de waarschijnlijkheid van
persistentievan die sporen in een voor detectie geschikte kwantiteit en kwaliteit. Met andere woorden, het gaat om de ingeschatte kans dat celmateriaal onder de gegeven omstandigheden en gedurende een bepaalde tijd in een detecteerbare hoeveelheid op de sporendrager aanwezig blijft, en dit onder de aanname dat DNA-hypothese I juist is, respectievelijk onder de aanname dat DNA-hypothese II juist is.
bestepast (het hof stelde vast: die sporen laten redelijkerwijze geen andere uitleg toe dan dat deze zijn ontstaan bij het plegen van het delict). Hieronder zal ik de vragen of de verzoeker in de ochtend van 23 september 1999 daadwerkelijk een zakelijk bezoek heeft gebracht aan het slachtoffer en, zo ja, welke kleding zij toen droeg, niet meer aan de orde stellen. De keuze van het hof om die vragen open te laten, zal ik bij de bespreking van de voorgestelde nova respecteren aangezien in de informatiepositie hieromtrent na het uitspraak van het hof geen wijziging is opgetreden. Het hof was in 2004 echter niet bekend met de (in 2006 verkregen) resultaten van Y-chromosomaal DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van de nagels van het slachtoffer.
random match probability(die iets zegt over mate waarin een DNA-profiel voorkomt in een populatie en die eventueel van belang is voor het bepalen van een
likelihood ratioop bronniveau), verwijs ik naar het rapport en de weergave daarvan als bewijsmiddel 7.
het celmateriaal van een mannelijk individu is overgebracht op de blouse S12 via normaal zakelijk contact, bijvoorbeeld via speeksel dat tijdens het spreken is vrijgekomen, of via het geven van een hand aan het slachtoffer waarbij de hand van het slachtoffer het celmateriaal van het mannelijke individu vervolgens over de blouse heeft verspreid” (in mijn omschrijving: DNA-hypothese II). Wat ik ‘DNA-hypothese I’ noem wordt door Eikelenboom ‘hypothese 2’ genoemd, en die luidt in zijn omschrijving: “
het celmateriaal van een mannelijk individu is overgebracht op de blouse S12 tijdens het delict”.
De bevindingen die van belang zijn om deze hypothesen te toetsen zijn:
Uit bloed, sperma of speeksel wordt in het algemeen vrij eenvoudig een DNA-profiel verkregen. Bij aanrakingssporen of huidcellen is die kans erg klein. Weliswaar laat de huid continu cellen los, maar deze bevatten weinig DNA-materiaal, aangezien het om afstervende cellen gaat. Indien door de dader een behoorlijke mate van kracht is uitgeoefend, is de kans dat er uit huidcellen een DNA-profiel wordt verkregen, groter. Bij het vorenstaande is ervan uitgegaan dat gebruik wordt gemaakt van de standaardmethoden die door het NFI bij het DNA-onderzoek worden gehanteerd.
Ik kan onderschrijven dat minimaal 200 huidcellen nodig zijn om met standaardmethoden een bruikbaar DNA-profiel te verkrijgen. Een geringere hoeveelheid is niet voldoende.”
nietkunnen worden toegeschreven aan het slachtoffer of de verzoeker. Het NFI is vervolgens onder meer gevraagd om te onderzoeken of er in deze bemonsteringen celmateriaal aanwezig is van een andere persoon dan het slachtoffer en de (thans) verzoeker. [162] Daarop kom ik terug.
In het NFI-rapport van 22 januari 2004 was de redenering dat het verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel dat afkomstig is van een contactspoor (huidcellen) waarschijnlijker is na intensief contact dan na oppervlakkig contact. Het onderzoeksresultaat is dus dat er wel of niet een bruikbaar DNA-profiel is verkregen, het onderzoeksresultaat is niet het aantal cellen dat bij dergelijke contacten wordt overgedragen.
Omdat bij de extractie van het DNA een groot gedeelte van de cellen verloren is gegaan, is de verwachting dat het aantal cellen dat oorspronkelijk in de bemonsteringen aanwezig is geweest vele malen hoger is. Hiervoor is echter niet gecorrigeerd - zoals onder kopje "Hoeveelheid DNA versus het aantal cellen" is toegelicht.”
De uitspraak in[het NFI-rapport van 22 januari 2004, bewijsmiddel 9]
dat de overdracht van ongeveer 200 cellen niet optreedt bij zakelijke contacten dient op die manier te worden geïnterpreteerd. Het precieze aantal cellen dat bij verschillende wijzen van contact (zoals zakelijk of gewelddadig) wordt overgedragen kan dus niet in een getal worden uitgedrukt. Uit het onderzoeksresultaat van de DNA-analyse (DNA-kwantificering en DNA-profiel) kan alleen iets worden gezegd over de hoeveelheid DNA in het extract van de bemonstering.
locaties welke in geklede toestand van het slachtoffer moeilijk bereikbaar zijn”). [164] Ik citeer uit het rapport:
Het partiele DNA-profiel van het bloedspoor ARA852#42 uit de kraag van de blouse komt overeen met het DNA-profiel van [aanvrager] . Dit betekent dat dit bloed afkomstig kan zijn van [aanvrager] . De kans dat een willekeurige man hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het bloedspoor ARA852#42 bedraagt circa één op 50 miljoen. In dit partiele DNA-profiel zijn geen aanwijzingen gevonden op de aanwezigheid van celmateriaal van het slachtoffer of een ander individu.”
Bij de experimenten met vloeibaar bloed bleek dat de textiele stof van de blouse een 'onvoorspelbaar' karakter bezit. De meeste textiele materialen hebben bij dit type experimenten een voorspelbaar karakter. Bij experimenten met deze stof is moeilijk onderscheid te maken tussen overdrachtssporen van bloed en geprojecteerde bloedspatjes.” Van der Scheer concludeert dat #10 uit de kraag van de blouse vermoedelijk een overdrachtsspoor (contactspoor) betreft. Over de vraag of #42 een overdrachtsspoor of een ‘geprojecteerd’ spoor (d.w.z. een spatje) betreft, kan Van der Scheer geen uitspraken doen. Bovendien kan hij geen uitspraken doen over de vraag of de bloedsporen #10 en #42 bij hetzij één, hetzij meer handelingen zijn ontstaan. [166]
In deze zaak zijn tot nu toe bij al het autosomale en Y-chromosomale DNA-onderzoek van de in totaal 137 bemonsterde plaatsen van de blousegeenaanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een derde persoon. In de forensische wetenschap geldt echter het basisprincipe 'Absence of evidence does not equal evidence of absence'. In de context van de uitgevoerde DNA-onderzoeken betekent dit dat indien van een bepaald item een (zeer) groot aantal bemonsteringen is onderworpen aan een DNA-onderzoek waarbij dit resulteert in DNA-profielen van niet meer dan twee verschillende personen, hierdoor niet kan worden gesteld dat er geen celmateriaal van een derde persoon aanwezig kan zijn. Er kan immers sprake zijn van een dermate geringe hoeveelheid celmateriaal van een derde persoon dat het DNA van deze zeer minimale sporen met de huidige in gebruik zijnde forensische DNA-technieken niet kan worden waargenomen.” [167]
The NFI has performed a comprehensive examination of blouse S12 to determine from whom any blood and cellular material on the fabric most likely originated.There is no scientific support for the presence of a third person being present on this blouse. There is scientific support for the presence of cellular material attributable to [aanvrager] on the blouse.”
Het NFI heeft een groot aantal vragen ontvangen die (zeer) gedetailleerd ingaan op verschillende aspecten uit het onderzoek dat is uitgevoerd in de zaak die bekend is geworden als de Deventer moordzaak. Hierdoor bestaat de kans dat de essentie – een beschouwing van het volledige sporenbeeld – onderbelicht raakt.
Addressing the source level question posed by the court: ‘who is the original source of the biological material found on the pieces of evidence?’
deathly violence proposition’en de
‘social interaction proposition’ genoemd. Whitaker heeft hiertoe informatie ontvangen over het dodelijke geweld dat volgens de patholoog-anatoom op het slachtoffer is uitgeoefend: verwurging, uitwendig mechanisch geweld op de borststreek (met ribbreuken tot gevolg) en de toediening van messteken. Omtrent de ‘zakelijk contact’-hypothese is Whitaker meegedeeld: “
[aanvrager] , who is Dutch, visited the home address of the deceased on the morning of 23 September 1999 to attend a business meeting. [aanvrager] and [slachtoffer] greeted each other by shaking hands and discussed aspects of their business in close, socially acceptable proximity, but not in direct contact with each other.” Daarbij is Whitaker omtrent de persoon van de verzoeker bovendien (bij wijze van achtergrondinformatie) meegedeeld: “
[aanvrager] was suffering from hay fever symptoms and had a tendency to spit more than the average person when speaking. He also had a habit of peeling away loose skin around his fingernails which possibly resulted in bloody edges around the nails.”
likelihood ratiovan 93. “
This means that, in my opinion, the findings in this case are approximately 90 times more likely if the deathly violence proposition were true rather than the social interaction proposition”, aldus licht Whitaker toe. In de tweede fase heeft hij alsnog de locaties en (zo mogelijk) de aard van de biologische sporen die aan de verzoeker kunnen worden toegeschreven in zijn beschouwing betrokken. Daarbij neemt hij onder meer in aanmerking dat in de nekregio van de blouse twee bloedsporen afkomstig van de verzoeker (#10 en #42) zijn aangetroffen. Bovendien maakt hij melding van een door hem waargenomen associatie tussen de locaties van de lichtrode vlekken (‘
redistributed make-up stains’) op de blouse en de locaties van DNA-sporen van de verzoeker:
Additionally, the finding of his profile associated with the re-distributed make-up stains lends support to the truth of the deathly violence proposition since the body fluid origin, position and association of his profile with these stains is against expectations if the social interaction proposition were true.”
In my opinion, taken together the laboratory results in this case provide very strong support for the deathly violence proposition (P1) rather than the social interaction proposition (P2).”
very strong support’ voor de ‘
deathly violence proposition’ verstaat Whitaker een
likelihood ratiodie is gelegen tussen tienduizend en één miljoen in het voordeel van DNA-hypothese I. Dit is in overeenstemming met de ordegrootte van de
likelihood ratiodie is gerapporteerd door Kloosterman en Van der Scheer in de NFI-rapportage van 20 augustus 2015, waarbij dezelfde set van hypotheses (‘
propositions’) is geëvalueerd. Van de inhoud van het rapport van 20 augustus 2015 was Whitaker
nietop de hoogte gesteld; Whitaker heeft slechts toegang gekregen tot de ruwe data van de DNA-analyses van het NFI.
upplementary Reportvan 7 mei 2019 (met commentaar op de Krane & Gilder
statementvan juni 2012). Hierop kom ik terug.
2.1.6. Ing. Eikelenboom heeft in dit verband in de eerste plaats onder meer opgemerkt dat de in het onderhavige onderzoek verkregen DNA-profielen zijn bepaald met de standaardmethoden die door het NFI bij het DNA-onderzoek worden gehanteerd. Bij die methoden zullen over het algemeen geen profielen worden verkregen uit celmateriaal dat kan worden overgedragen bij zakelijk, oppervlakkig contact zoals het geven van een hand of het voeren van een gesprek op geringe afstand tussen personen. Ter zitting van 26 januari 2004 heeft ing. Eikelenboom verklaard dat voor het met behulp van genoemde standaardmethoden verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel van huidcellen minimaal 200 cellen dienen te zijn overgebracht en dat bij het bedoelde zakelijke, oppervlakkige contact in het algemeen minder dan deze hoeveelheid zal worden overgedragen. Deze informatie is ter zitting bevestigd door de deskundige dr. De Knijff.”
onderde ‘
stochastic threshold’), en is (b) een verlengde ‘injectietijd’ ingesteld, met als gevolg dat de sensitiviteit van de analysemethode is toegenomen en eventuele artefacten de interpretatie van het piekenprofiel kunnen bemoeilijken;
mededaardoor – aanzienlijk geringer dan tweehonderd;
statementvan prof. D.E. Krane PhD en J.R. Gilder PhD van juni 2012 (hierna: Krane & Gilder), productie 19 bij het herzieningsverzoek. De verdediging verwijst bovendien naar wetenschappelijke literatuur.
low copy number’ (LCN)-methode? De discussie spitst zich daarbij toe op instellingen van de ‘capillaire elektroforese’. Capillaire elektroforese betreft één van de onderdelen van een DNA-analyse. Voor een goed begrip van de discussie loop ik eerst de afzonderlijke onderdelen van een DNA-analyse langs, zodat ik hierna onderscheid kan maken tussen:
polymerase chain reaction, PCR) met een klein deel van het DNA-extract (resulterend in het PCR-product);
andercellulair materiaal. Voordat het DNA kan worden geanalyseerd, is het noodzakelijk om dit DNA te scheiden van het andere materiaal. Eiwitten en andere cellulaire componenten, evenals niet-celgebonden stoffen (bijvoorbeeld materiaal vanaf de sporendrager), bemoeilijken zowel de vermeerdering (PCR) als de analyse van het DNA. Om deze reden zijn DNA-extractiemethoden ontwikkeld om het DNA zo zuiver mogelijk te isoleren. Voorbeelden hiervan die in deze zaak zijn gebruikt, betreffen het Chelex-protocol en de QIAamp-kit. Het eindresultaat van de extractie is een (vloeibaar) DNA-extract. In het geheel genomen draagt het zuiveren en vrijmaken van het DNA uit het spoor in belangrijke mate bij aan de gevoeligheid, betrouwbaarheid en reproduceerbaarheid van DNA-analysetechnieken.
short tandem repeats’ (STR’s), gemarkeerd en vermenigvuldigd (‘geamplificeerd’) door toepassing van de polymerasekettingreactie (PCR). Bij elke stap van de PCR bevat de oplossing in principe tweemaal zoveel gemarkeerd DNA. Een herhaling van deze vermeerderingsstappen leidt dus tot exponentiële groei van de hoeveelheid gemarkeerd DNA. Dit proces resulteert in een (vloeibaar) PCR-product, dat een mengsel is van alle vermeerderde DNA-fragmenten.
low copy number(LCN)-methode.
enhanced detection’. Vergeleken bij de toename van de sensitiviteit die optreedt bij hyperamplificatie geeft ‘
enhanced detection’ een relatief geringe toename van de sensitiviteit van de DNA-analyse. Vergeleken met hyperamplificatie is ‘
enhanced detection’ veel minder gevoelig voor het optreden van artefacten. [173]
low copy number-(LCN)-methode, met alle daaraan verbonden risico’s voor een misinterpretatie van het piekenprofiel vanwege het optreden van ‘artefacten’, zoals ‘
stutters’ en ‘
allelic drop-out’. [174] Hierbij wordt – onder verwijzing naar het
statementvan Krane & Gilder – beklemtoond (a) dat (in de woorden van de verdediging) “
nagenoeg alle sporen minder dan 1 ng template DNA bevatten”, [175] en (b) dat toepassing is gegeven aan verlengde injectietijden.
voorgeschreven” (aldus de verdediging), behelst echter méér, te weten een hoeveelheid die is gelegen tussen de 1 en 2,5 nanogram. Kortom, het aantal van (ongeveer) 200 cellen waarvan Eikelenboom melding maakt, betreft niet – zoals Eikelenboom abusievelijk meende – de
minimaal benodigdehoeveelheid cellen, maar de
optimalehoeveelheid cellen voor het genereren van een DNA-profiel. Ook uit minder cellen kan echter een DNA-profiel worden verkregen. [177] Als gevolg van het gebruik van minder dan de optimale hoeveelheid cellen (te weten een instellingsgrens beneden de ‘
stochastic threshold’), kunnen zich volgens Krane & Gilder bij de DNA-analyse sneller diverse artefacten voordoen die de interpretatie van het piekenprofiel kunnen bemoeilijken. Bovendien laat dit zien dat het NFI wel degelijk in staat is om bruikbare DNA-profielen te verkrijgen uit minder dan 200 cellen, zodat Eikelenboom het hof in 2004 onjuist heeft geïnformeerd, aldus de verdediging.
ten onrechteworden aangezien voor sporen die in verband staan met het delict, aldus de verdediging.
Het aantal van 200 cellen dat in dit rapport[van 22 januari 2004, D.A.]
is genoemd is eveneens gebaseerd op de kwantificering van de hoeveelheid DNA in eenextract. Om onder standaardmethoden (standaard vermeerderingsmethoden) van DNA-onderzoek een DNA-profiel te verkrijgen was de ervaring dat minimaal ongeveer 100 pg DNA nodig was. Voor één DNA-analyse van het QlAamp-extractvan een spoor met een minimale hoeveelheid DNA wordt bij de DNA-vermeerdering ongeveer 1/10 deel van het volledige volume van hetextractgebruikt. Het volledigeextractbevat in dat geval dus 100 x 10 = 1000 pg DNA. 1000 pg DNA is equivalent aan ongeveer 200 cellen (ervan uitgaande dat 1 cel 5 pg DNA bevat of 150 cellen als uitgegaan wordt van 6,6 ng DNA per cel). Hoewel tegenwoordig de DNA-analysemethoden gevoeliger zijn, blijft de bewering uit 2004 van kracht, dat[een DNA-equivalent van]
ongeveer 200 cellen in eenextractnodig zijn voor het verkrijgen van een DNA-profiel. Om deze hoeveelheid DNA in de extractievloeistof te kunnen verkrijgen dient een veelvoud hiervan te zijn overgedragen op het textiel van de blouse en in de bemonstering hiervan.
In het NFI-rapport van 2004 is gerapporteerd dat minimaal 200 cellen moeten zijn overgebracht om onder standaardcondities een DNA-profiel te verkrijgen en dat deze hoeveelheid niet wordt overgedragen bij zakelijk contact. Hoewel het aantal van ongeveer 200 cellen (equivalent van circa 1 ng) als input voor de vermeerderingsreactie de optimale hoeveelheid is om een DNA-profiel te verkrijgen, is het geen voorwaarde.
Het NFI heeft uitsluitend een schatting gemaakt van het aantal aanwezige mannelijke en vrouwelijk cellen in hetextractvan bemonstering #20 (zie beantwoording vraag 1.9). Het precieze aantal cellen dat bij verschillende wijzen van contact (zoals zakelijk of gewelddadig) of wijzen van overdracht (primair, secundair of tertiair) wordt overgedragen kan niet goed ingeschat worden. Een schatting van het aantal cellen dat in de DNA-extracten van de bemonsteringen van de blouse aanwezig is, geeft daarom geen aanvullende informatie over de aard van het celmateriaal en het overdrachtsmechanisme van het contact. De redenering is dat het verkrijgen van een bruikbaar DNA-profiel waarschijnlijker is na een intensief (gewelddadig) contact dan na een oppervlakkig (zakelijk) contact.”
Has the amount of cellular material (calculated in mass DNA and/ or the number of cells) which has been required for generating the DNA-profiles as reported by the Dutch Forensic Institute, influenced the conclusions drawn by you about the DNA transfer mechanism (DNA transfer mechanism)?”
No - I have not used the quantification values specifically; however I have used the presence or absence of DNA profiles which in an indirect way are directly correlated to quantity and quality of DNA.”
The assessment I have conducted is based on the presence or absence of DNA profiles. These are governed by the amount of DNA but quantitation amounts have not been directly incorporated as a quantitative measure in my approach.”
supplementary reportvan 30 april 2019 (met een reactie op het
statementvan Krane & Gilder) heeft Whitaker onder meer het volgende opgetekend (p. 4):
DNA profiling test kit manufacturers often stipulate an amount of DNA which optimises the chances of successfully generating a DNA profile result. This amount of DNA is expected to be in excess of the stochastic threshold (provided the DNA is of a good quality) and therefore interpretation considerations arising from any low level effects are minimised.
that it is possible for DNA profiles to be generated from smaller amounts of DNA. The detection of DNA profiles from low amounts of DNA depends on the sensitivity of the systems and protocols which are used.
highlight that transfer at the crime event or through casual contact is possible; however they have not conducted an evaluation to determine the relative strength of support the findings provide given these two alternatives.”
slechts een deel(minimaal ongeveer 100 picogram) gebruikt als input voor de PCR (resulterend in een PCR-product);
slechts een deelgebruikt voor de capillaire elektroforese (het voor de capillaire elektroforese gebruikte deel van het PCR-product gaat overigens verloren);
Daarom kan op grond van de kwantificering van het DNA alleen een schatting worden gedaan van de hoeveelheid DNA die is geëxtraheerd en niet over de veel grotere hoeveelheid DNA (cellen) die in de oorspronkelijke bemonstering (in dit geval de stof van de blouse) aanwezig is geweest,” aldus Kloosterman en Van der Scheer in het rapport van 20 augustus 2015. [180] Het aantal cellen waaruit het spoor is opgebouwd speelt dan ook géén rol bij de evaluatie van het sporenbeeld, zo begrijp ik de rapporteurs.
voorgeschreven”, betreffen in werkelijkheid geen ‘voorschriften’ of ‘internationaal wetenschappelijk aanvaarde normen’, [181] maar slechts adviezen voor de gebruikers. [182] Het NFI heeft zelfstandig onderzoek gedaan naar de effecten van verlengde injectietijden op de resultaten van de DNA-analyse en op (de mogelijke toename van) de waarschijnlijkheid van het optreden van artefacten. [183] Het NFI heeft ervoor gekozen om bij de analyse van sporenmateriaal standaard een injectietijd van vijftien seconden te hanteren. Aan die keuze lag een validatiestudie ten grondslag. Het hof is dus niet onjuist voorgelicht.
Leugens over [aanvrager]. [185] De analyse van Derksen heeft betrekking op de vraag of de locaties op de blouse waar sporenmateriaal van de verzoeker is aangetroffen discriminerend zijn voor ‘het geweldscenario’ (DNA-hypothese I) dan wel ‘het zakelijk-contactscenario’ (DNA-hypothese II). Derksen oordeelt van wel. De locaties van de DNA-monsters passen in zijn opvatting veel beter bij het zakelijk-contactscenario. Met name zeven monsters op het pand van de rechterschouder van de blouse, alsook drie monsters op de achterzijde van de kragen van de blouse, met inbegrip dus van de (bloed)sporen #10 en #42, ondersteunen in zijn ogen het zakelijk-contactscenario aanzienlijk meer dan het geweldscenario. Daarmee wijkt Derksen dus af van de oordelen van het NFI en van Whitaker. De analyse van Derksen wordt door de verdediging gepresenteerd als (onderdeel van een) novum.
buitenhet door Derksen als delictgerelateerd aangemerkte gebied is aangetroffen, ondersteunt het zakelijk-contactscenario met één punt (+1) én ondergraaft het geweldscenario met één punt (–1). Andersom geldt dat een aan de verzoeker toegeschreven spoor dat
binnenhet door Derksen als delictgerelateerd aangemerkte gebied is aangetroffen, het geweldscenario met één punt (+1) ondersteunt én het zakelijk-contactscenario met één punt (–1) ondergraaft. Elk
nietaan de verzoeker toegeschreven spoor in gebied dat Derksen als delictgerelateerd aanmerkt, ondergraaft het geweldscenario met één punt etc. Er zijn ook enkele ‘twijfelsporen’, waarvoor Derksen de mogelijkheid van cross-contaminatie oppert, maar die laat ik hier buiten bespreking. Wanneer al deze punten in een matrix worden opgenomen (en opgeteld), ontstaat een zogeheten ‘Heuer model’. Zo’n matrix faciliteert het afwegen van argumenten die pleiten vóór dan wel tégen een bepaald scenario en wordt door Derksen veelvuldig gebruikt.
niet-delictgerelateerde gebieden, aldus begrijp ik Derksen. De sporen #10, #19 en #42 leveren zodoende drie punten op vóór het zakelijk-contactscenario en drie tégen het geweldscenario.
Leugens over [aanvrager]zijn daarentegen alleen met moeite te bestuderen.
monsters op de rechterschouder” geen adequate voorstelling van zaken geeft. Kunnen de sporen #7 en #12 nog wel worden aangemerkt als gesitueerd op de rechterschouder, althans
op de voorzijdedaarvan, dat geldt m.i. niet voor de volgende sporen:
achterzijderechter revers
3”) en een ondermijning van het geweldscenario (“
–3”). Met het oog op het geweldscenario acht ik het bijvoorbeeld alleszins waarschijnlijk dat degene die met een smal, bandvorming object het (op haar rug liggende) slachtoffer een krachtige verwurging heeft aangelegd, [188] zijn handen bij of in de nek van het slachtoffer heeft gebracht. Dat het smalle, bandvormige object een striem in de hals veroorzaakte, staat niet ter discussie. Waar het om gaat is dat de handen in de nek geen zichtbaar letsel hoeven te veroorzaken, maar er wel biologische sporen kunnen achterlaten. De inschatting van Derksen (“
–3”), die louter is gebaseerd op afwezigheid van letsel in de nek, is niet steekhoudend.
2.1.7. Als bevindingen die zijn onder b gerelateerde conclusie steunen heeft ing. Eikelenboom verder genoemd:
Er kan niet gesteld worden dat het daarom zeer onwaarschijnlijk is dat het in de zaak van verzoeker speeksel betreft. Bij niet-oplichten kan er nog steeds speeksel aanwezig zijn, weliswaar in kleine hoeveelheden. Echter, ook kleine hoeveelheden speeksel bevatten nog veel celmateriaal, hetgeen voldoende is voor DNA-onderzoek. Ondanks de afwezigheid van fluorescentie is er dus nog steeds een reële mogelijkheid dat DNA-materiaal van verzoeker via speeksel-transfer op de blouse van [slachtoffer] is gekomen”, aldus het herzieningsverzoek.
statementvan Krane & Gilder.
Het NFI onderschrijft de mogelijkheid dat speeksel van de veroordeelde op de blouse aanwezig kan zijn, ondanks dat geen fluorescentie is waargenomen. De huidige inzichten met betrekking tot de meerwaarde van de crimescope voor het forensisch sporenonderzoek zijn niet anders dan de inzichten uit 2004. Het is een relatief ongevoelige maar niet-destructieve manier om aanwijzingen te vinden voor de aanwezigheid van lichaamsvloeistoffen (sperma, speeksel, zweet, urine) en is daardoor nog steeds een nuttig en veelgebruikt hulpmiddel bij het selecteren van te bemonsteren locaties. Deze methode is evenwel niet geschikt om de aard van het geselecteerde eventuele biologische spoor vast te stellen.”
huidcellen, géén rol in de evaluatie van het sporenbeeld. Datzelfde geldt voor de rapportage d.d. 2 oktober 2017 van Whitaker. De daarin opgenomen conclusies worden door het hier besproken bezwaar dus niet geraakt.
dielocatie het celmateriaal van een speekseldruppeltje wordt verzameld.
2.1.7. Als bevindingen die zijn onder b gerelateerde conclusie steunen heeft ing. Eikelenboom verder genoemd:
Tijdens de behandeling bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in 2004 zijn door het NFI (dr. Kloosterman en ing. Eikelenboom) uitspraken gedaan over het aantal cellen van verzoeker in het spoor #20, te weten dat in dit specifieke spoor maar liefst 1600 cellen zouden zijn aangetroffen die aan verzoeker waren toe te schrijven.” [192]
Vlek #20 bevindt zich op de rechter voorzijde van de blouse, op slechts enkele centimeters van de bovenste steekwond. Ook hier gaat het om een bemonstering in de lichtrode substantie. Deze vlek lijkt op de afdruk van een vinger. Deze locatie is bemonsterd, omdat het slachtoffer onder deze locatie een groot aantal ribbreuken had. Dit leverde een DNA-mengprofiel op waarin celmateriaal van het slachtoffer en een mannelijk individu werd aangetroffen. Opmerkelijk is dat de piekhoogten van het mannelijk individu hoger waren dan die van het slachtoffer. (…).
nietaangevochten. Het gaat thans alleen om het aantal cellen in het DNA-extract van bemonstering #20. Daarover hebben noch Eikelenboom, noch Kloosterman (noch De Knijff) ter terechtzitting van het hof enige uitspraak gedaan. De stelling dat vlek #20 mogelijk is ontstaan onder invloed van een ‘aanmerkelijke kracht’ die de dader op die locatie heeft uitgeoefend, berust dus niet op het aantal cellen dat in het DNA-extract aanwezig was. Het hof is dan ook niet onjuist voorgelicht.
het extract van de bemonstering #20 het DNA van ongeveer 300 mannelijke cellen en ongeveer 150 vrouwelijke cellen bevat.” [194] Dat komt overeen met de schatting van dr. Blom.
extractvan bemonstering #20. De verdediging verliest onder meer het aspect van extractie-efficiëntie uit het oog, te weten de relatief beperkte opbrengst van DNA bij extractie uit sporenmateriaal. De efficiëntie van DNA-extractie is laag, aldus Kloosterman. Die efficiëntie hangt af van diverse factoren, waaronder uiteraard ook de toegepaste extractiemethode. [195]
nagenoeg de gehele hoeveelheid DNA-materiaal uit het spoor wordt geëxtraheerd”, respectievelijk dat “
de grootst denkbare hoeveelheid biologisch materiaal uit het spoor in het uiteindelijke DNA-concentraat terecht is gekomen”. De verdediging prijst in dat verband de ‘perfecte absorptiekwaliteiten’ van katoen/viscose. Het gaat hier echter niet om absorptie, maar om extractie. Die is van katoen juist minder. [196] De stof neemt kennelijk makkelijk op, maar laat niet makkelijk los.
overhet jasje of het vest drapeerde of dat zij geheel geen kledingstuk over de blouse droeg. In dat tweede geval is de achterzijde van de kraag bereikbaar voor bijvoorbeeld (bloederig) snot wanneer een persoon bij zakelijk contact in de nek van het slachtoffer niest of wanneer die persoon met een bebloede vinger de kraag of de nek van het slachtoffer aanraakt. Volgens de NFI-rapportage d.d. 19 januari 2004 van dr. Kloosterman is van dit spoor een enkelvoudig en volledig DNA-profiel verkregen waarvan de DNA-kenmerken overeenkomen met die van de verzoeker.
Zowel voor wat betreft het bloedvlekje in de buitenste kraag aan de achterzijde van de blouse (spoor #10) als ten aanzien van de sporen #9, #18, # 19 en # 20 geldt immers, gelet op de plaats van spoor #10 en de bevindingen van ing. Eikelenboom inzake de andere sporen, dat het niet aannemelijk is te achten dat deze sporen bij een normaal en zakelijk contact op de blouse terecht zijn gekomen.”
statementvan Krane & Gilder van juni 2012. Zij oordelen dat niet vaststaat dat spoor #10
bloedbetreft. Voor de bepaling van de aard van het celmateriaal is slechts gebruikgemaakt van een presumptieve test, de tetrabasetest, die de kans op een foutpositief openlaat en die niet differentieert tussen menselijk en dierlijk bloed. Daardoor komt de vraag op of het gedetecteerde DNA van de verzoeker afkomstig is van de rode vlek of vanaf het onderliggende materiaal, aldus Krane & Gilder (en dus ook de verdediging).
statementvan Krane & Gilder, gaat hij ervan uit dat het celmateriaal van bemonstering #10
bloed(van de verzoeker) bevat. Krane & Gilder, die (evenals Taylor) beschikten over de ruwe data van het NFI, nemen daarentegen aan dat de analyse van bemonstering #10 een ‘enkelvoudig’ DNA-profiel heeft opgeleverd. [198]
statementvan Krane & Gilder, dat in essentie enkel alternatieve mogelijkheden opwerpt, leidt op dit punt niet tot enige twijfel.
sporenmateriaal niet altijd eenvoudig. De vraag of een klein piekje in het piekenprofiel moet worden aangemerkt als een artefact (‘
stutter peak’, ‘
allele drop-in’) dan wel als een ‘
true allelic peak’ en dus een aanwijzing voor de aanwezigheid van meer contribuanten van celmateriaal aan de bemonstering, kan niet altijd met zekerheid worden beantwoord. Ook in dit geval is tussen gerenommeerde deskundigen discussie mogelijk over de vraag of de DNA-analyse van bemonstering #10 een enkelvoudig profiel of een mengprofiel heeft gegenereerd.
The raw DNA profile result indicates a main contributor that aligns with the reference of [aanvrager] and several minor peaks that have been labelled (16 at D3, 14 at D8, 22 at D18 and 14 at D19). Three out of four of these (all but the result at D18) align with the reference of [slachtoffer] . (…).I note that all of these labelled minor peaks are in stutter positions, and so the profile could be single source but with several high stutter peaks. However, the number of high stutters and their heightsuggests the presence of a minor donor. A stutter is a small peak produced as an artefact of the DNA profiling process. If we accept the presence of DNA from [aanvrager] on sample #10 (from the blouse collar) then the profileappears to have a minor DNA donor. The majority of the minor peaks align with the reference of [slachtoffer] , and this would not be an unexpected result. (…). However, the study still serves to show the high expected rate that DNA will be transferred to clothing when worn.”
Other minor DNA bands have also been observed in each profile[#10 en #42, D.A.]
which match the reference profile of [slachtoffer] . These DNA bands could represent a trace amount of DNA originating from cellular material from her being present in these areas as a consequence of her wearing the blouse.” [200]
nietals een ‘
mixed profile’. [201] Datzelfde geldt zoals gezegd voor Krane & Gilder. De Knijff en Kraaijenbrink hebben aan bemonstering #10 geen autosomaal DNA-onderzoek verricht, maar wél aan de bemonstering van het andere bloedspoor in de kraag, #42. Dat bleek naar hun oordeel een autosomaal DNA-mengprofiel met een duidelijke hoofdbijdrage (waarvan de kenmerken overeenkomen met die van de verzoeker) en een zeer geringe nevenbijdrage, waarvan DNA-kenmerken overeenkomen met die van het slachtoffer.
not (…) unreasonable for contact to have occurred by [aanvrager] to the back collar region of the blouse of [slachtoffer] .”
voir direin een Amerikaanse strafzaak wijzen volgens de verdediging uit dat hij in 2003/2004 die bevoegdheid niet had, en de kwalificaties evenmin. Hij is nimmer ingeschreven geweest in het deskundigenregister van het NRGD. Belangrijke passages uit zijn rapport en verklaring worden door andere deskundigen weersproken, aldus de verdediging. Desondanks baseerde het hof zijn bewijsoordeel voor een belangrijk deel op de verklaringen en rapportages van Eikelenboom.
chain of custody’ van de witte blouse aan de orde gesteld. Op zichzelf is dat niet nieuw in deze zaak. Naar aanleiding van bewijsverweren heeft het hof zich hierover uitgelaten in het bestreden arrest en ook in de eerder afgewezen herzieningsaanvraag zijn bedenkingen tegen de
chain of custodyvan de witte blouse te berde gebracht. De verdediging beroept zich thans echter op gegevens die pas ná de in 2008 afgewezen herzieningsaanvraag zijn opgekomen en waarmee het hof (in 2004) en de Hoge Raad (in 2008) dus niet bekend konden zijn.
motiveringvan die afwijzing. [202] Het hof heeft namelijk vastgesteld dat het ‘aanvullend proces-verbaal blouse slachtoffer’ d.d. 16 december 2003 valselijk is opgemaakt, aldus de verdediging.
Op 26 september 1999 hebben wij tijdens de sectie op het slachtoffer [betrokkene 27] , de blouse van het slachtoffer veiliggesteld en inbeslaggenomen en genummerd S12. De blouse hebben wij verpakt in een papieren zak die wij hebben dichtgeplakt en genummerd. De blouse hebben wij op 14 oktober 1999 voor onderzoek aan het Nederlands Forensisch Instituut aangeboden. Bij navraag bij het Nederlands Forensisch Instituut bleek, dat zij de blouse in december 1999 retour hebben gezonden aan het bureau van de Technische Recherche te Raalte. De blouse hebben wij retour ontvangen. De blouse was verpakt in een kartonnen doosje. Dit doosje was dichtgeplakt. Wij hebben dit doosje niet meer geopend. Dit doosje met de blouse hebben wij met meerdere stukken van overtuiging, afkomstig van het onderzoek plaats delict aan de [a-straat 1] te Deventer, verpakt in een grotere kartonnen doos. Wij hebben deze opgeslagen in het archief van de Technische Recherche te Raalte. In het jaar 2000 zijn deze goederen, in verband met een op handen zijnde verhuizing van de Technische recherche, verplaatst en opgeslagen aan het bureau van politie te Deventer.”
De verklaring van beklaagde [verbalisant 3] in raadkamer van het hof van 6 oktober 2009 komt erop neer dat deze beklaagde, ten aanzien van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd, als eigen waarneming of ondervinding slechts kan meedelen dat hij bij de sectie aanwezig was en de blouse (daar) in een zak heeft gedaan. Al hetgeen daarna in het proces-verbaal is vermeld kan hij niet uit eigen waarneming of ondervinding bevestigen.
van de blouse X
secondary transfer’ van biologische sporen. De verdediging acht het op grond hiervan mogelijk (i) dat DNA-materiaal van de verzoeker bij een handdruk op de rechterhand van het slachtoffer is overgedragen, waarna het slachtoffer dit materiaal naar haar blouse heeft getransporteerd, bijvoorbeeld bij het rechtstrijken ervan, en (ii) dat de verzoeker gedurende zijn gesprek met het slachtoffer speeksel heeft geprojecteerd op haar blouse, waarna zij dat met de hand verder heeft verspreid.
secondary transfervan DNA-materiaal. Die mogelijkheid kan zich volgens de verdediging zeer wel in een zakelijk-contactscenario hebben voorgedaan. Wil deze constatering van waarde zijn voor de strafzaak, dan zal echter niet alleen de enkele
mogelijkheidvan
secondary transfer, maar zal ook de
waarschijnlijkheiddat dit fenomeen zich in het sporenbeeld manifesteert, moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van ten minste twee hypothesen over de activiteiten die aan het sporenbeeld ten grondslag kunnen liggen. Dat is bij uitstek de taak van een gerechtelijk deskundige. Onder randnummer 40 schreef ik al dat een uiteenzetting van de portee van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in het herzieningsproces de inbreng vergt van een deskundige die op het door de verdediging betreden terrein overzicht heeft en beschikt over de kennis en kunde om de betekenis van die onderzoeksresultaten voor de voorliggende zaak te duiden.
secondary transfer’. Het werk van Goray, waarnaar de verdediging verwijst, wordt in antwoord op vragen van de begeleidingscommissie op diverse plaatsen besproken in de NFI-rapportage d.d. 20 augustus 2015 van Kloosterman en Van der Scheer. De mogelijkheden en waarschijnlijkheden van
secondary transferzijn dus betrokken in de evaluatie van het sporenbeeld tegen de achtergrond van DNA-hypothesen I en II. De verhandeling van de verdediging tast zodoende de verder onweersproken conclusies in de meer recente rapportages van het NFI en Whitaker niet aan.
Zoals in het NFI-rapport van 18 mei 2006 is geconstateerd, is het bloedspoor #29 op het rechtervoorpand van de blouse niet zichtbaar op de foto DSCNOO11.jpg die is genomen op de plaats delict. Dit betekent dat dit bloedspoor na het maken van de genoemde foto op de blouse is ontstaan. Het DNA-profiel van dit bloedspoor matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het slachtoffer is gekleed vervoerd naar het mortuarium en vervolgens naar Rijswijk voor de gerechtelijke sectie. Tijdens een dergelijk transport en beweging van een slachtoffer is het mogelijk dat vloeibaar bloed en lichaamsvloeistoffen van dat slachtoffer vrijkomen en daardoor op kleding terecht kunnen komen. De open verwondingen bij het slachtoffer vormen hier een bron van hetde novo
ontstane bloedspoor. Ook bij het ontkleden van het slachtoffer kan hetde novo
bloedspoor #29 door het vrijgekomen bloed zijn ontstaan. Dit geldt eveneens voor dede novo
ontstane verdunde bloedsporen op de linkerzijde van de kragen.
Met betrekking tot de lichtrode vlekken is de aanname dat de lichtrode vlekken tijdens gewelddadig handelen zijn ontstaan. Daarom is het relevant deze lichtrode vlekken te bemonsteren omdat daar DNA van de belager kan zijn terechtgekomen. De verwachting is dus meer mogelijk delictgerelateerd DNA aan te treffen (en dus een grotere kans op het verkrijgen van een DNA-profiel) in de Iichtrode vlekken dan daarnaast. De bewering in vraagstelling 2.6 [B] “daarom zou DNA dat afkomstig kan zijn van [aanvrager] in die rode vlekken zitten, en alleen daar
” reduceert het argument van het NFI ten onrechte tot een zwart-wit statement. Een verdeling met aanzienlijk meer DNA in de lichtrode vlekken dan daarnaast is minder waarschijnlijk onder de hypothese dat het DNA is overgedragen door andere niet gewelddadige mechanismen zoals niezen, spreken met consumptie, zakelijk contact (zoals het geven van een hand) en cross contaminatie. Onder deze hypothese wordt geen samenhang verwacht tussen de locaties waar het DNA wordt aangetroffen en de lichtrode vlekken. De lichtrode vlekken en de daaruit verkregen DNA-profielen vormen een onderdeel van de DNA-onderzoeksresultaten. Bij het tot stand komen van de conclusie is het volledige sporenbeeld beschouwd.”
De kans op verplaatsing en contaminatie van DNA-sporen door het gebruik van microsporenfolie (eenzijdig klevende folie) is mede door eerder geuite kritiek op het DNA-onderzoek in deze zaak door het NFI experimenteel onderzocht. Op basis van de resultaten van deze experimenten is vastgesteld dat de kans zeer klein is dat door het gebruik van microsporenfolie op textiel zoveel DNA van de ene locatie naar de andere locatie wordt verplaatst dat hiervan bruikbare DNA profielen worden verkregen. De huidige forensisch-wetenschappelijke inzichten geven geen aanleiding om het gebruik van microsporenfolies te discontinueren.
I report that it is noted that since each of the tapes were re-applied over a limited area that this might present a small risk that surface biological material may have been redistributed or removed from the item. This is a subjective view and I am unable to quantify the risk other than to subjectively comment it as being small / low. Redistribution, if it occurs, will only move something that was already present.”
De blouse is, om meerdere redenen, aan te duiden als een zeer belangrijk stuk van overtuiging. Er is sprake geweest van een intensief contact tussen de dader en de blouse, door de uitgeoefende kracht op de borstkas en de handelingen van het wurgen en steken. Hierdoor is er een aanzienlijke kans aanwezig dat deze blouse sporen van de dader bevat. Daarnaast is de blouse het enige stuk van overtuiging vanaf de pd dat potentieel een verband kan aantonen tussen de dader, het scherprandige voorwerp waarmee het steekletsel is toegebracht en dus het delict.
, die hierin mogelijk duidelijkheid hadden kunnen verschaffen, zijn niet benut.
ernstig aangetaste” integriteit van het stuk van overtuiging tot uitdrukking komt, als: “
laag”. [213]
” beoordeelde criminalistische waarde van de blouse
nietals zodanig gekwalificeerd. Zij kunnen op basis van hun expertise omstandigheden belichten die naar hun oordeel bij de evaluatie van het sporenbeeld moeten worden betrokken. De door het CCT geschetste risicofactoren voor contaminatie en relocatie van sporenmateriaal kunnen bij de evaluatie van het sporenbeeld op de blouse in aanmerking worden genomen. Het CCT merkt bijvoorbeeld op dat “
er een aanzienlijke kans aanwezig[is]
dat deze blouse sporen van de dader bevat”. De witte blouse is in deze zaak op zeer veel locaties bemonsterd. Het betrof een “
comprehensive examination”, aldus de Engelse DNA-deskundige Linacre (die in 2007 de DNA-onderzoeken van het NFI heeft gereviewd). Niettemin komen
allegeïdentificeerde DNA-kenmerken overeen met de autosomale c.q. Y-chromosomale DNA-kenmerken van het slachtoffer en/of de verzoeker. Er zijn geen aanwijzingen dat zich in de bemonsteringen celmateriaal van een derde bevindt. Dat laat zich slecht rijmen met contaminatie.
hoezijn biologische sporen daar terecht zijn gekomen.
onschuldscenario’.
anderdan de verzoeker heeft (dit) dodelijke geweld uitgeoefend; de verzoeker heeft in de ochtend van 23 september 1999 uitsluitend zakelijk contact gehad met het slachtoffer.
zijn de meest onderscheidende onderzoeksresultaten:
In my opinion, taken together the laboratory results in this case provide very strong support for the deathly violence proposition (P1) rather than the social interaction proposition (P2).”
indienwordt aangenomen dat DNA-hypothese I juist is, respectievelijk hoe waarschijnlijk het totale sporenbeeld naar hun oordeel is
indienwordt aangenomen dat DNA-hypothese II juist is. Als die eerste waarschijnlijkheid van het totale sporenbeeld veel groter is dan de tweede, dan geeft dat meer steun voor de eerste hypothese dan voor de tweede. De DNA-deskundigen doen echter géén uitspraken over de vraag hoe waarschijnlijk het is
datDNA-hypothese I juist is, en evenmin over de vraag hoe waarschijnlijk het is
datDNA-hypothese II juist is.
op de blouse die het slachtoffer bij de lijkvinding droeg zijn verschillende sporen afkomstig van de verzoeker aangetroffen;
die sporen zijn consistent met het gepleegde delict;
die sporen laten redelijkerwijze geen andere uitleg toe dan dat deze zijn ontstaan bij het plegen van het delict.
andereargumenten dan de bewijsgronden die het hof heeft opgenomen in het bestreden arrest, namelijk in de bewijsmotivering en in de bewijsmiddelencatalogus. De vaststellingen van het hof steunen dus wat mij betreft (ook in de DNA-pijler) op
aangevuldeen
verbeterdegronden.
allenieuwe gegevens die in het nadere feitenonderzoek naar voren zijn gekomen.