Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Aanleiding en verloop van de procedure
“overtreding van art. 10a, 11b Opiumwet; art. 2 onder Pro a Wet voorkoming misbruik chemicaliën jo art. 1 onder Pro 1 en art. 6 Wet Pro op de economische delicten; art. 140 Wetboek Pro van strafrecht”. De vordering van de Staat wordt geschat op € 850.470,-.
3.Standpunten van klager en het openbaar ministerie
Ik ben de eigenaar van de inbeslaggenomen Porsche.
Het is mijn auto. Lastige zaken betreffende Internet schuif ik altijd door naar mijn zoon. Ik heb daar geen tijd voor en geen verstand van. Ik laat dat dan aan hem over. Ik was niet van plan om deze auto te verkopen, maar toen ik er in reed merkte ik dat het geen auto betrof voor een leek. Vandaar dat ik de auto te koop heb gezet.”
4.De beschikking
5.Het middel
enig eigenaarkan worden aangemerkt. Wanneer de klager en de verdachte als
mede-eigenaarmoeten worden beschouwd kan het voorwerp voor het deel dat aan de verdachte toebehoort strekken tot zekerheid voor eventueel aan de verdachte op te leggen betalingsverplichtingen; die kunnen worden verhaald op diens aandeel in het in beslag genomen voorwerp. [6]
niet buiten redelijke twijfel (staat) dat alleen klager als rechthebbende op het voorwerp kan worden aangemerkt”.De rechtbank onderbouwt dit in de eerste plaats door te verwijzen naar de tapgesprekken van [betrokkene 1] betreffende de in beslag genomen Porsche zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de eigendom van deze auto d.d. 14 februari 2022 met als kenmerk AMB-040. Een blik in het dossier leert dat in dit proces-verbaal wordt gesteld dat de Porsche voor tenminste 50% aan [betrokkene 1] toebehoort. [7] Uit het proces-verbaal in raadkamer leid ik af dat deze stelling in het bijzonder is gebaseerd op het in voornoemd proces-verbaal opgenomen tapgesprek dat heeft plaatsgevonden op 5 februari 2022 [8] waarin [betrokkene 1] aan ene “ [betrokkene 2] ” vertelt over de Porsche Turbo die zijn vader heeft gekocht en die via een veilingsite te koop zal worden aangeboden, dat de helft van de opbrengst voor hem is en dat hij er iets meer geld in heeft zitten dan zijn vader, maar dat hij dit geld naar rato weer terug krijgt. Verder heeft de rechtbank in dit verband gewezen op de wijze van tenaamstelling en verzekering van voornoemd voertuig en levering daarvan aan [betrokkene 1] . Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting en de onderliggende stukken leid ik af dat de rechtbank doelt op de volgende feiten en omstandigheden:
niet hoogst onwaarschijnlijk (acht) dat in een latere strafprocedure jegens [betrokkene 1] de strafrechter komt tot het opleggen van een geldboete dan wel van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel”.Dat oordeel vind ik toereikend gemotiveerd en niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting nu dit oordeel er feitelijk op neer komt dat de eventueel op te leggen betalingsverplichtingen kunnen worden verhaald op het aandeel van de verdachte in de in beslag genomen auto, en dat deze in zoverre dus kan strekken tot zekerheid voor de nakomen van de verplichting. [14]