In deze zaak gaat het om een beklagprocedure tegen het beslag op een personenauto van een bedrijf, waarbij de auto in beslag is genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder en algemeen directeur van dat bedrijf.
De rechtbank had het klaagschrift van het bedrijf ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd, omdat zij aannam dat het bedrijf als eigenaar van de auto moest worden aangemerkt, maar dat de bestuurder de auto feitelijk gebruikte en er aanwijzingen waren dat de auto mogelijk werd gebruikt bij strafbare feiten.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of de situatie van art. 94a lid 4 of 5 Sv zich voordoet, hetgeen vereist is wanneer derdenbeslag rust op het voorwerp en een derde om teruggave verzoekt. De enkele overweging dat de bestuurder de auto feitelijk gebruikt, is onvoldoende als motivering.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling van het klaagschrift, waarbij de rechtbank expliciet moet onderzoeken of het beslag op grond van art. 94a lid 4 of 5 Sv gerechtvaardigd is.