Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een beklagprocedure tegen conservatoir beslag op een geldbedrag van €9.000,- dat klager aan betrokkene 1 betaalde voor laptops en iPads, die later als verduisterd werden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk omdat klager niet als eigenaar van het geldbedrag kon worden aangemerkt.
Klager stelde dat hij als eigenaar van het geldbedrag moet worden gezien omdat de koopovereenkomst nietig was en hij onverschuldigd had betaald. De rechtbank oordeelde dat het beslag rechtmatig was omdat betrokkene 1 op het moment van beslag eigenaar was van het geld en dat klager slechts een vordering op grond van onverschuldigde betaling had, geen eigendomsrecht.
De Hoge Raad bevestigde dat de maatstaf is of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de derde eigenaar is van het in beslag genomen voorwerp. De rechtbank heeft dit juist toegepast en haar oordeel was niet onbegrijpelijk. Hoewel de rechtbank ten onrechte meende dat voor ontvankelijkheid het eigendom doorslaggevend was, was dit geen reden tot cassatie omdat het klaagschrift inhoudelijk is beoordeeld en het beklag ongegrond had moeten worden verklaard.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat klager civielrechtelijk zijn geld kan verhalen, maar niet via de strafrechtelijke beslagprocedure. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 april 2021.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat klager niet als eigenaar van het geldbedrag kan worden aangemerkt en het klaagschrift niet-ontvankelijk is verklaard.