Conclusie
1.ABC Hekwerk Participatie B.V.
[verweerder 2]
1.Feiten
realisatie van een positief resultaat over het boekjaar 2012 voor belasting van circa € 20.000,- (...) realistisch voorstelbaar” is (artikel 6) en dat ABC Hekwerk Participatie het in PSS “
aanwezige eigen vermogen zoals dat blijkt uit de tussentijdse cijfers per 30 juni 2012 (...)” garandeert (artikel 14).
(O)verige garanties” (artikel 5 onder Pro VI) erkent ABC Hekwerk Participatie dat iedere verklaring in dit artikel voor Rookie van wezenlijk belang is en dat de juistheid, nauwkeurigheid en volledigheid van iedere verklaring essentieel is voor het besluit van Rookie om de Koopovereenkomst aan te gaan.
ABC Hekwerk” en “
ABC Security Systems” gedeponeerd. ABC Hekwerk Participatie heeft op 29 augustus 2013 de licentie- en samenwerkingsovereenkomst ontbonden. Rookie heeft de inschrijving van de merknamen laten doorhalen, nadat ABC Hekwerk Participatie daarover een kort geding tegen haar aanhangig had gemaakt en de voorzieningenrechter op 25 oktober 2013 in dat kort geding vonnis had gewezen.
2.Procesverloop
Opmerking vooraf
van Rookie, A-G] komen grotendeels op hetzelfde neer, maar de ontbinding is niet aan de orde in hoger beroep. Rookie houdt rekening met reeds ontvangen bedragen en met het oordeel van de deskundige in eerste aanleg en Rookie vordert nu ook een voorschot op schadevergoeding. Rookie vordert volgens haar herformulering van de vorderingen:
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Inleiding
fait accompliis ontstaan. [43] In deze gevallen
kunnende gevolgen van de overeenkomst op zich wel ongedaan gemaakt worden; [44] ongedaanmaking is niet onmogelijk. Bovendien heeft art. 3:53 lid 2 BW Pro geen betrekking op het geval waarin
secde
verandering van het vermogen van partijendoor het ontstaan van verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling (door de vernietiging) bezwaarlijk is. Art. 3:53 lid 2 BW Pro ziet op gevallen waarin ongedaanmaking van de reeds ingetreden feitelijke gevolgen van de rechtshandeling bezwaarlijk is, geabstraheerd van de vraag of het
op zichbezwaarlijk is dat het vermogen van partijen wordt aangepast door het ontstaan van verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het lijkt er verder niet op dat “
bezwaarlijk” in de zin van art. 3:53 lid 2 BW Pro een vastomlijnde betekenis heeft. Wat “
bezwaarlijk” is, zal afhangen van een afweging van de belangen van partijen en derden in het licht van de omstandigheden van het geval. Voor het toekennen van een geldbedrag in de zin van art. 3:53 lid 2 BW Pro moet sprake zijn van een “
onbillijk” voordeel voor een partij en een nadeel voor de wederpartij die zijn veroorzaakt
doorde correctie op de werking van vernietiging. [45] Verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen niet zelf een dergelijk voordeel of nadeel zijn, omdat zij direct voortvloeien uit de vernietiging en dus niet een gevolg zijn van een correctie op de normale werking van vernietiging.
heeft” en de aandelen in beginsel moet “
teruggeven” is dus onbegrijpelijk en/of onjuist. Onbegrijpelijk en/of onjuist is ook het oordeel van het hof dat van bezwaarlijkheid in de zin van art. 3:53 lid 2 BW Pro sprake is omdat de aandelen door tijdsverloop en het faillissement en de doorstart van PSS “
niet materieel in exact dezelfde staat” kunnen worden teruggegeven.
als gevolg van een correctie op de werking van de vernietiging van de Koopovereenkomst. De door het hof in rov. 3.24. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest genoemde stellingen van ABC Hekwerk Participatie zijn gelet hierop, en anders dan rov. 3.25. van het Tussenarrest suggereert, onvoldoende voor het opleggen van een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW Pro, nog daargelaten of ABC Hekwerk Participatie deze stellingen in dit verband heeft ingenomen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat van een voordeel voor Rookie sprake is dat is ontstaan door een correctie op de werking van de vernietiging van de Koopovereenkomst, meen ik dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is, nu het hof als gezegd in mijn lezing aan de vernietiging niet de normale werking heeft ontzegd. [53] In het onwaarschijnlijke geval dat de bestreden arresten toch zo moeten worden uitgelegd dat het hof op de voet van art. 3:53 lid 2 BW Pro aan de vernietiging van de Koopovereenkomst de werking heeft ontzegd door (enkel) de rechtsgrond voor de levering van de aandelen in stand te laten, brengt dat voor Rookie op zich het (geringe) voordeel mee dat zij de aandelen heeft en voor ABC Hekwerk Participatie het (geringe) nadeel dat zij de aandelen niet heeft. [54] Dit heeft ABC Hekwerk Participatie kennelijk niet aan haar beroep op een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW Pro
ten grondslag gelegd. En op zijn beurt heeft het hof dit, gelet op het kennelijk ontbreken van een beroep hierop door ABC Hekwerk Participatie, ook niet aan zijn oordeel over een geldelijke uitkering op basis van art. 3:53 lid 2 BW Pro ten grondslag gelegd. [55] Een blik in de gedingstukken leert dat ABC Hekwerk Participatie aan haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW Pro ten grondslag heeft gelegd dat PSS door toedoen van Rookie failliet is gegaan, dat ABC Hekwerk Participatie bij volledige terugbetaling van de Koopprijs “
onbillijk wordt benadeeld”, en dat het aan Rookie te wijten is dat de aandelen en de bijbehorende onderneming niet kunnen worden teruggeleverd aan ABC Hekwerk Participatie. [56] Dat ABC Hekwerk Participatie zich niet heeft beroepen op de waarde van de aandelen in het kader van art. 3:53 lid 2 BW Pro valt ook te begrijpen: de aandelen in PSS lijken door het faillissement en de doorstart van PSS niet veel meer waard. [57]
wat het bewezen acht, op basis van de daarvoor gehanteerde uitgangspunten die het hof in de in cassatie onbestreden rov. 7.2.-7.4. van het Eindarrest heeft benoemd. Met de overweging in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest dat het hof niet bewezen acht dat de onderneming structureel verlieslatend was, heeft het hof geen bewijslast opgedragen aan Rookie. Bewijswaardering is iets anders dan bewijslastverdeling of bewijslevering. Overigens heeft Rookie in cassatie niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 7.2. en 7.4. (a) dat Rookie de bewijslast draagt voor de feiten en omstandigheden die het rechtsgevolg van Vordering 3 meebrengen, zodat van dit oordeel moet worden uitgegaan. [61]
structureelverlieslatend was op de in de stellingen van Rookie genoemde momenten. Het hof heeft in rov. 7.5. (a), vijfde alinea, van het Eindarrest bewezen geacht dat “
PSS minder of niet winstgevend” was, “
zowel voor als na de overname”. Daarna heeft het hof in de laatste alinea van dezelfde rechtsoverweging geoordeeld dat het niet bewezen acht dat de onderneming van PSS
structureelverlieslatend was (ten opzichte van de voorstelling van zaken van Rookie bij de aanloop naar de overname). [66] En in rov. 7.5. (c) (vi) van het Eindarrest heeft het hof nog bewezen geacht ten aanzien van de vraag of de winst in het jaar na de overname (2013) tot de periode waarin de merknaam is gedeponeerd goed was en naar verwachting verliep, dat “[d]
e waarheid(…)
in het midden” ligt, dat de cijfers “
weliswaar min of meer langs de lijnen van de voorgaande periodes” lagen of “
zelfs enigszins hoger dan voorgaande periodes” waren, en dat ABC Hekwerk Participatie c.s. “
niet geheel ongelijk had toen zij wees op de bestendige lijn in de onderneming”.
afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten” (rov. 7.5. (a), laatste alinea, van het Eindarrest).
Structureelverlieslatend zijn, betekent volgens het hof dat voldoende zeker is dat de onderneming (ook) in de toekomst slechts negatieve resultaten zal behalen. Dat laatste stond volgens het hof in de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst niet vast, ook gelet op de in randnummer 3.20 weergegeven bewijsoordelen. Ik acht dat niet onbegrijpelijk (mede) in het licht van het
als zodanig niet expliciet en ook niet specifiek bestredenbewijsoordeel van het hof dat het succes van de onderneming van PSS vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten. Ik merk daarbij nog op dat óók Rookie gelet op de inhoud van verschillende stellingen waarnaar zij in voetnoten 17-19 van de procesinleiding heeft verwezen ervan is uitgegaan, zij het soms wat impliciet of (zeer) sceptisch, dat het faillissement van PSS (door een goede samenwerking tussen partijen) wellicht had kunnen worden voorkomen. [67] Verder merk ik nog op dat de stellingen waarnaar Rookie in voetnoten 17-19 van haar procesinleiding heeft verwezen geregeld (ook) zien op de periode na het sluiten van de Koopovereenkomst. De door de klacht gewraakte overweging van het hof in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest ziet echter op de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst – zo begrijp ik het hof.
winst” (ook) de brutowinstmarge heeft verstaan. [71] Voor zover de klacht deze overweging of de gedingstukken anders leest, mist de klacht feitelijke grondslag. Brutowinstmarge is mijns inziens een niet onbegrijpelijke maat voor winst in algemene zin. Dat bij een positieve brutowinstmarge sprake kan zijn van een netto verlies, maakt dit niet anders. Van een onjuist of onbegrijpelijk oordeel of het verlaten van de feitelijke grondslag is hier geen sprake.
cijfers” van PSS gewaardeerd. Ik begrijp de klacht zo dat deze niet is gericht tegen de door het hof bewezen geachte inhoud van deze “
cijfers” voor zover het hof met “
cijfers” de brutowinstmarge heeft bedoeld. Ik meen dat het hof met “
cijfers” inderdaad (ook) de brutowinstmarge heeft bedoeld. Zie randnummer 3.25 hiervoor. In die lezing – die is bestand tegen de in randnummer 3.25 besproken klacht – is het gelet ook op de in rov. 7.5. (c) van het Eindarrest gegeven motivering geenszins onbegrijpelijk dat het hof ten aanzien van de vraag of de winst goed was, heeft geoordeeld dat de waarheid in het midden ligt. Het ontbreken in deze overweging van een expliciete vermelding van het onderscheid tussen winst en brutowinstmarge dat Rookie maakt (zie de stellingen waarnaar voetnoten 21-23 van de procesinleiding verwijzen), leidt er niet toe dat de overweging van het hof onjuist of onbegrijpelijk is. Het vermelden van dit onderscheid zou ook niet tot een met rov. 7.5. (c) strijdige bewijswaardering hebben geleid. De stellingen van Rookie waarnaar zij in voetnoten 21-23 verwijst, maken verder ook niet dat de overweging onbegrijpelijk is, nog los van de vraag of ABC Hekwerk Participatie c.s. deze stellingen hebben betwist. Ten slotte: het hof heeft (impliciet) wel degelijk het door Rookie gemaakte onderscheid besproken door te refereren aan de brutomarge, verwachtingen van Rookie en de (onjuiste) uitgangspunten daarbij, en de winstgevendheid en liquiditeit van PSS. [72]
Rookie heeft de merknaam van de ABC-bedrijven gedeponeerd in de wetenschap dat die merknaam haar niet toekwam en wel toebehoorde aan de ABC-bedrijven. Rookie was niet bereid de merknaam op eerste verzoek over te dragen aan de ABC-bedrijven.” [82] De rest van de met deze klacht bestreden oordelen is een herhaling van dit oordeel of bouwt hierop voort. Dat het hof deze keuzes van Rookie onjuist of niet verantwoord heeft genoemd, is geenszins onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de hiervoor weergegeven stellingen. De belangrijkste reden daarvoor is dat Rookie volgens het hof wist dat de merknaam haar niet toekwam. De oordelen dat Rookie met de weigering om gehoor te geven aan het verzoek om de merknaam over te dragen welbewust het risico nam dat de vertrouwensband en de samenwerking met de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven onherstelbaar zouden worden beschadigd, dat dit risico zich heeft verwezenlijkt, en dat
eenbelangrijke oorzaak van het faillissement van PSS
deze gang van zakenwas, vloeien niet onbegrijpelijk voort uit de door het hof niet verantwoord geachte keuzes van Rookie. De hiervoor in randnummer 3.29 weergegeven stellingen van Rookie maken dat niet anders. Integendeel: de stellingen van Rookie bevestigen eerder dat de samenwerking is beschadigd door deze keuzes van Rookie.
gang van zaken”, met name de stukgelopen samenwerking, als
eenbelangrijke oorzaak van het faillissement heeft aangemerkt. Het hof heeft daarin in ieder geval
nietgeoordeeld dat de niet verantwoorde keuzes van Rookie om de merknaam te deponeren en niet terug te geven
de enige of belangrijksteoorzaak zijn geweest van het stuklopen van de samenwerking en/of het faillissement van PSS. Het hof heeft daarin ook niet geoordeeld dat Rookie deze keuzes heeft gemaakt met het oogmerk om de samenwerking te frustreren. Zie randnummer 3.30 hiervoor.
De curator van PSS heeft in het faillissement belangrijke activa verkocht aan de concurrent. Daarnaast was PSS door het faillissement niet meer beschikbaar voor samenwerking met ABC-bedrijven. De ABC-bedrijven stonden door deze gebeurtenissen voor belangrijke uitdagingen in hun ondernemingen.
Deze uitdagingen betroffen praktische en operationele aspecten en ook de reputatie van de organisatie en de band met klanten. In die zin hebben de ABC-bedrijven in verschillende opzichten nadeel geleden door het faillissement van PSS.
Niets is bewezen waaruit volgt dat ABC een dergelijk plan had. Duidelijk is geworden dat ABC met de nieuwe onderneming, reageerde op het faillissement van PSS en naar bevind van zaken regelingen heeft getroffen voor haar onderneming en de daaraan gelieerde licentienemers.”
in de kerngesteld dat deze beweerdelijke schade niet in de risicosfeer van ABC Hekwerk Participatie c.s. ligt maar in die van Rookie, PSS en/of Euro Barrier. [94] Het hof heeft dit verweer kennelijk en – als gezegd – niet onbegrijpelijk zo uitgelegd dat ABC Hekwerk Participatie c.s. daarmee hebben betoogd dat deze beweerdelijke schade nauw verband houdt met de talrijke keuzes die in de onderneming (en bij Euro Barrier) zijn gemaakt en met het verwezenlijkte ondernemingsrisico, waardoor volgens het hof geen sprake is van een art. 6:98 BW Pro-verband. Zie in dit verband nog randnummers 2.20 en 3.17-3.19 hiervoor, en het bewijsoordeel van het hof in rov. 7.5. (a)-(d) van het Eindarrest.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen de beweerdelijke schade van Rookie en onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. Het middel bestrijdt deze overweging voor zover deze inderdaad zo moet worden gelezen dat het hof het hiervoor bedoelde
condicio-sine-qua-non-verband hierin aanwezig heeft geacht.
condicio-sine-qua-non-verband mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in deze overweging in het midden gelaten of sprake is van een
condicio-sine-qua-non-verband tussen beweerdelijke schade van Rookie en onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. en heeft geoordeeld dat het in art. 6:98 BW Pro bedoelde causaal verband ontbreekt. Gelet op de door het hof in deze rechtsoverweging beoordeelde schade (“
kosten en verliezen uit onderneming, en kosten en verliezen vanwege het faillissement van Eurobarrier”) en de in de vierde alinea van rov. 8. van het Eindarrest toegewezen vordering, heeft het gedeelte van rov. 7.6. (d) van het Eindarrest over het causaal verband betrekking op Vordering 3 en niet op Vordering 2. [103] Rov. 7.6. (d) van het Eindarrest gaat in dit gedeelte dus niet over de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het gedeelte van de waarde van de post onderhanden werk op de Overnamebalans dat onjuist is (Vordering 2). Dat het hof het beroep van Rookie op dwaling als gevolg van onjuiste inlichtingen heeft gehonoreerd, [104] betekent verder niet dat het hof daarmee ten aanzien van Vordering 3 heeft geoordeeld dat het hiervoor bedoelde
condicio-sine-qua-non-verband aanwezig is. [105] Nogmaals: het hof heeft dit in het midden gelaten.
condicio-sine-qua-non-verband, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van het incidenteel cassatieberoep. Aan die voorwaarde is gelet op randnummers 4.1-4.2 hiervoor immers niet voldaan.
5.Slotsom en afdoeningswijze
primaireVordering 1 niet wordt toegekomen aan de
subsidiaireVordering 2; [108]
voor zover [verweerder 2]in die rechtsoverwegingen verplicht wordt iets te betalen (hiermee komt ook de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring in rov. 3.6. (gedeeltelijk) en de hoofdelijke aansprakelijkheid te vervallen); [109]
verklaring voor rechtdat ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken, die Rookie heeft gevorderd [110] in aanvulling op het primair en subsidiair gevorderde (zonder daarbij te bepalen dat een schadevergoedingsbedrag is verschuldigd); [111]
aannemelijk is dat (…)[dwalende partij, A-G]
ook bij afwezigheid van de dwaling voor afdekking van het renterisico zou hebben gekozen”. [122] Dit correctiemechanisme vloeit voort uit het stelsel van de wet en (andere) in de wet geregelde gevallen en houdt het volgende in: de verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling worden (zoveel mogelijk) ingericht naar de positie waarin de dwalende partij zou verkeren als zij niet zou hebben gedwaald. [123] Deze correctie geldt dus voor de situatie waarin partijen een andere overeenkomst zouden hebben gesloten als er geen sprake was geweest van dwaling en die andere overeenkomst (naast eventuele voordelige gevolgen ook) nadelige gevolgen zou hebben gehad voor de dwalende partij, waardoor volledige ongedaanmaking van de werkelijk aangegane overeenkomst, inclusief de daarmee gepaard gaande (financiële) consequenties, ook in het licht van de belangen van de wederpartij, niet gerechtvaardigd hoeft te zijn. [124] Uw Raad benadrukt de bijzonderheden van renteswaps die (mede) aanleiding geven tot het toepassen van deze correctie (rov. 3.6.6), waardoor niet zeker is of deze correctie ook kan worden toegepast buiten de sfeer van de renteswaps.
nietheeft ontzegd noch tegen het oordeel dat daarom
in beginselde gehele koopprijs moet worden terugbetaald, zodat van deze oordelen moet worden uitgegaan. [125] Ook klaagt ABC Hekwerk Participatie er niet over dat het hof een ander correctiemechanisme had moeten toepassen. Gelet op de eveneens onbestreden uitleg van het hof van de stellingen van ABC Hekwerk Participatie moet ervan worden uitgegaan dat ABC Hekwerk Participatie in feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan op een andere correctie op de gevolgen van vernietiging dan art. 3:53 lid 2 BW Pro (zie randnummers 2.10-2.11, 2.13-2.14, 2.22 en 2.24 hiervoor). De inhoud van het verweer en de aangevoerde feitelijke grondslag daarvoor van ABC Hekwerk Participatie zijn niet in geschil. De rechter heeft in deze zaak verder geen (ambtshalve) onderzoek buiten het verweer van ABC Hekwerk Participatie om gedaan en uitdrukkelijk geen andere verweren van ABC Hekwerk Participatie als een te beoordelen geschilpunt aangemerkt (zie eveneens randnummers 2.10-2.11, 2.13-2.14, 2.22 en 2.24 hiervoor). Ook dit is in cassatie onbestreden. Verder heeft het hof als gezegd de reconventionele vorderingen tot vergoeding van schade afgewezen, [126] en ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben hiertegen geen klachten gericht in cassatie, zodat ook van die afwijzing moet worden uitgegaan.