Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeelde verdachte tot 25 jaar gevangenisstraf wegens voortgezette handeling van moord met voorbedachte raad en poging tot doodslag. Het hof stelde vast dat verdachte na een ruzie in een snack zijn vriendin thuisbracht en daarna terugkeerde om het slachtoffer te schieten.
De verdediging stelde in cassatie dat de bewijsconstructie onvoldoende was, met name over het begrip voorbedachte raad en het opzet ten aanzien van poging tot doodslag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende en juiste motivering gaf voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad, waarbij de tijdspanne van ongeveer tien minuten tussen besluit en uitvoering doorslaggevend was. Ook het voorwaardelijk opzet ten aanzien van poging tot doodslag werd bevestigd, omdat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat ook anderen geraakt konden worden.
De Hoge Raad verwierp de klachten over de bewijsvoering en de rechtsopvatting en bevestigde de strafoplegging. Er waren geen contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad en de gedragingen van verdachte wezen op bewuste en weloverwogen besluitvorming. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.