Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
17 december 2013.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1980, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, maar constateerde ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaar verminderd tot negentien jaar en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en het arrest werd in zoverre vernietigd.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 17 december 2013, waarbij de raadsheren Splinter-van Kan, Groos en Van den Brink het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig jaar tot negentien jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.