Conclusie
Het eerste middel
Hem [ [slachtoffer] ] tevens duidelijk gemaakt dat als wij met de OvJ iets willen regelen, hij tegen ons wel open kaart moet spelen endat we moeten duidelijk maken hoe ernstig e.e.a. is. Verder dan een zevental kwekerijen kwam rapporteur nog niet maar [slachtoffer] liet het achterste van zijn tong nog niet zien.Is niet zwaarwegend genoeg voor zware maatregelen." (onderstrepingen raadsman).
volledig herstel” van een verzuim als dit “
veelal geen sprake kan zijn”. Immers, zo overweegt de rechtbank, is een getuige al eerder gehoord door de politie. In een tweede verhoor kan dan in detail worden doorgevraagd, terwijl - ik citeer de rechtbank Amsterdam - het
"een feit van algemene bekendheid [is] dat de verdediging haar vragen vanuit een andere hoek stelt dan dat de politie dat doet. Voor de waarheidsvinding is een dergelijk tweede verhoor in aanwezigheid van alle partijen dan ook van groot belang.
fruits of the poisonous treeen dienen te worden uitgesloten.
NJ2021/169, m.nt. Jörg met betrekking tot vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
Ten eerste de bedoelde inbeslagneming en voeging.Volgens de steller van het middel is de verwerping van het verweer ten aanzien van het kennisnemen van en het voegen in het dossier van inbeslaggenomen geheimhouderstukken ontoereikend verworpen, omdat het hof zich zou hebben beperkt tot een oordeel over de inbeslagneming van deze stukken, terwijl het verweer van de verdediging “zich (tevens) keert tegen de voeging van die stukken in het dossier”. Deze opvatting berust mijns inziens op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het oordeel van het hof – dat in het arrest nota bene staat onder het hoofd “Voeging geheimhouderstukken” – heeft wel degelijk ook betrekking op de voeging van de inbeslaggenomen geheimhouderstukken in het dossier. Het hof overweegt daarover immers dat het ten tijde van de inbeslagname voor de politie op dat moment niet kenbaar en duidelijk was en ook niet kón zijn dat het om geheimhouderstukken ging, en dat toen eenmaal daarvan bleek de stukken door de rechter-commissaris uit het dossier zijn verwijderd en vernietigd.
daadwerkelijkconcreet nadeel heeft geleden door dit vormverzuim.
Ten tweede het ontbreken van een auditieve registratie.De steller van het middel is van mening dat dat de verwerping van het verweer op dit onderdeel ontoereikend is gemotiveerd. In dat verband wordt gewezen op hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd, te weten dat (i) de aangever ( [slachtoffer] ) een motief had om de zaak zwaarder aan te zetten om zodoende afspraken met de officier van justitie te kunnen maken en (ii) het er alle schijn van heeft dat de aangifte nodig was om de inzet van BOB-middelen geaccordeerd te krijgen. Deze omstandigheden maken volgens de steller van het middel dat “de waarheidsvinding onherstelbaar is geschaad”. Het oordeel van het hof “dat met het latere verhoor en de latere opnames dit alles is gecompenseerd, is niet zonder meer begrijpelijk”, aldus de steller van het middel. Het waarom blijft evenwel achterwege.
Ten derde de klacht over het oordeel van het hof over de ongeoorloofde parallelle opsporing.Het desbetreffende, ter terechtzitting gevoerde, verweer van de raadsman ziet eveneens op een ‘verhoor’ van [slachtoffer] , maar nu dat van 28 januari 2015. [slachtoffer] zou toen aanvullend door de politie zijn gehoord buiten de verdediging en de rechter-commissaris om. De raadsman verbindt in zijn verweer daaraan de gevolgtrekking dat met deze gang van zaken zeer onzorgvuldig is gehandeld en de waarheidsvinding geweld is aangedaan en dat onder die omstandigheden de parallelle opsporing “zonder meer onrechtmatig” is te noemen. De steller van het middel voert aan dat naar de mening van de verdachte “hier – net als bij het tweede vormverzuim – niet zonder meer begrijpelijk is dat het verzuim zou zijn gecompenseerd door de aangever later (en eenmalig) als getuige te mogen bevragen”. Ook valt in dit verband in de schriftuur te lezen: “Ten slotte meent de verdediging dat de beslissing c.q. beslissingen van het hof omtrent de enkele constatering van het tweede en derde vormverzuim tevens ontoereikend zijn gemotiveerd nu het hof deze verzuimen afzonderlijk heeft beoordeeld, terwijl het verweer deze verzuimen vanwege de inhoudelijke verknochtheid in onderlinge samenhang aan het hof heeft voorgelegd”.
niettot het oordeel gekomen dat met betrekking tot het door de verdediging opgeworpen punt van de parallelle opsporing sprake is van een onrechtmatigheid, laat staan van een vormverzuim. [1] Het oordeel van de rechtbank, waarmee het hof zich heeft verenigd, luidt dat er in beginsel geen rechtsregel is die zich tegen de door de rechtbank beschreven feitelijke gang van zaken verzet. Dit verklaart ook dat in het bestreden arrest onder het hoofd “Ongeoorloofde parallelle opsporing” niet wordt gerept van een rechtsgevolg te verbinden aan het door de verdediging gestelde vormverzuim c.q. van enkele constatering van een vormverzuim als door de verdediging bedoeld. En dat verklaart eveneens dat de gestelde ‘ongeoorloofde parallelle opsporing’ (geen vormverzuim) door het hof afzonderlijk is besproken en dus afgescheiden zijn oordeel over het gestelde ‘ontbreken van een auditieve registratie van het eerste verhoor van [slachtoffer] ’.
derdemiddel behelst de klacht dat het hof zonder toereikende motivering is afgeweken van het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging ingenomen en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv. Het
vierdemiddel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 18-830182-15 ontoereikend heeft gemotiveerd omdat (i) de bewezenverklaring in overwegende mate rust op de verklaring van één getuige terwijl de door die getuige gereleveerde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal, en/of (ii) een mening, gissing of gevolgtrekking voor het bewijs is gebezigd. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
de auditu-verklaring) kan op zichzelf niet als steunbewijs dienen. Dat kan anders zijn voor eigen waarnemingen van de
de auditu-getuige. [4] Het steunbewijs hoeft bovendien niet rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit te bevestigen, maar er mag geen te ver verwijderd verband bestaan tussen de betreffende verklaring en het steunbewijs. [5]
vermoedente hebben waarvoor de verdachte was aangehouden. Ik meen niet dat dit een ontoelaatbaar vermoeden is zoals hierboven bedoeld. Het vermoeden heeft namelijk enkel betrekking op de reden van aanhouding.