Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- verrichten medische controles;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het meewerken aan de ambulante behandeling;
- opnemen in een accommodatie. [1]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De eerste klachtziet op de vraag of een voorwaardelijke machtiging onder de Wet Bopz meetelt bij de berekening van de vijf jaren aaneengesloten zorg waarna een machtiging voor twee jaar kan worden verleend (art. 6:5 onder Pro c Wvggz). De klacht betoogt dat nu onder de Wet Bopz een voorwaardelijke machtiging niet meetelt voor de periode van vijf jaar, dat onder de Wvggz niet is veranderd. Er kan volgens de klacht niet met terugwerkende kracht een andere betekenis aan de bepalingen onder de Wet Bopz worden gegeven.
De tweede klachtstelt dat er tussen 6 oktober 2017 en 18 oktober 2017 en tussen 12 april 2020 en 27 mei 2020 een onderbreking zit tussen de machtigingen, zodat ook om die reden niet voldaan is aan de voorwaarden om een machtiging voor twee jaar op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.