Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Het hof:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
reformatio in peiusgeschonden (par. 2.1-2.11 van de procesinleiding).
enerzijdsde looptijd van de schuldsaneringsregeling maximaal heeft verlengd zodat de schuldenaar alsdan (alsnog) een definitieve schone lei kan worden verleend, waarbij de rechtbank heeft willen bewerkstelligen dat de (reguliere) verplichtingen niet meer (volledig) van kracht zijn (eerste volzin rov. 3.10.2); en
anderzijdsalvast heeft geoordeeld dat de schuldenaar een schone lei kan worden verleend vanaf de datum van uitspraak van het vonnis (derde volzin rov. 3.10.2).
waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld’ (art. 352 lid 1 Fw Pro). Op deze zitting, of kort daarna, doet de rechtbank uitspraak over de vraag of de schuldenaar, kort gezegd, aan de op hem rustende schuldsaneringsverplichtingen heeft voldaan en of een eventuele toerekenbare tekortkoming van de schuldenaar buiten beschouwing blijft (art. 354 Fw Pro). Dat is bepalend voor het later verkrijgen van de ‘schone lei’ als bedoeld in art. 358 Fw Pro.
Ik verzoek het Hof het vonnis van de rechtbank Limburg te bekrachtigen.’ Het is dus terecht dat het hof de bewindvoerder niet als incidenteel appellant heeft aangemerkt. [15]
bepaalt dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn;”
bepaalt dat:
Redenen waarom’ (p. 4) is opgenomen (mijn onderstreping):
het gerechtshof wordt verzocht het bestreden vonnis van de rechtbank Limburgte vernietigen voor zoverdaarbij is overwogen en geoordeeld dat [de schuldenaar] uiterlijk 20 november 2023 zelf een bedrag van € 2.132,31 achterstallige alimentatie aan de boedel moet afdragen en, indien [de schuldenaar] dat niet doet, dit kan resulteren in ontneming van de bij het vonnis verleende schone lei.”
Grief’ (p. 3) en onder ‘
Toelichting’ (p. 3-4) is tot uitdrukking gebracht dat de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder hun hoger beroep hebben beperkt tot de beslissing ten aanzien van de achterstallige alimentatie.
alleendeze beslissing hebben bestreden. Nu geen sprake is (en evenmin kan zijn) van incidenteel beroep van de bewindvoerder, was de omvang van het hoger beroep dus beperkt tot de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de achterstallige alimentatie. De regels over de omvang van het hoger beroep gelden immers ook in schuldsaneringszaken. [16]
buitenzijn beoordelingsbereik bevonden. Hiermee heeft het hof zich begeven in kwesties die niet aan zijn beslissing onderworpen waren, waarmee het de grenzen van het zijn beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
reformatio in peius’). Zij ziet zich immers in hoger beroep geconfronteerd met een arrest waarin haar níet de schone lei is toegekend, en bovendien de looptijd van de schuldsaneringsregeling (opnieuw) is verlengd. Een dergelijke verslechtering van de positie van appellant in hoger beroep is niet toegestaan. [19]
subonderdelen 2(b) t/m 2(f)hebben betrekking op de beslissingen van het hof ten aanzien van de achterstallige alimentatie. De situatie is als volgt: de schuldenaar heeft recht op een bedrag aan achterstallige alimentatie van in totaal € 2.132,31; deze vordering valt in de boedel, maar is nog niet geïnd bij de betreffende ex-partners van de schuldenaar, en het is onzeker of volledige inning mogelijk is.
een boedelachterstand, deels veroorzaakt door achterstallige alimentatiebetalingen’. Kennelijk is dit echter geen aanleiding geweest voor de rechtbank om de looptijd van de schuldsaneringsregeling nogmaals te verlengen en evenmin om de schuldenaar de schone lei te onthouden. Wel heeft de rechtbank in rov. 3.4 van het dictum bepaald dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn. Volgens de rechtbank kan namelijk pas financieel afgewikkeld worden als de boedel volledig op peil is (rov. 2.4).
de boedelachterstand voor het hof aldus een gegeven is’ geen stand houdt. Overigens hád de rechtbank ook niet geoordeeld dat sprake is van een boedelachterstand van € 2.132,31. De rechtbank heeft immers overwogen dat de geconstateerde boedelachterstand € 2.494,81 bedroeg, en dat die achterstand volledig is voldaan door de schuldenaar (rov. 2.2 en 2.3 van het in hoger beroep bestreden vonnis van 14 juni 2022). Van een boedelachterstand is dus geen sprake.
onzekere batenvan de boedel. In een uitspraak uit 2014 [24] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bewindvoerder ervoor kan kiezen om dergelijke baten voorwaardelijk in de slotuitdelingslijst op te nemen, in die zin dat als die baten worden gerealiseerd dat leidt tot een aanvullende uitkering aan de schuldeisers. [25] De bewindvoerder kan er ook voor kiezen om op redelijke gronden af te zien van het (trachten te) realiseren van dergelijke baten, al dan niet voorlopig, en zulke baten niet in de slotuitdeling te betrekken en, indien dergelijke baten nadien alsnog worden gerealiseerd of realiseerbaar blijken, deze te behandelen als bate in de zin van art. 194 Fw Pro (de zogenaamde ‘nagekomen bate’).
vernietigt het vonnis waarvan beroep’, een verschrijving is, en dat het hof bedoeld heeft te beslissen conform hetgeen daarna is vermeld (‘
vernietigt (…) voor zover’). Voor het overige was het vonnis immers niet onderworpen aan het oordeel van het hof.