Conclusie
[aangever] :
[getuige 1] :
Lichaamsdeel: Rug
de forensische arts van de GGD-Amsterdam, [arts]over de verwondingen van het slachtoffer [aangever] :
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 januari 2019.
NJ2022/77, m.nt. Vellinga naar aanleiding van een zaak die een poging tot doodslag betreft. Deze vooropstelling luidt als volgt:
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk is de Hoge Raad nader ingegaan op het begrip ‘aanmerkelijke kans’. Onder de ‘naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ is te verstaan “de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid”, [1] waarmee “geen wezenlijke andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking [is] gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954,
NJ1955/55, gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans” (r.o. 5.3.2).” De Hoge Raad heeft in dezelfde rechtsoverweging benadrukt dat hij “geen algemene regels [kan] geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken”.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Verklaring [getuige 1]
‘
U vraagt mij of ik een stekende beweging heb gezien. Dat heb ik niet gezien. Ik denk wel dat hij nog vaker gestoken is. Ik heb dat niet gezien, maar dat leid ik af aan de hoeveelheid bloed.’
NJ2022/43, m.nt. Reijntjes. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat ook als geen sprake is van een onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige het in bijzondere gevallen voor de begrijpelijkheid van het bewijsoordeel noodzakelijk kan zijn dat de rechter motiveert op welke gronden hij de verklaring van een getuige betrouwbaar acht. Een dergelijk geval kan zich voordoen als (i) de rechter de tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring die de getuige nadien heeft ingetrokken dan wel op essentiële onderdelen en in ontlastende zin heeft gewijzigd, voor het bewijs gebruikt en (ii) de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op die tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. De gronden voor de beslissing dat de betreffende verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt, kunnen (maar hoeven niet te) zijn ontleend aan een verhoor van de getuige. Of in het concrete geval de motivering van de bewezenverklaring toereikend is, is mede afhankelijk van de procesopstelling van de verdachte en van wat overigens uit de uitspraak kan worden opgemaakt over de gronden waarop de rechter de getuigenverklaring betrouwbaar heeft bevonden.
Het derde middel en de bespreking daarvan
Poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel (subsidiair)
(2) [getuige 1] heeft verklaard stekende bewegingen te hebben gezien op de balustrade;
(3) cliënte zou op punten tegenstrijdig hebben verklaard.
‘U vraagt mij of ik een stekende beweging heb gezien. Dat heb ik niet gezien. Ik denk wel dat hij nog vaker gestoken is. Ik heb dat niet gezien, maar dat leid ik af aan de hoeveelheid bloed.’
NJ2016/316, m.nt. Rozemond in r.o. 3.1.2 heeft overwogen. Ik haal daaruit het volgende aan (met weglating van de voetnoten). Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer of noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
NJ2022/178, m.nt. Machielse is mijn ambtgenoot Harteveld uitgebreid ingegaan op de maatstaf ‘niet aannemelijk geworden’, dit naar aanleiding van het eerste middel in die zaak, dat, met een beroep op het internationale recht, deze maatstaf als zodanig ter discussie stelde. [8] Na een verkenning van ook andere strafprocessuele beslissingen waarbij de ‘(niet) aannemelijkheid’ de maatstaf is, de vakliteratuur (waarin ook wel wordt gepleit voor vervanging door het criterium ‘zeer onwaarschijnlijk’), de rechtspraak van het EHRM over art. 6, tweede lid, EVRM en Richtlijn 2016/343, komt Harteveld tot de slotsom dat hij geen noodzaak ziet om de maatstaf van de “aannemelijkheid” bij de beoordeling van excepties te vervangen. Wel, zo sluit hij dit punt af, “bestaat enige ruimte om te expliciteren dat het in dubio pro reo-beginsel hier onverkort van toepassing is, opdat – ook daarover – geen redelijke twijfel meer behoeft te bestaan”. In dat arrest van 29 maart 2022 overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende:
onderhavigezaak heeft het hof het beroep op noodweer(exces) verworpen en daartoe overwogen dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden voor het aannemen van een noodweersituatie en dat hetgeen door de raadsvrouw hieromtrent is gesteld naar aanleiding van wat zich in de woonkamer van de verdachte zou hebben afgespeeld, dit niet anders maakt. Anders gezegd: volgens het hof geeft het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie voor een noodweersituatie. In de overwegingen van het hof ligt tevens als zijn oordeel besloten dat de door de verdediging gestelde wederrechtelijke aanranding, althans een ogenblikkelijk dreigend gevaar daarvoor – volgens de verdachte in haar verklaring ter terechtzitting: seksuele handelingen jegens haar en een daaropvolgende worsteling; volgens de raadsvrouw in haar pleidooi: seksuele toespelingen en slaan en duwen – niet aannemelijk is geworden, of de steekpartij nu binnenshuis of buitenshuis heeft plaatsgevonden. Het beroep op noodweer(exces) is daarmee aan de hand van de juiste maatstaf beoordeeld. En hoewel een iets uitvoeriger motivering niet zou hebben misstaan, [9] meen ik dat dit oordeel ook in het licht van wat de verdachte en haar raadsvrouw daaraan in het verweer ten grondslag hebben gelegd toereikend is gemotiveerd.
Conclusie