Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
NJ 2004/675, rov. 3.5).
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een minipistool en bijbehorende munitie, welke volgens het NFI onder de Wet wapens en munitie vallen. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het voor hem onduidelijk was of het wapen onder de wet viel, mede door tegenstrijdige informatie van politie en justitie over de jaren heen.
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat verdachte op de hoogte was van de verboden status van het wapen, mede vanwege eerdere veroordeling en het NFI-rapport. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en herhaalt dat voor een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling vereist is dat verdachte in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was.
De Hoge Raad acht het niet aannemelijk dat verdachte zich in een dergelijke verontschuldigbare onbewustheid bevond. Het feit dat verdachte slechts vond dat het onduidelijk was, volstaat niet. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen en de veroordeling voor bezit van het minipistool wordt bevestigd.