ECLI:NL:PHR:2022:843
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vijf afzonderlijke schenkingen onder opschortende voorwaarden geen periodieke uitkering vormen voor schenkbelasting
In deze zaak stond centraal of vijf afzonderlijke notariële akten van schenking, allen verleden op dezelfde dag in 2013, fiscaal als één periodieke uitkering moeten worden beschouwd of als vijf afzonderlijke schenkingen. Vier van de schenkingen waren onder opschortende voorwaarden dat de langstlevende ouder op een bepaald moment in de toekomst in leven moest zijn. De Staatssecretaris van Financiën stelde dat het hier ging om een periodieke uitkering, waardoor de contante waarde van de uitkeringen in 2013 belast moest worden.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelden dat de schenkingen civielrechtelijk als vijf afzonderlijke rechtshandelingen moeten worden gezien en dat de opschortende voorwaarden ertoe leiden dat de schenkingen fiscaal gespreid over de jaren van vervulling van de voorwaarden tot stand komen. Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat sprake was van een periodieke uitkering en dat een zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie gerechtvaardigd was.
De Hoge Raad bevestigde deze lijn en stelde dat het uitgangspunt is dat de Successiewet aansluit bij de civielrechtelijke verhoudingen. De opschortende voorwaarden zijn volgens de Hoge Raad terecht als zodanig uitgelegd en de schenkingen zijn niet te kwalificeren als één periodieke uitkering. De klachten van de Staatssecretaris werden ongegrond verklaard. Hiermee blijft de heffing van schenkbelasting per jaar en per afzonderlijke schenking van toepassing, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de jaarlijkse vrijstellingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de vijf afzonderlijke schenkingen onder opschortende voorwaarden niet als één periodieke uitkering worden aangemerkt.