ECLI:NL:HR:2011:BU7268

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01265
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:177 lid 1 BWArt. 81 Overgangswet nieuw Burgerlijk WetboekArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schuldigerkenning bij overlijden in successierecht

Belanghebbende kreeg een aanslag in het recht van successie opgelegd waarbij de door haar moeder, de erflaatster, schuldig erkende bedragen niet als schuld in mindering werden gebracht. De Rechtbank Arnhem vernietigde de aanslag en stelde de schuld in aftrek, maar het Hof vernietigde dit oordeel en bevestigde dat de schuldigerkenningen pas bij overlijden opeisbaar waren en daarmee niet als schuld konden worden afgetrokken.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de schuldigerkenningen uit vrijgevigheid pas bij overlijden opeisbaar waren en dat deze daardoor vervallen bij het overlijden van de schenker, conform artikel 7:177 lid 1 BW Pro. De schenkingen waren niet tijdens het leven van de erflaatster uitgevoerd, waardoor zij niet in mindering konden worden gebracht op de successieaanslag.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van het Hof. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de schuldigerkenningen worden niet in mindering gebracht op de successieaanslag.

Uitspraak

Nr. 11/01265
9 december 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Australië (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 februari 2011, nr. 08/00535, betreffende een aanslag in het recht van successie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/1365) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot nihil.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover daarbij de aanslag is vernietigd, de aanslag verminderd en de uitspraak voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Bij onderhandse akten heeft de in Nederland woonachtige moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) schuldig erkend aan belanghebbende a) in de jaren 1996 tot en met 1999 vier maal een bedrag van ƒ 75.000, b) in het jaar 2000 een bedrag van ƒ 78.750 en c) in het jaar 2001 een bedrag van ƒ 80.320. Erflaatster heeft aldus in totaal ƒ 459.070 (€ 208.316) schuldig erkend aan belanghebbende.
3.1.2. In de onderhandse akten is telkens de volgende bepaling opgenomen:
"[Erflaatster] verklaart hierbij zuiver uit vrijgevigheid schuldig te erkennen en te schenken aan haar dochter (...) een bedrag van (...) onder de bepaling dat dit bedrag door de comparante wordt schuldig gebleven tegen een rente van vijf procent per jaar en niet opeisbaar zal zijn gedurende het leven van de comparante."
3.1.3. Op 23 oktober 2006 is erflaatster overleden. Belanghebbende was haar enige erfgename. Ter zake van de erfrechtelijke verkrijging is aan belanghebbende een aanslag in het recht van successie opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur de bij onderhandse akten schuldig erkende bedragen van in totaal € 208.316 niet als schuld op de verkrijging in aftrek toegelaten.
3.1.4. In hoger beroep was in geschil of de hiervoor in 3.1.1 bedoelde schuldig erkende bedragen als schuld in mindering komen op de met het recht van successie belaste verkrijging.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de schenkingen zijn uitbetaald met een onmiddellijke teruglening in de vorm van een direct opeisbare vordering, zodat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenkingen bij leven van erflaatster zijn uitgevoerd. Naar 's Hofs oordeel volgt daaruit dat de schenkingen zijn vervallen op grond van het bepaalde in artikel 7:177, lid 1, BW in verbinding met artikel 81 van Pro de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.
3.3. Voor zover de klachten zich hiertegen keren, heeft het volgende te gelden.
3.3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:177, lid 1, BW vervalt een schenking met het overlijden van de schenker voor zover zij de strekking heeft pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Met het begrip "uitgevoerd" in deze bepaling wordt gedoeld op de (feitelijke) nakoming van de verbintenis die uit de schenkingsovereenkomst voortvloeit.
3.3.2. De door erflaatster bij de onderhandse akten schuldig erkende bedragen waren blijkens de hiervoor in 3.1.2 weergegeven bepaling pas opeisbaar bij haar overlijden. Het Hof heeft hieraan kennelijk en - gelet op het hiervoor in 3.3.1 overwogene - terecht de gevolgtrekking verbonden dat de bij de onderhandse akten gedane schenkingen de strekking hadden pas na het leven van erflaatster te worden uitgevoerd. Hieraan doet niet af dat rente over de schuldig erkende bedragen is bedongen, ook niet indien die rente bij leven van erflaatster is betaald.
Ook 's Hofs oordeel dat de schenkingen niet bij leven van erflaatster zijn uitgevoerd geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Voor zover de klachten opkomen tegen dit oordeel en eerdergenoemde gevolgtrekking van het Hof kunnen zij derhalve niet tot cassatie leiden.
3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2011.