Conclusie
Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Bijstandverlening aan zelfstandigen ingevolge de Wwb en het Bbz 2004
5.(Aangewezen) periodieke uitkeringen en verstrekkingen
in fiscalibus, zoals Kremer zelf ook opmerkt, een uitkering zijn. Mij lijkt het echter denkbaar, dat de Hoge Raad kwijtschelding –
de factoimmers het niet innen van een vordering – opvat als een negatieve prestatie. (…) Indien deze interpretatie van het arrest BNB 1962/105 juist is, kan voor de opvatting van de Hoge Raad wel enig begrip worden opgebracht. Gezien de beperkte civielrechtelijke betekenis van de term ‘uitkering’ zou het een grote stap betekenen om een niet-doen ‘uitkering’ te noemen.
6.Uitkeringen ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling
in de vorm van normbijstand, WWV-uitkeringen en rijksstudietoelagen moeten tot deze categorie worden gerekend. De tot deze categorie behorende uitkeringen dienen fiscaal op dezelfde wijze te worden behandeld als alle andere vormen van inkomen omdat zij de genieter op dezelfde wijze ongebonden draagkracht verschaffen. Indien deze uitkeringen zouden worden vrijgesteld, zou een ongelijke behandeling van belastingplichtigen ontstaan. Deze ongelijke behandeling bij voorbeeld ten opzichte van genieters van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of van loon uit vroegere dienstbetrekking zoals WW- of WAO-uitkeringen, zou met name blijken indien naast de overheidsuitkering nog ander inkomen wordt genoten. Die ongelijkheid zou nog meer accent krijgen nu bij het voeren van een gezamenlijke huishouding het inkomen van de ene partner mede bepalend is voor de tariefgroepindeling en daarmee voor de belastingheffing bij de andere partner.
Uitkeringen en verstrekkingen op grond van de WWB
Uitkeringen en verstrekkingen op grond van het Bbz 2004
BNB1962/105 uitgezette lijn zal vasthouden, dient het beroep in cassatie mijns inziens ambtshalve ongegrond te worden verklaard. De uitspraak van het Hof kan in stand blijven, wat er ook zij van de door het Hof gebezigde gronden; de gedeeltelijke omzetting op de voet van artikel 12 BZ Pro kwalificeert niet als een periodieke
uitkering.
BNB1981/93,
BNB1983/32 en
BNB1983/239, kan periodiciteit zich ook voordoen in geval weliswaar gekozen is voor één uitbetaling maar er sprake is van (in de woorden van
Van Dijck) een 'zich telkens voordoende ontstaansgrond' van de uitkeringen. Hiervan is naar mijn mening voor wat betreft de omzetting op zichzelf bezien geen sprake. Bij de vaststelling van de bedragen die worden omgezet om niet, wordt het jaarinkomen vergeleken met de jaarnorm. Pas nadat het werkelijk behaalde inkomen over een jaar kan worden bepaald, wordt de bijstand definitief vastgesteld. De uitkering is met andere woorden over een jaar verkregen en niet van maand tot maand ontstaan. Hieraan doet niet af, dat de jaarnorm rekenkundig van maand tot maand met bijna dezelfde bedragen aangroeit; de maatstaf waarmee wordt vergeleken, het inkomen in een boekjaar, zal over het algemeen juist geen regelmatig verloop kennen. Een inkomenstekort van een zelfstandige in een deel van het jaar kan immers worden gecompenseerd door hogere inkomens in een ander deel van het jaar. In theorie is het zelfs mogelijk dat het recht op bijstand in de laatste maand is ontstaan vanwege een zeer groot inkomenstekort dat de inkomensoverschotten van de vorige maanden teniet doet. De jaarlijkse uitkering is dus niet slechts een regeling omtrent de opeisbaarheid. In casu is alleen van periodiciteit sprake indien de omzetting naar redelijkerwijze te verwachten is, zal worden gevolgd door een of meer uitkeringen uit dezelfde oorzaak. (…)
BNB 2006/5(…) zou het tegendeel kunnen worden geconcludeerd. (…). In cassatie werd betoogd dat het hof geen rekening had gehouden met de reële kans dat de kwijtschelding door één of meer verdere kwijtscheldingen zou worden gevolgd. De Hoge Raad wees het cassatiemiddel af met het argument dat de stelling of sprake was van een reeks van periodieke uitkeringen een onderzoek naar de feiten zou meebrengen waarvoor in cassatie geen plaats is. De Hoge Raad zei niet dat zelfs al zou sprake zijn van een reeks van kwijtscheldingen deze niet als periodieke uitkeringen kunnen kwalificeren.
V-N2004/42.11. Steun voor een dergelijke ruime invulling van dat begrip kon onder meer worden gevonden bij Van Dijck, "Periodieke uitkeringen in de Wet IB (I)",
WFR1970/450, blz. 450. Deze heeft naar ons oordeel terecht betoogd dat het begrip periodieke uitkeringen en verstrekkingen een louter fiscaal en gecompliceerd begrip is dat losstaat van het spraakgebruik. Mogen wij het er voorzichtig voor houden dat de Hoge Raad loskomt van de eerdere "enge" begripsinvulling? De daarbij gekozen bewoordingen (overweging 3.3) lijken ons daartoe steun te bieden.
BNB1962/105, betoogd dat zulks belastingvrij kan plaatsvinden; zie punt 3.10 van de conclusie. Uiteraard worden wel de aftrekbare studiekosten (thans: scholingsuitgaven als bedoeld in art. 6.27 e.v. Wet IB 2001) met deze bedragen verminderd. (…).
7.De prestatiebeurs in het onderwijs
8.Beschouwing en beoordeling van de middelen
afgelostmet de Bbz-uitkering in 2010, en heeft in r.o. 7.13 (onderdeel 2.4) voorts geoordeeld dat de Bbz-lening in 2010 is
verrekendmet de aan belanghebbende toegekende uitkering om niet. In r.o. 7.10 (onderdeel 2.3) oordeelde het Hof bovendien dat zowel wanneer de omzetting kwalificeert als kwijtschelding, als wanneer sprake is van verrekening, sprake is van een uitkering in de zin van de Wet IB 2001.