ECLI:NL:HR:2022:1785
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen periodieke uitkering bij vijf afzonderlijke schenkingen onder opschortende voorwaarden
In deze zaak stond centraal of vijf afzonderlijke notariële schenkingsakten, waarbij de ouders van belanghebbende ieder een bedrag van €10.000 schuldig erkennen onder opschortende voorwaarden, als een periodieke uitkering in de zin van artikel 18, lid 2, van de Successiewet 1956 moeten worden aangemerkt.
De Inspecteur had een aanslag schenkbelasting opgelegd omdat hij meende dat de akten gezamenlijk een vorderingsrecht vormen om op vaste tijdstippen bedragen te ontvangen, en derhalve een periodieke uitkering. De Rechtbank vernietigde deze aanslag en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigde dat de schenkingen afzonderlijk zijn en niet als periodieke uitkering kwalificeren.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht betekenis heeft toegekend aan de civielrechtelijke vorm van de schenkingen en dat de opschortende voorwaarden niet leiden tot een ontbindende voorwaarde die de kwalificatie als periodieke uitkering zou rechtvaardigen. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan de Staatssecretaris en bepaalde dat het griffierecht van € 541 geheven wordt. Het arrest bevestigt de uitleg van artikel 18, lid 2, SW en benadrukt het belang van de civielrechtelijke kwalificatie bij de beoordeling van schenkingen voor de schenkbelasting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de vijf afzonderlijke schenkingen vormen geen periodieke uitkering in de zin van artikel 18, lid 2, SW.