ECLI:NL:PHR:2022:773

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
20/04006
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 366 SvArt. 408 SvArt. 29b SvRichtlijn 2010/64/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende vertaling mededeling uitspraak en appeltermijn

De verdachte werd bij verstek veroordeeld voor het overtreden van een inreisverbod en stelde hoger beroep in na de beroepstermijn. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het vonnis op 27 oktober 2018 aan hem was betekend en de beroepstermijn toen was gaan lopen. De mededeling uitspraak was echter niet schriftelijk vertaald in het Turks, terwijl de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Wel was er telefonisch contact met een tolk die de inhoud mondeling zou hebben toegelicht.

De advocaat-generaal betoogde dat het hof ten onrechte aannam dat de verdachte de mededeling uitspraak had begrepen, omdat de mondelinge vertaling onduidelijk en onvolledig was en de kwaliteit van de tolk onbekend is. Het ontbreken van een schriftelijke vertaling is in strijd met art. 366 lid 4 Sv Pro en de Europese richtlijn 2010/64/EU. De Hoge Raad bevestigt dat de beroepstermijn pas begint te lopen wanneer de verdachte de mededeling uitspraak daadwerkelijk heeft begrepen.

Daarom is het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is, niet zonder meer begrijpelijk. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij de kwaliteit en wijze van vertaling van de mededeling uitspraak cruciaal zijn.

Uitkomst: Arrest hof vernietigd wegens onvoldoende vertaling mededeling uitspraak; zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04006
Zitting30 augustus 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 19 november 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 augustus 2017 waarbij de verdachte bij verstek voor – kort gezegd – “het in strijd met een inreisverbod als vreemdeling in Nederland verblijven” is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S. Akkas, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
In het middel wordt geklaagd over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in diens hoger beroep. Volgens de steller van het middel heeft het hof de verdachte wegens overschrijding van de appeltermijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, althans heeft het hof dat oordeel niet voldoende gemotiveerd.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2020 houdt in:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en verklaart:
Het lijkt erop dat het appel te laat is ingesteld. De uitreiking van de mededeling uitspraak is misschien niet helemaal goed gegaan, waardoor verdachte toch ontvankelijk is in het hoger beroep. Ik wijs in dit verband op een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:770).
(…)
De raadsman deelt mede dat hij het standpunt van de advocaat-generaal betreffende de ontvankelijkheid van het beroep deelt en dat hij wenst toe te lichten waarom dat zo is. De raadsman voert aan:
Verdachte was niet op de hoogte van de zitting in eerste aanleg en hij is door de politierechter bij verstek veroordeeld. Volgens artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, dient hoger beroep te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Deze omstandigheid zou zich hebben voorgedaan op 27 oktober 2018 op Schiphol, bij vertrek van verdachte voor vakantie naar Turkije. Op die datum is door de marechaussee een document, waarschijnlijk het vonnis, in de Nederlandse taal, zonder vertaling in het Turks, aan verdachte overhandigd. Verdachte is vervolgens een nacht vastgehouden op Schiphol, omdat de volgende dag DNA bij hem zou worden afgenomen. De volgende ochtend is het document weer ingenomen, waarbij aan verdachte werd medegedeeld dat hij deze per post of per e-mail toegezonden zou krijgen. Bij terugkeer uit Turkije op 23 november 2018, zie bijlage 1 voor een kopie van het paspoort met stempels
(noot griffier: betreft een bijlage van de op 18 november 2020 per e-mail aan het hof gezonden stukken) bleek verdachte niets te hebben ontvangen, terwijl hij in Nederland staat ingeschreven en zijn woon- en e-mailadres hier bekend zijn. Omdat het vonnis weer is ingenomen, kan niet worden gezegd dat het vonnis in persoon aan hem is uitgereikt. Verdachte had ook geen advocaat in Nederland die hij op dat moment kon inschakelen. Hij had het vonnis immers niet in zijn bezit en wist ook niet wat de inhoud ervan was. Op 13 februari 2019 ontving verdachte een oproep om zich te melden bij de Penitentiaire Inrichting te Rotterdam voor het uitzitten van een gevangenisstraf van 60 dagen. Ook deze brief is niet vergezeld gegaan van een vertaling in de Turkse taal. Omdat verdachte de Nederlandse taal niet spreekt en de brief om die reden niet begreep, heeft het enige tijd geduurd voordat verdachte zich tot mij als advocaat wendde. Dat was op zaterdag 2 maart 2019. Toen werd de inhoud van de brief pas duidelijk. Op dezelfde dag is hoger beroep ingesteld (datum akte: 4 maart 2019). Het gesprek met mij als zijn advocaat op 2 maart 2019 heeft daarom te gelden als de genoemde omstandigheid als bedoeld in artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Het hoger beroep is derhalve tijdig ingesteld.
Op vragen van de voorzitter en de oudste raadsheer over de gang van zaken op Schiphol op 27 oktober 2018, verklaart verdachte:
Een half uur voor vertrek werd ik benaderd om in verband met een misdrijf DNA af te staan. Ik moest wel wachten tot de volgende ochtend voordat zij het DNA af konden nemen. Mijn vrouw is met de geplande vlucht vertrokken naar Turkije, maar ik bleef dus achter. Ik kreeg toen een brief overhandigd. De volgende ochtend werd de brief weer ingenomen, door een andere politieambtenaar dan de avond ervoor. Ik liet de brief aan hem zien om aan te geven wat er de avond ervoor was gebeurd. Mij werd verteld dat ik de brief binnen 14 dagen per post of per e-mail toegezonden zou krijgen. Ik heb de brief maar af laten nemen omdat ik niet in opstand wilde komen tegen de politie. Die nacht heb ik telefonisch contact gehad met een tolk.
De tolk vertelde dat er de volgende ochtend DNA zou worden afgenomen. Hij vertelde ook dat ik de brief thuisgestuurd zou krijgen. Hoe de tolk dit wist, weet ik niet meer. Het is alweer twee jaar geleden. Mogelijk heeft de politie hem dat verteld. Ik kreeg te horen dat ik bezwaar kon maken en dat ik de brief ook per post of per e-mail thuisgestuurd thuis zou krijgen. Maar ik heb de brief nooit thuis gestuurd gekregen. Ik denk dat ik de brief alleen maar in het Nederlands kreeg, omdat ze toch een tolk lieten komen. Ik heb met de tolk besproken wat er in de brief stond. En we hebben gesproken over de mogelijkheid om in beroep te gaan. En de tolk zei dus dat ik de brief ook nog thuisgestuurd zou krijgen, maar ik heb thuis nooit een brief ontvangen.”
2.3.
Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden houdt, voor zover van belang, in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Volgens artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, dient hoger beroep te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de marechaussee op 27 oktober 2018 op Schiphol aan verdachte het vonnis van de politierechter heeft uitgereikt. Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat de uitspraak alleen in het Nederlands was, omdat er een tolk voor hem geregeld was, waarmee hij ‘s avonds laat heeft gesproken. De tolk heeft voor hem vertaald wat er in het vonnis stond. Ook zouden de mogelijkheden om in beroep te gaan aan de orde zijn gekomen. De tolk zou ook hebben gezegd dat verdachte de uitspraak thuisgestuurd zou krijgen. Volgens verdachte heeft hij de uitspraak niet thuis gestuurd gekregen.
Nu vaststaat dat op 27 oktober 2018 aan verdachte het vonnis van de politierechter is uitgereikt, naar het hof aanneemt zonder vertaling in de Turkse taal, maar nu eveneens vaststaat dat er na de uitreiking contact is geweest met een tolk, die hem zei wat er in het vonnis stond, was op dat moment sprake van de omstandigheid zoals genoemd in artikel 408, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte kon derhalve volgens de wet hoger beroep instellen gedurende veertien dagen na 27 oktober 2018. Het hoger beroep is pas op 4 maart 2019 en dus na het verstrijken van die termijn, ingesteld. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep. Dat verdachte mogelijkerwijs het vonnis niet later nog opgestuurd heeft gekregen, doet daar niet aan af.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3.Het juridisch kader

3.1.
Relevante regelgeving
Art. 408 Sv Pro bepaalt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. (…).
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Art. 366 Sv Pro bepaalt:
“1. De officier van justitie doet de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352, tweede lid, bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan hem betekenen.
2. (…).
3. De mededeling vermeldt de rechter die het vonnis heeft gewezen, de dagtekening van het vonnis, de benaming van het strafbaar feit met vermelding van de plaats en het tijdstip waarop het zou zijn begaan, en voor zoveel in het vonnis vermeld, naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woon- of verblijfplaats van de verdachte.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem tevens een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal verstrekt.” [1]
Art. 3 van Pro de richtlijn 2010/64/EU luidt als volgt:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
2. De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.
3. De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen.
4. Onderdelen van essentiële processtukken die niet relevant zijn om de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen, hoeven niet te worden vertaald.
5. (...)
6. In voorkomend geval kan gebruik worden gemaakt van communicatietechnologie zoals videoconferentie, telefoon of het internet, tenzij de aanwezigheid van de tolk ter plaatse vereist is
om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen.
7. 7. Als uitzondering op de in de leden 1, 2, 3 en 6 opgenomen algemene regels kan, in plaats van een schriftelijke vertaling een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting van de essentiële processtukken worden verstrekt, op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.
8. 8. (…)
9. 9. Vertaling die overeenkomstig dit artikel wordt verstrekt, is van voldoende kwaliteit om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen.”
3.2.
Achtergrond van de regelgeving
Art. 366 lid 4 Sv Pro is ingevoerd bij de Wet van 28 februari 2013,
Stb.2013, 85 tot implementatie van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (
PbEUL
280).
In de aan richtlijn 2010/64/EU voorafgaande overwegingen is in overweging 17 te lezen:
“Deze richtlijn dient kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd.”
In de wetsgeschiedenis bij de implementatie van art. 366 lid 4 Sv Pro is te lezen:
“Voorgesteld wordt in artikel 366 Sv Pro te bepalen dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, hem een schriftelijke vertaling van de vonnismededeling in een voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Aldus wordt de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig was en die niet wist of had kunnen weten wanneer de uitspraak zou plaats vinden, in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de relevante onderdelen van het vonnis.
(…)
In de context van het schriftelijke vonnis gaat het om de vraag welke onderdelen van het vonnis relevant zijn om de verdachte in staat te stellen van het tegen hem gewezen vonnis kennis te nemen en – hoewel de richtlijn daarover niet spreekt – een beslissing te nemen over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.
(…)
Zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de relevante jurisprudentie met betrekking tot artikel 366 Sv Pro volgt dat de verdachte wordt geacht in staat te zijn op basis van de in die mededeling opgenomen informatie een beslissing te nemen over het instellen van een rechtsmiddel. Naar onze mening is dit een uitstekend aanknopingspunt voor de vaststelling van de onderdelen uit het schriftelijke vonnis die als relevant zijn aan te merken en derhalve moeten worden vertaald. Niet goed valt in te zien waarom deze informatie, die voldoende wordt geacht voor een Nederlands sprekende verdachte om een beslissing te nemen over het instellen van een rechtsmiddel, onvoldoende zou zijn wanneer het gaat om een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Daar komt bij dat in de praktijk de raadsman veelal de verdachte zal adviseren over het al dan niet instellen van een rechtsmiddel.” [2]
3.3.
Jurisprudentiële ontwikkelingen
In de gevallen waarin art. 366 Sv Pro voorschrijft dat de officier van justitie de verdachte zo spoedig mogelijk informeert over een tegen hem bij verstek gewezen vonnis, gaat de termijn voor het instellen van het hoger beroep lopen vanaf het moment dat het vonnis (of beter gezegd: de mededeling uitspraak) aan de verdachte in persoon is betekend. Vanaf dat moment wordt de verdachte geacht op de hoogte te zijn van de inhoud van het vonnis en kan hij zich beraden over daar tegen eventueel te ondernemen stappen. Wanneer de verdachte meer dan veertien dagen na de betekening hoger beroep instelt, zal hij in dat hoger beroep in de regel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat is het uitgangspunt bij Nederlands sprekende verdachten.
Ten aanzien van de verdachten die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen, is lange tijd dezelfde lijn gevolgd. Het is nog geen twintig jaar geleden dat alleen al het uitreiken van een in het Nederlands opgestelde mededeling uitspraak aan een – kort gezegd – niet Nederlandssprekende verdachte voldoende was om de appeltermijn te laten aanvangen. Het was aan die ‘buitenlandse’ verdachte om te achterhalen wat de inhoud van het aan hem uitgereikte stuk inhield en wat hij daartegen eventueel kon ondernemen. Er bestond in die tijd geen (wettelijke) verplichting om de verstekmededeling te vertalen. [3] Jaren eerder had de Hoge Raad al uitgemaakt dat die verplichting ook niet kon worden afgeleid uit art. 6 EVRM Pro. [4] Bij die stand van de jurisprudentie kon het gebeuren dat wanneer een verbalisant in een proces-verbaal vastlegde dat hij met de veroordeelde had gesproken en dat hij hem een afschrift van de mededeling uitspraak had aangereikt, het hof oordeelde dat de verbalisant “op zodanige wijze met verdachte (al dan niet met behulp van een tolk) in een voor verdachte begrijpelijke taal heeft gecommuniceerd dat hij heeft moeten begrijpen dat de verbalisant (…) hem mededelingen deed over een vonnis dat tegen hem gewezen was (…)”. Een dergelijk feitelijk oordeel kan cassatiebestendig zijn omdat het in cassatie slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst. [5]
Na de implementatie van richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en de daarvan deel uitmakende invoering van art. 366 lid 4 Sv Pro heeft de Hoge Raad de teugels – na enige tijd – aangetrokken. Wanneer een niet Nederlandssprekende verdachte geen schriftelijke vertaling heeft ontvangen van de mededeling uitspraak, kan niet zonder meer worden geoordeeld dat hij niet-ontvankelijk is in een hoger beroep dat niet binnen veertien dagen na de betekening van die mededeling is ingesteld. Als ik het goed zie, is de eerste stap hiertoe gezet in HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2008. Mijn ambtgenoot B.F. Keulen schreef daarover in zijn conclusie vóór HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534:
“Deze uitspraak zou mogelijk aldus kunnen worden gelezen dat Uw Raad bij art. 408, tweede lid, Sv voortaan niet doorslaggevend acht op welk moment de verdachte de informatie over de einduitspraak heeft gekregen maar op welk moment hij de informatie kan hebben begrepen. De einduitspraak is de verdachte door de betekening van de mededeling van het vonnis op grond van art. 366, eerste lid, Sv nog niet bekend; hij is daar — uitgaande van deze interpretatie — pas mee bekend nadat de schriftelijke vertaling aan hem verstrekt is.” [6]
Annotator J.W. Ouwerkerk meent in haar noot onder HR 21 april 2020,
NJ2020/329 dat hierover na HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534,
NJ2020/326 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770,
NJ2020/328 geen twijfel meer kan bestaan, doordat de Hoge Raad – in het bijzonder in het laatste arrest – de nadruk legt op de ratio van het recht op vertaling van vonnismededelingen. Het volgens mij op dit moment meest recente arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:761 bevestigt dit en de overwegingen 2.4. tot en met 2.6. uit dit arrest geven een goed beeld van de route die de Hoge Raad nu in gevallen als deze volgt:
“2.4 Artikel 366 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de officier van justitie - behoudens de uitzonderingen die zijn vermeld in het tweede lid van artikel 366 Sv Pro - de mededeling van het vonnis dat de beslissing van de rechtbank op grond van artikel 349, 351 of 352 lid 2 Sv bevat en dat buiten de aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken, zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekent. Die mededeling bevat tevens de in artikel 366 lid 3 Sv Pro genoemde gegevens. Het vierde lid van artikel 366 Sv Pro bepaalt dat aan de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, een schriftelijke vertaling van de mededeling in een voor hem begrijpelijke taal wordt verstrekt. Deze regeling beoogt te waarborgen dat ook de verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, in kennis wordt gesteld van de onderdelen van het vonnis die van belang zijn met het oog op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. (Vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770, rechtsoverweging 2.4.).
2.5 De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706). Van zo’n geval kan sprake zijn indien de verdachte in strijd met artikel 366 lid 4 Sv Pro niet een schriftelijke vertaling van de mededeling als bedoeld in artikel 366 lid 1 en Pro lid 3 Sv in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen (vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534).
2.6 Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en dat aan hem in persoon een mededeling van de uitspraak is uitgereikt. Uit de stukken van het rechtsgeding volgt dat de mededeling van de uitspraak in strijd met artikel 366 lid 4 Sv Pro niet in de Poolse taal is vertaald. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is, niet zonder meer begrijpelijk. Dat het hof heeft vastgesteld dat de mededeling van de uitspraak door de politie aan de verdachte is uitgereikt met de mededeling “dat hij met de brief naar de advocaat moet gaan” maar dat de verdachte “niet direct actie [heeft] ondernomen”, maakt dat niet anders, nu daaruit niet volgt dat de verdachte in kennis is gesteld van wat voor hem van belang was met het oog op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep.”
Wanneer een schriftelijke vertaling van de mededeling uitspraak, hoewel wettelijk verplicht, ontbreekt, kan ook worden geopteerd voor een mondelinge vertaling. Dat ligt in de lijn van het arrest van het EHRM in de zaak Kamasinkski tegen Oostenrijk en richtlijn 2010/64/EU. Uit art. 3 lid 7 van Pro richtlijn 2010/64/EU blijkt dat het uitgangspunt is dat essentiële processtukken schriftelijk worden vertaald en dat bij uitzondering een mondelinge vertaling mogelijk is. Voor alle vertalingen geldt dat deze van voldoende kwaliteit moeten zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Dat vereist een vertaling die van voldoende kwaliteit is om de verdachte dusdanig over de zaak te informeren dat hij in staat is zijn recht van verdediging uit te voeren (art. 3 lid 9 richtlijn Pro 2010/64/EU). Bij mondelinge vertalingen luistert dat in zekere zin nog nauwer dan bij schriftelijke vertalingen. Schriftelijke vertalingen kunnen immers nog eens rustig worden nagelezen. Het is niet voor niets dat art. 3 lid 7 van Pro de richtlijn een mondelinge vertaling als uitzondering presenteert en beklemtoont dat dit mogelijk is “op voorwaarde dat deze mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat”. Arresten van de Hoge Raad over mondeling vertaalde mededelingen uitspraak zijn mij – afgezien van HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3961, welk arrest is gewezen vóór implementatie van richtlijn 2010/64/EU en invoering van art. 366 Sv Pro – niet bekend.

4.Bespreking van het middel

4.1.
Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Gesteld wordt dat die beslissing niet voldoende is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte geen vertaling van het vonnis heeft gekregen. De steller van het middel wijst erop dat het niet verstrekken van een schriftelijke vertaling in strijd is met art. 366 lid 4 Sv Pro. Daarnaast wordt er in de toelichting op gewezen dat de verdachte weliswaar met een tolk heeft gesproken, maar dat het i) “voor hem niet duidelijk (was) tot wanneer hij beroep kon instellen” en ii) de inhoud van het vonnis “nooit tot de verdachte is doorgedrongen”. Uit art. 366 lid 3 Sv Pro volgt dat het mededelen van de beroepstermijn geen onderdeel uitmaakt van de mededeling uitspraak. Onderdeel i van de toelichting imponeert daarmee niet. Bij onderdeel ii van de toelichting wordt vooral een verband gelegd met de omstandigheid dat de aan de verdachte in het Nederlands gestelde mededeling weer van de verdachte zou zijn afgenomen en vervolgens nimmer aan hem zou zijn toegestuurd. ‘Daarom’ zou de inhoud van het vonnis nooit tot de verdachte zijn doorgedrongen. Ervan uitgaande dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is het verband tussen het een en het ander niet direct begrijpelijk. Desalniettemin meen ik dat een welwillende lezing van het middel en de daarop gegeven toelichting tot de vraag leidt of het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat het door de rechtbank tegen de verdachte gewezen vonnis op 27 oktober 2018 op zodanige wijze aan de verdachte is betekend dat de verdachte op dat moment met de inhoud van het vonnis bekend is geworden, waardoor de termijn om hoger beroep in te stellen op die datum is aangevangen.
4.2.
In de onderhavige zaak staat in cassatie niet ter discussie:
- dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst; [7]
- dat de politierechter in de rechtbank Gelderland de verdachte op 31 augustus 2017 bij verstek heeft veroordeeld, zonder dat de verdachte weet had van de zitting;
- dat de Kmar Schiphol op 27 oktober 2018 het vonnis van de politierechter (d.w.z. de mededeling uitspraak als bedoeld in art. 366 lid 1 en Pro lid 3 Sv) aan de verdachte heeft betekend; [8]
- dat aan de verdachte in strijd met het voorschrift van art. 366 lid 4 Sv Pro geen schriftelijke vertaling van de mededeling uitspraak in een voor hem begrijpelijke taal is verstrekt;
- dat de verdachte kort na de betekening van de mededeling uitspraak contact heeft gehad met een tolk. [9]
Ter discussie staat wel of de verdachte op 27 oktober 2018 via een door de Kmar ingeschakelde tolk heeft begrepen wat er in de mededeling uitspraak stond. Het antwoord op die vraag moet worden gevonden in hetgeen is besproken op de terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020. De rest van het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten.
4.3.
Op die zitting van 19 november 2020 heeft
de verdedigingbetoogd dat de verdachte een nacht is vastgehouden op Schiphol omdat de volgende dag DNA bij hem zou worden afgenomen. Het ‘s-nachts (d.w.z. in de vroege ochtend van 27 oktober 2018 omstreeks 2:50 uur) aan de verdachte uitgereikte document – in de woorden van de raadsman: “waarschijnlijk het vonnis, in de Nederlandse taal, zonder vertaling in het Turks”
zou de volgende ochtend weer van hem zijn afgenomen met de mededeling dat het stuk aan hem zou worden toegestuurd (hetgeen volgens de verdachte nooit is gebeurd). Doordat de mededeling uitspraak weer was ingenomen, kon de verdachte volgens de verdediging ook geen advocaat inschakelen. “Hij had het vonnis immers niet in zijn bezit en wist ook niet wat de inhoud ervan was.”
De
verdachteheeft op de zitting van 19 november 2020 verklaard dat hij een half uur voor vertrek vanaf Schiphol werd benaderd om in verband met een misdrijf DNA af te staan. Daarvoor moest hij wachten tot de ochtend. De hem in de nacht overhandigde brief zou de volgende dag weer zijn ingenomen.
“Die nacht heb ik
telefonischcontact gehad met een tolk
(cursivering door mij, AG). De tolk vertelde dat er de volgende ochtend DNA zou worden afgenomen. Hij vertelde ook dat ik de brief thuisgestuurd zou krijgen. Hoe de tolk dit wist, weet ik niet meer. (…) Mogelijk heeft de politie hem dat verteld.
(…)
Ik denk dat ik de brief alleen maar in het Nederlands kreeg, omdat ze toch een tolk
lieten komen (cursivering door mij, AG). Ik heb met de tolk besproken wat in de brief stond. En we hebben gesproken over de mogelijkheid om in beroep te gaan.”
4.4.
Uit het arrest van het hof blijkt dat voor het hof vaststaat dat op 27 oktober 2018 aan de verdachte het vonnis van de politierechter (de mededeling uitspraak) is uitgereikt, naar het hof aanneemt zonder vertaling in de Turkse taal, [10] en dat “eveneens vaststaat dat er na de uitreiking contact is geweest met een tolk,
die hem zei wat er in het vonnis stond(…)
(cursivering door mij, AG)”. Daarmee is naar het oordeel van het hof op dat moment sprake geweest van een omstandigheid zoals genoemd in art. 408 lid 2 Sv Pro en is de termijn voor het instellen van hoger beroep vanaf die datum, 27 oktober 2018, gaan lopen. Op het eerste gezicht is dat een plausibel oordeel. De verdachte heeft op de zitting van het hof immers verklaard dat een tolk aan hem heeft verteld wat in de aan hem uitgereikte brief stond. De steller van het middel acht het oordeel echter niet plausibel. Hoewel de daarvoor gegeven argumentatie – zoals hiervoor onder randnr. 4.1. vermeld – niet direct overtuigt, meen ik dat er verschillende (andere) valide redenen zijn op grond waarvan het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is en er voldoende reden is om het middel wel te laten slagen. Ik licht dat nader toe.
4.5.
Zoals ik al aangaf, heeft de verdachte op de zitting van het hof verklaard dat een tolk aan hem heeft verteld “wat er in het vonnis stond”. Dat onderdeel van zijn verklaring doet de verdachte de das om bij zijn toegang tot de rechter in hoger beroep. De verdachte heeft ter terechtzitting echter meer verteld. Hij heeft ook gezegd dat hij “telefonisch contact” heeft gehad met een tolk en dat de politie “een tolk liet komen”. Aan dit verschil in bewoordingen gaat het hof voorbij. Het hof gaat ook voorbij aan de opmerking van de verdachte dat hij niet (meer) weet hoe de tolk aan zijn informatie is gekomen. Dat klemt in het naar mijn mening meest waarschijnlijke scenario dat er telefonisch contact is geweest met een tolk. In dat scenario dringt zich ook de vraag op of die tolk zijn werkzaamheden heeft verricht op basis van een hem/haar door de Kmar toegezonden mededeling uitspraak of op basis van mondeling door de Kmar verstrekte informatie. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat het er op basis van het verhandelde ter terechtzitting ook alle schijn van heeft dat de Kmar tevens met de tolk heeft gesproken over ‘het ophouden’ van de verdachte tot een moment later in de ochtend, teneinde van hem celmateriaal af te kunnen nemen voor DNA-onderzoek. Volgens de verdachte heeft de tolk immers ook daarover met hem gesproken. Het is niet duidelijk of de tolk de op de DNA-afname betrekking hebbende informatie is toegestuurd of mondeling heeft ontvangen. Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de enkele vaststelling van het hof dat de tolk aan de verdachte heeft verteld “wat er in het vonnis stond” niet zonder meer begrijpelijk is, laat staan dat de verdachte al hetgeen aan hem is verteld goed heeft begrepen en niet door elkaar heeft gehaald. [11]
4.6.
Er is naar mijn oordeel nog een andere reden waarom – bij gebrek aan een schriftelijke vertaling van de mededeling uitspraak – niet zonder meer kan worden gekoerst op de enkele verklaring van een verdachte dat hij ‘met
eentolk heeft gesproken die hem heeft verteld wat er in het vonnis stond’. Voor elk soort vertaling, een mondelinge vertaling in het bijzonder, geldt dat de kwaliteit daarvan essentieel is. Deze dient van voldoende niveau te zijn om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen (zie art. 3 lid 7 en Pro lid 9 richtlijn 2010/64/EU). De kwaliteit van de vertaling wordt bepaald door de kwaliteit van de tolk. Dat correspondeert met de op 1 januari 2009 in werking getreden Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). [12] Deze wet berust op twee pijlers: een kwaliteits(tolken)register en een voor opsporings- en rechterlijke autoriteiten geldende plicht om te werken met tolken die in het register zijn ingeschreven. [13]
4.7.
In de onderhavige zaak is volstrekt onduidelijk welke tolk de Kmar heeft ingeschakeld en of die tolk al dan niet in het tolkenregister staat ingeschreven. Vermoedelijk is dat wel het geval, maar het blijkt nergens uit. [14]
4.8.
Over de kwaliteit van de tolk en over hetgeen hij de verdachte werkelijk heeft verteld, heeft het hof bij gebrek aan informatie niets kunnen vaststellen. Bij een praktijk waarin de wettelijke verplichting tot het verstrekken van schriftelijke vertalingen van mededelingen uitspraak kennelijk niet (volledig) is ingedaald, behoeft de verslaglegging rond de bij uitzondering toegestane mondelinge vertaling, naar mijn oordeel bepaald meer aandacht. In gevallen als de onderhavige, waarin de appelrechter moet beoordelen of een overschrijding van de appeltermijn verontschuldigbaar is, komt het vooral aan op de kwaliteit van die mondelinge vertaling. Het strafdossier dient daarover informatie te bevatten. Dat vloeit niet alleen voort uit de regelgeving, maar is naar mijn mening ook een logische consequentie van de redelijk recente jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat wanneer de betekening van een mededeling uitspraak niet vergezeld gaat van een schriftelijke vertaling, de appeltermijn pas aanvangt op het moment dat de verdachte de mededeling uitspraak heeft begrepen. Die laatste vaststelling vereist enige munitie.
4.9.
Ik sluit af en concludeer dat, bij een welwillende lezing van het middel, de vaststelling van het hof – dat er na de uitreiking van de mededeling uitspraak contact is geweest met een tolk die de verdachte heeft verteld wat er in het vonnis staat – niet zonder meer begrijpelijk is en dat dit ook geldt voor het in de beslissing van het hof besloten liggende oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn daarom niet verontschuldigbaar is. Het arrest van het hof dient om die reden te worden vernietigd.

5.Slotsom

5.1.
Het middel slaagt.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Par. 4.5. van de op 1 januari 2014 in werking getreden Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten (2013A019,
3.Vgl. HR 31 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0167,
4.Vgl. HR 16 december 1997,
5.Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3961.
6.Vgl. Conclusie AG B.F. Keulen HR 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:835, randnr. 16.
7.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep start met de vaststelling dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst.
8.De mededeling uitspraak is in de onderhavige zaak nog gegoten in het sjabloon van vóór de herziening gerechtelijke kaart van 1 januari 2013. In de kop staat “Arrondissementsparket te Arnhem” in plaats van “Arrondissementsparket Oost-Nederland” (welk parket de arrondissementen Gelderland en Overijssel omvat; zie art. 134 lid 3 Wet Pro RO) en in de mededeling uitspraak staat “de politierechter te Arnhem”. Ik merk op dat ter zitting van het hof de verdediging zich op het standpunt stelde dat omdat de mededeling uitspraak de volgende ochtend weer door de Kmar was ingenomen, niet zou kunnen worden gezegd dat het vonnis in persoon aan de verdachte was uitgereikt. Het hof gaat daar in zijn arrest impliciet aan voorbij. In cassatie wordt hierover niet geklaagd.
9.Bron: de verdachte. Ik merk op dat hiervan niet blijkt uit de akte van uitreiking en dat hiervoor ook geen aanknopingspunt is te vinden in de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
10.Tussen de aan de HR toegezonden stukken zit uitsluitend een – zo te zien – vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg.
11.De verdachte heeft bij het hof verklaard dat met de tolk is gesproken over de mogelijkheid om in beroep te gaan. Dat kan betrekking hebben gehad op de mededeling uitspraak, maar ook op het DNA-onderzoek of op alle twee.
14.Mogelijk heeft de Kmar wel vastgelegd welke tolk in deze zaak heeft vertaald, maar die stukken zitten niet in het dossier. Ik merk op dat het in de reguliere opsporingsfase onbestaanbaar is, indien uit het strafdossier niet zou blijken dat er gebruik is gemaakt van de diensten van een tolk. Vgl. o.m. art. 29b Sv.