ECLI:NL:HR:2005:AU3961
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid verdachte bij verstek en begrijpelijke mededeling vonnis
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep centraal, nadat hij in 1990 bij verstek was veroordeeld. De verdachte had in totaal 23 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en werd kort voor zijn uitzetting op een begrijpelijke wijze geïnformeerd over het verstekvonnis, hoewel hij de Nederlandse taal niet beheerste.
De advocaat-generaal verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin werd gesteld dat artikel 6 EVRM Pro niet automatisch recht geeft op een schriftelijke vertaling van het vonnis, maar dat de verdachte wel voldoende geïnformeerd moet worden om zich te kunnen verdedigen. Het hof had geoordeeld dat het ontbreken van een vertaling van het verstekvonnis geen schending van artikel 6 EVRM Pro oplevert, mits de essentie van de zaak in een begrijpelijke taal wordt gecommuniceerd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Het middel tot cassatie bood geen aanleiding tot nadere motivering en er waren geen gronden om het bestreden arrest ambtshalve te vernietigen. Hiermee werd het beroep van de verdachte verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep ondanks verstek en beperkte taalvaardigheid.