ECLI:NL:PHR:2022:743

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 augustus 2022
Publicatiedatum
8 augustus 2022
Zaaknummer
22/01746
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 lid 1 onder aa WvggzArt. 5 lid 1 EVRMArt. 5 lid 4 EVRMArt. 6 EU-HandvestArt. 15 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijziging zorgmachtiging en ontvankelijkheid verzoek schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Deze zaak betreft de wijziging van een bestaande zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank Zeeland-West-Brabant had op 16 juli 2021 een zorgmachtiging verleend aan betrokkene, die op 4 februari 2022 werd aangevraagd te wijzigen met aanvullende vormen van verplichte zorg. De aanvraag was 'per order' ondertekend door een arts in opleiding tot psychiater, niet de zorgverantwoordelijke zelf.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat de aanvraag niet rechtsgeldig was omdat deze niet door de zorgverantwoordelijke was ondertekend en dat de behandeling van het verzoek niet binnen de wettelijke termijn van drie dagen had plaatsgevonden. De rechtbank wijzigde de zorgmachtiging op 10 februari 2022 en verklaarde het verzoek tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad oordeelt dat de ondertekening 'per order' door een arts in opleiding toelaatbaar is indien de zorgverantwoordelijke zelf niet beschikbaar is, en dat de aanvraag ziet op de tijdelijke verplichte zorg vanaf 2 februari 2022, waardoor het verzoek niet te laat is ingediend. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het schadevergoedingsverzoek niet-ontvankelijk is, omdat tegen die beslissing alleen hoger beroep openstaat.

De conclusie van de Procureur-Generaal is verwerping van het cassatieberoep en niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover het ziet op de schadevergoeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep op schadevergoeding is niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01746
Zitting5 augustus 2022
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissement Zeeland-West Brabant,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft het wijzigen van een bestaande zorgmachtiging. In cassatie wordt aangevoerd dat een arts die niet onder de door art. 1:1 lid 1 onder Pro aa Wvggz aangewezen personen valt, niet bevoegd is een aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging ‘per order’ te ondertekenen, zodat toewijzing van die aanvraag in strijd is met de wet. Daarnaast stelt het middel de vraag aan de orde of een verzoek tot wijziging van een zorgmachtiging nog kan worden toegewezen indien de termijn van drie dagen in de zin van art. 8:12 lid 1 Wvggz Pro al is verstreken. Tot slot wordt in cassatie betoogd dat de rechtbank het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in strijd met de wet niet-ontvankelijk heeft verklaard, althans haar beslissing onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

2.Feiten en procesverloop

2.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Middelburg) heeft ten aanzien van betrokkene op 16 juli 2021 een zorgmachtiging verleend als bedoeld in art. 6:1 e.v. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). In deze zorgmachtiging is bepaald dat de hieronder genoemde vormen van verplichte zorg aan betrokkene mogen worden verleend voor het tijdvak van negen maanden, dus tot en met 16 april 2022:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid,
in het geval dat betrokkene wordt opgenomen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen,
in verband met het accepteren van de ambulante hulpverlening vanuit het fact-team.
In de zorgmachtiging is verder bepaald dat de hieronder genoemde vorm van verplichte zorg mag worden verleend voor de duur van zes maanden, dus tot en met 16 januari 2022:
- het opnemen in een accommodatie,
bij decompensatie.
2.2
In de beschikking van 16 juli 2021 (rov. 4.2) is vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.
2.3
Bij verzoekschrift van 4 februari 2022, op dezelfde dag ingekomen ter griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, heeft de officier van justitie onder verwijzing naar art. 8:12 Wvggz Pro verzocht de op 16 juli 2021 verleende zorgmachtiging te wijzigen en aan te vullen. Het verzoek hield in de volgende vormen van verplichte zorg toe te voegen:
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.4
Bij het verzoekschrift waren, voor zover in cassatie van belang, als bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring van een onafhankelijke arts van 1 februari 2022;
- de aanvraag wijziging zorgmachtiging van 1 februari 2022, opgesteld door de zorgverantwoordelijke;
- het zorgplan van 2 februari 2022;
- het advies van [de geneesheer-directeur 1] van 4 februari 2022.
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 10 februari 2022. Gehoord zijn:
- de advocaat van betrokkene;
- [de geneesheer-directeur 2] ;
- [de arts] ;
- [de behandelaar van betrokkene] .
Betrokkene heeft bij de aanvang van de mondelinge behandeling in een gesprek met de rechter aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in een gesprek met de rechter over de (wijziging van) de zorgmachtiging. De behandeling van het verzoek werd daarom buiten aanwezigheid van betrokkene voortgezet.
2.6
De advocaat van betrokkene heeft onder meer het verweer gevoerd dat de aanvraag tot de wijziging van de zorgmachtiging niet is ondertekend door de zorgverantwoordelijke. Ook de besluiten in het kader van art. 8:13 Wvggz Pro zijn volgens de advocaat niet door de zorgverantwoordelijke ondertekend, zodat de procedure niet voldoet aan de wettelijke vereisten overeenkomstig art. 8:12 Wvggz Pro. Verder heeft de advocaat nog aangevoerd dat het verzoek niet binnen drie dagen op zitting is gepland, nu het verzoek op (vrijdag) 4 februari 2022 bij de rechtbank is binnengekomen en pas op (donderdag) 10 februari 2022 is behandeld.
2.7
Bij mondelinge beschikking van 10 februari 2022 [1] heeft de rechtbank de op 16 juli 2021 verleende zorgmachtiging gewijzigd. Zij heeft bepaald dat bij wijze van verplichte zorg de (aanvullende) maatregelen kunnen worden getroffen die waren verzocht (zie 2.4) en dat de machtiging geldt voor de resterende duur van de machtiging, zijnde tot en met 16 april 2022.
2.8
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Verweerder is niet verschenen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat twee onderdelen.
3.2
Onderdeel Iklaagt in de kern dat de beslissingen tot het verlenen van verplichte zorg en de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging door een zorgverantwoordelijke moeten worden ondertekend en niet ‘per order’ kunnen worden ondertekend door een arts die niet valt onder de in art. 1:1, lid 1 onder aa, Wvggz genoemde deskundigen, verantwoordelijk voor de zorg. Hierdoor is volgens het onderdeel in strijd gehandeld met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in samenhang met art. 5 lid 4 EVRM Pro, met art. 6 EU Pro-Handvest van de Grondrechten, [2] alsmede met art. 15 Grondwet Pro. [3] Daarnaast klaagt het onderdeel dat de rechtbank het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging niet- ontvankelijk had moeten verklaren, aangezien er ten tijde van het verzoek aan de officier van justitie ten aanzien van betrokkene al zes dagen – in plaats van de wettelijke drie dagen – tijdelijk verplichte zorg was verleend.
3.3
Ik zal eerst de relevante wetsbepalingen in herinnering roepen. Het kopje boven paragraaf 3 van hoofdstuk 8 Wvggz luidt: “
Tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties”. Volgens art. 8:11 Wvggz Pro kan de zorgverantwoordelijke beslissen tot het verlenen van verplichte zorg waarin de lopende zorgmachtiging niet voorziet, indien sprake is van verzet daartegen en:
“(…) voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is, gelet op:
a. ernstig nadeel,
b. de veiligheid binnen de accommodatie of andere locatie waar de zorg of verplichte zorg wordt verleend,
c. de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, of
d. de voorkoming van strafbare feiten.”
De duur van deze tijdelijke ‘extra’ verplichte zorg is beperkt tot maximaal drie dagen. Indien de termijn van drie dagen eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag als bedoeld in de Algemene termijnenwet, wordt deze verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (art. 8:12 lid 1 Wvggz Pro).
3.4
Indien de zorgverantwoordelijke van oordeel is dat deze tijdelijke ‘extra’ verplichte zorg moet worden voortgezet nadat de drie dagen zijn verstreken, kan hij slechts tot voortzetting daarvan beslissen indien een door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de lopende zorgmachtiging, door de geneesheer-directeur, vergezeld van diens advies daarover, bij de officier van justitie is ingediend (art. 8:12 lid 3 Wvggz Pro). Na indiening daarvan beslist de officier van justitie zo spoedig mogelijk op de aanvraag. Indien de officier van justitie instemt met de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging, dient hij daartoe onverwijld een verzoek in bij de rechtbank (art. 8:12 lid 5 Wvggz Pro). Art. 8:12 lid Pro 6, onder b, Wvggz bepaalt dat de verplichte zorg kan worden verleend totdat:
“b. de rechter uitspraak heeft gedaan over het verzoekschrift voor een wijziging van een zorgmachtiging of door het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6:2, eerste lid, onderdeel d;”
Die termijn is “
drie werkdagen na ontvangst van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging”.
3.5
Art. 8:13 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de zorgverantwoordelijke een beslissing tot het verlenen van tijdelijke verplichte zorg op schrift stelt en voorziet van een motivering. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de primaire verantwoordelijkheid voor de beslissingen tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg waarin de zorgmachtiging niet voorziet is neergelegd bij de zorgverantwoordelijke. Dat neemt echter volgens de wetgever niet weg dat de geneesheer-directeur als bewaker van de kwaliteit van verplichte zorg de zorgverantwoordelijke dient aan te spreken indien hij twijfelt over de noodzaak van de interventies. [4]
3.6
Uit een arrest van de Hoge Raad van 24 september 2021 [5] volgt dat, indien een wijziging van een zorgmachtiging nodig is, de voorbereidingsprocedure van hoofdstuk 5 Wvggz dient te worden gevolgd. De Hoge Raad verwijst naar de parlementaire geschiedenis [6] en overweegt dat de procedure wel sneller kan worden doorlopen. Zo is een eigen plan van aanpak in een dergelijke situatie niet van toepassing en zal al een zorgplan en zorgkaart aanwezig zijn, zodat een wijziging daarvan snel kan worden voorbereid.
3.7
In de onderhavige zaak zijn op grond van de beslissing van 29 januari 2022 de volgende vormen van tijdelijk verplichte zorg verleend:
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opname in een accommodatie.
Deze beslissing is door de dienstdoende arts ondertekend. Deze zorg liep 1 februari 2022 af.
3.8
Op 2 februari 2022 is een nieuwe beslissing genomen tot tijdelijk verplichte zorg. Als vormen van zorg zijn verleend:
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.
Als zorgverantwoordelijke staat in de beslissing opgenomen: [de zorgverantwoordelijke] . Bij ondertekening staat: “ [de behandelaar van betrokkene] ”. Deze zorg mocht worden verleend tot 5 februari 2022.
3.9
Op 5 februari 2022 is wederom een beslissing genomen tot tijdelijke verplichte zorg. Als vormen van zorg zijn verleend:
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- opnemen in een accommodatie.
Als zorgverantwoordelijke staat in de beslissing opgenomen: [de zorgverantwoordelijke] . De beslissing is op 4 februari 2022 “per order” ondertekend door [de behandelaar van betrokkene] .
3.1
Op die zelfde dag heeft de officier van justitie van [de geneesheer-directeur 1] een verzoek ontvangen voor wijziging van de zorgmachtiging voor betrokkene van 16 juli 2021 (zie reeds 2.43). Bij dit verzoek was gevoegd een “
gemotiveerde aanvraag wijziging zorgmachtiging door zorgverantwoordelijke (art. 8:12 lid Pro 4)”. In deze gemotiveerde aanvraag staat [de zorgverantwoordelijke] als zorgverantwoordelijke opgenomen. De aanvraag is op 1 februari 2022 “per order” ondertekend door [de behandelaar van betrokkene] . In de aanvraag wordt vermeld dat op 2 februari 2022 is besloten tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg.
3.11
De klacht dat het verzoek van de officier van justitie te laat is ingediend omdat er al zes dagen tijdelijk verplichte zorg is verleend, faalt. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het opmerkelijk is dat de aanvraag dateert van vóór de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. M.i. ziet die aanvraag echter op de tijdelijke verplichte zorg die op 2 februari 2022 is verleend en – anders dan de steller van het middel betoogt – niet op de tijdelijk verplichte zorg die van 29 januari 2022 tot 1 februari 2022 is verleend. Dit leid ik tevens af uit het verzoekschrift van de officier van justitie van 4 februari 2022, aangezien de daarin verzochte vormen van verplichte zorg overeenstemmen met de beslissing tot tijdelijk verplichte zorg van 2 februari 2022.
3.12
Zoals uit art. 8:11 Wvggz Pro en art. 8:12 Wvggz Pro volgt, is de zorgverantwoordelijke bevoegd te beslissen tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg. Ter zitting is bevestigd dat de beslissing tot het verlenen van tijdelijke verplichte zorg in het onderhavige geval door de zorgverantwoordelijke is genomen. De zorgverantwoordelijke was kennelijk zelf niet in de gelegenheid om de beslissingen van 2 en 5 februari 2022 en de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging te ondertekenen (wat in de praktijk natuurlijk kan voorkomen, bijvoorbeeld als de zorgverantwoordelijke verlof heeft), terwijl gelet op de korte drie dagentermijn een nieuwe beslissing tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg diende te worden genomen. Uit de beslissingen tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg en de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging blijkt duidelijk dat [de behandelaar van betrokkene] , arts in opleiding tot psychiater (en tevens behandelaar), [7] in opdracht vande zorgverantwoordelijke ( [de zorgverantwoordelijke] ) de formulieren heeft ondertekend. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft [de behandelaar van betrokkene] de beslissingen dus niet genomen. Bovendien heeft de zorgverantwoordelijke op 2 februari 2022 een nieuw zorgplan opgesteld ten behoeve van de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging. Het is daarom wel degelijk de zorgverantwoordelijke die de beslissingen heeft genomen.
3.13
Op grond van het voorgaande faalt het onderdeel in zijn geheel.
3.14
Onderdeel IIis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het onderdeel klaagt dat deze beslissing in strijd is met de wet, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
3.15
Eerst ga ik in op de aangevoerde
grondvan de gevraagde schadevergoeding. In de onderhavige zaak heeft de advocaat van betrokkene in het verweerschrift (onder 6) gewezen op de overschrijding van de termijn waarop de zitting diende te zijn gepland. [8] In het petitum verzocht een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen. Volgens de beschikking van de rechtbank en de stukken van het geding is het verzoekschrift van de officier van justitie bij de rechtbank ingekomen op vrijdag 4 februari 2022. De beslistermijn voor de rechtbank in dit geval op grond van art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder d, Wvggz drie werkdagen na ontvangst van het verzoek. Deze termijn verstreek hier op woensdag 9 februari 2022. De rechtbank heeft het verzoek op 10 februari 2022 behandeld, dus één dag later.
3.16
De rechter heeft dus een zeer korte termijn voor een verzoek als het onderhavige. [9] Beslist hij niet binnen die termijn, dan kan op grond van het aangehaalde art. 8:12 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz vanaf het einde van die termijn de verplichte zorg niet meer worden verleend. Wijst de rechtbank het verzoek als bedoeld in art. 8:12 lid 5 Wvggz Pro toe, dan kan de verzochte zorg worden voortgezet (of alsnog verleend) op grond van de gewijzigde zorgmachtiging. Indien tijdelijke verplichte zorg niet door de rechtbank wordt opgenomen in de gewijzigde zorgmachtiging, dan wel de verzochte wijziging van de zorgmachtiging in haar geheel door de rechtbank wordt afgewezen, dan moet worden aangenomen dat de tijdelijke verplichte zorg op grond van art. 8:12 lid Pro 6, aanhef en onder c, Wvggz eindigt met de uitspraak van de rechtbank. [10]
3.17
Zoals wordt toegelicht in de conclusie A-G Snijders van 9 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:692 onder 3.8, kan overschrijding van de beslistermijn niet leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. De wet stelt immers niet als sanctie op de overschrijding van de beslistermijn dat niet meer op het verzoek kan worden beslist door de rechtbank of dat de rechtbank dat verzoek niet meer kan toewijzen. Vaste rechtspraak onder de Wet Bopz, die in de rechtspraak met betrekking tot de Wvggz en de Wzd lijkt te zijn overgenomen, is dat de overschrijding van beslistermijnen niet een van deze sancties meebrengt – nu de wet dat niet bepaalt –, maar uitsluitend leidt tot een korting op de geldigheidsduur van een volgende machtiging of maatregel dan wel tot schadevergoeding. [11]
3.18
Dit brengt mij op de aangevoerde
grondslagvan het verzoek om schadevergoeding. Dat is, blijkens het slot van het verweerschrift van betrokkene, art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro. Het gaat hier dus om een zelfstandig verzoek om toekenning van schadevergoeding. De grond voor het verzoek om schadevergoeding (de termijnoverschrijding door de rechtbank) staat ook los van de maatregel tot toepassing van bepaalde verplichte zorg.
3.19
De rechtbank heeft in rov. 3.1, waarin het standpunt van de advocaat wordt weergegeven, het volgende overwogen:
“(…) Tenslotte is het verzoek niet binnen drie dagen op zitting gepland, nu het verzoek op 4 februari 2022 bij de rechtbank is binnengekomen bij de rechtbank en pas 10 februari 2022 op zitting is gepland. Aan dit laatste punt wenst de advocaat geen sanctie te verbinden, maar wel aan de twee andere punten [zijnde het feit dat de besluiten in het kader van art. 8:13 Wvggz Pro en de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging niet zijn ondertekend door de zorgverantwoordelijke. Aanvulling A-G]. Namens betrokkene wordt verzocht een schadevergoeding vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid. Indien de rechtbank deze verweren passeert, voert de advocaat aan dat betrokkene niet achter de wijziging van de zorgmachtiging staat.”
3.2
Vervolgens overweegt de rechtbank in rov. 4.4 dat zij aan het verweer dat het verzoek door de rechtbank te laat is behandeld voorbij gaat, nu de advocaat daaraan geen consequenties heeft verbonden. In het dictum verklaart de rechtbank het verzoek tot het toekennen van een schadevergoeding niet-ontvankelijk.
3.21
Ongeacht wat nu volgens de rechtbank precies de grond voor die niet-ontvankelijkverklaring is, meen ik dat het daartegen gerichte cassatieberoep niet-ontvankelijk is. In zijn beschikking van 20 november 2020 heeft de Hoge Raad met betrekking tot een verzoek tot schadevergoeding op de voet van art. 10:12 Wvggz Pro namelijk overwogen (rov. 3.2.2):
“Noch in art. 10:12 Wvggz Pro, noch elders in de Wvggz, wordt hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling uitgesloten.
Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wvggz aanvullend van toepassing zijn, stond op grond van art. 358 lid 1 Rv Pro hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding. Ingevolge art. 78 lid 6 RO Pro is de gemeente dan ook niet-ontvankelijk in haar principale cassatieberoep (…).
Op grond van art. 358 lid 2 Rv Pro in verbinding met art. 340 Rv Pro kan de gemeente alsnog hoger beroep instellen tegen de bestreden beschikking voor zover daarin op het verzoek tot schadevergoeding is beslist.” [12]
3.22
Zowel door A-G Lückers [13] voorafgaand aan die uitspraak als door Legemaate in zijn noot bij die uitspraak is betoogd dat het gelet op de samenhang tussen de maatregel tot toepassing van verplichte zorg en het verzoek om schadevergoeding logisch en wenselijk is dat bij dezelfde instantie en gelijktijdig een rechtsmiddel kan worden ingesteld. [14] De Hoge Raad heeft echter anders geoordeeld: in het ene geval (rechtmatigheid verplichte zorg) kan alleen cassatie worden ingesteld en in het andere geval (zelfstandig verzoek om schadevergoeding) moet hoger beroep worden ingesteld.
3.23
In de onderhavige geval doet zich dezelfde situatie voor, zodat tegen de beslissing van de rechtbank om het verzoek tot toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren alleen hoger beroep open stond. Het cassatieberoep tegen deze beslissing op het zelfstandige verzoek om schadevergoeding is dan ook niet-ontvankelijk.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en tot niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover het ziet op toekenning van schadevergoeding.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De schriftelijk uitgewerkte en ondertekende versie van de beschikking dateert van 24 februari 2022.
2.Art. 6 EU Pro-Handvest luidt: “Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.”
3.Art. 15 lid 1 Grondwet Pro luidt: “Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.”
4.Kamerstukken II, 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 92.
6.Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, p. 182.
7.Zo staat [de behandelaar van betrokkene] aangeduid in het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2022, waar zij samen met de geneesheer-directeur en de arts is verschenen en gehoord.
8.Zie dossierstuk 8. Op die plaats wordt overigens niet verduidelijkt waarom een mondelinge behandeling één dag later tot schade voor betrokkene zou kunnen leiden.
9.Deze beslistermijn geldt ook als er nog geen sprake is van tijdelijke verplichte zorg in de zin van art. 8:11 Wvggz Pro, maar te voorzien is dat een bepaalde vorm van zorg zal moeten worden verleend om een dreigende noodsituatie te voorkomen en de machtiging hierin niet voorziet. Zie genoemd HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:272,
10.Zie V.C. Andeweg en G.L.A.M. van Doveren, Wvggz, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 8:12, aant. 5.
11.Vgl. HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1601,
12.HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806,
13.A-G Lückers merkte op dat ‘het beroep in cassatie tegen de toewijzing van de schadevergoeding ontvankelijk is nu tevens geklaagd is over de oplegging van de crisismaatregel en de verzoeken nauw met elkaar verbonden zijn’ (zie ECLI:NL:PHR:2020:781, onder 2.12).
14.In mijn conclusie in zaak 22/00334 heb ik verdedigd dat anders geoordeeld moet worden bij een beslissing op een verzoek tot schadevergoeding op de voet van art. 10.11 lid 2 Wvggz, in combinatie met een beroep tegen de verlening van een zorgmachtiging. Zie ECLI:NL:PHR:2022:320, onder 2.17 e.v.. In zijn recente arrest in die zaak is de Hoge Raad daar niet expliciet op ingegaan, maar heeft het cassatieberoep in elk geval niet (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk verklaard (HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1042).