Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de rechtbank) ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna:
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 24 maart 2023, voor verschillende vormen van verplichte zorg. Verweerster in cassatie (hierna:
de zorgaanbieder) verleent aan betrokkene verplichte zorg krachtens die uitspraak.
het toedienen van vocht, voeding en medicatie”als vorm van verplichte zorg is toegevoegd voor de resterende duur van de bestaande zorgmachtiging. [1]
de klachtencommissie) klachten ingediend over:
Ontvankelijkheid en omvang van het geschil:
Ontvankelijkheid en omvang van het geschil:
Formele beoordeling
De rechtbank overweegt dat artikel 10:11 lid 2 Wvggz Pro alleen de mogelijkheid biedt om bij de rechter schadevergoeding door de zorgaanbieder te verzoeken bij een verzoek ter verkrijging van een beslissing over de klacht bij de rechtbank als bedoeld in artikel 10:7 Wvggz Pro. Een andere uitleg past niet in het systeem van de wet. Dit betekent dat de rechtbank niet alleen heeft te oordelen over een eventueel toe te kennen billijke schadevergoeding, zoals verzoeker heeft aangevoerd,
maar eveneens – of beter gezegd: allereerst – moet oordelen over de gegrondheid van de klachten. Een zelfstandig schadevergoedingsverzoek kan niet op grond van artikel 10:11 Wvggz Pro worden ingediend.
De klachtencommissie heeft twee beslissingen genomen. De laatste beslissing is op 13 augustus 2021 aan verzoeker toegezonden. Het verzoekschrift is ingediend op 22 september 2021 en daarmee binnen de gestelde termijn van zes weken. Dit brengt mee dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. Hierbij betrekt de rechtbank dat de wet voor de klachtencommissie, anders dan voor de rechtbank, niet de mogelijkheid heeft gecreëerd om bij afzonderlijke beslissing te beslissen op een bij een klacht behorend schadevergoedingsverzoek. De twee beslissingen van de klachtencommissie moeten dan ook worden gezien als één samenhangende beslissing.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.1 en 1.2)
onder 1.3 en 1.4)
met betrekking tot de schadevergoeding waar feitelijk het beroep alleen over ging” hoger beroep zal instellen. Dat dit ook gebeurd is, kan ik uit het dossier niet opmaken.
eerste vraagis of voor betrokkene beroep bij de rechter openstaat in een geval als het onderhavige waarin de klachtencommissie zijn klacht(en) gegrond heeft verklaard maar betrokkene zich niet kan vinden in de hoogte van de schadevergoeding.
nietniet-ontvankelijk heeft verklaard, is deze vraag in cassatie niet aan de orde.
tweede vraaghoudt in of de rechter zijn oordeel kan beperken tot een beslissing over de hoogte van de door de klachtencommissie vastgestelde schadevergoeding, of dat de rechter daarover slechts een beslissing kan geven nadat hij heeft geoordeeld over de gegrondheid van de klachten die aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag liggen. In rov. 4.5 oordeelt de rechtbank het laatste. Dat lijkt mij juist, omdat het verzoek om schadevergoeding is verbonden met de beoordeling van de klachten. In alle gevallen waarin hem wordt verzocht om een schadevergoeding vast te stellen, dient de rechter tevens te oordelen over de eerder ingediende klachten die de betrokkene aan zijn verzoek tot schadevergoeding ten grondslag legt. Een verzoek op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro dient ook “
ter verkrijging van een beslissing over de klacht.” Dit wordt niet anders indien dat tot gevolg heeft dat de betrokkene in zoverre slechter af is dan wanneer hij de beslissing van de klachtencommissie niet zou hebben aangevochten [11] (welke situatie zich hier voordoet). [12]
derde vraagis of tegen de beslissing als hier door de rechtbank gegeven hoger beroep open staat en, zo ja, of dit dan betekent dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.
Bij een verzoekals bedoeld in artikel 10:7, eerste lid…”). Dit een en ander strookt met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 4.5. [17] Dat ook ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding op de voet van art. 10.11 lid 2 Wvggz noch in art. 10:11, noch elders in de Wvggz hoger beroep wordt uitgesloten dient mijns inziens niet tot een andere beoordeling te leiden. Een dergelijke uitsluiting is ook niet nodig, omdat het verzoek om schadevergoeding is verbonden met het verzoek als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro, waarvoor de uitsluiting van hoger beroep wél geldt.
twee beslissingen van de klachtencommissie moeten (…) worden gezien als één samenhangende beslissing.”
in de gelegenheid te stellen om dit verzoek [tot schadevergoeding]schriftelijk toe te lichten na de inhoudelijke behandeling van mijn klachten.”Blijkens de uitspraak van de klachtencommissie van 13 juli 2021 heeft betrokkene bij monde van zijn patiëntvertrouwenspersoon verzocht “
om zijn standpunt nader te mogen toelichten”. Gelet op dat verzoek en omdat de zorgaanbieder ter zake nog niet was gehoord (art. 10:11 lid 3 Wvggz Pro) heeft de klachtencommissie toen haar besluit ter zake van de schadevergoeding aangehouden. Betrokkene kreeg zeven dagen om een toelichting te geven op zijn verzoek om schadevergoeding (zie hiervoor, 1.4).
geenberoep (meer) open stond tegen de inhoudelijke beoordeling van de klachten en dat zijn beroep tegen de eerste beslissing daarom door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De namens betrokkene naar voren gebrachte opvatting zou voorts tot gevolg kunnen hebben dat in het omgekeerde geval waarin de klachten (gedeeltelijk)
ongegrondzijn verklaard (en op het verzoek om schadevergoeding later zou worden beslist), daartegen geen rechtsmiddel meer open zou staan. Mij lijkt dat niet in het belang van een goede rechtsbedeling. Dat geldt ook als een betrokkene twee afzonderlijke beroepen zou moeten indienen naar aanleiding van één hetzelfde feitencomplex, het eerste wegens onrechtmatig handelen en het tweede wegens de daaruit voortvloeiende schade. Mogelijk verdient het aanbeveling om in een geval waarin de klachtencommissie op de inhoudelijke klachten alvast beslist maar voor het verzoek om schadevergoeding meer informatie nodig heeft en daarop later beslist, de eerste beslissing aan te duiden als ‘tussenuitspraak’.
zelfstandig verzoektot toekennen van schadevergoeding bij de rechter in te dienen. Het betreft een verzoek dat niet in de sleutel staat van de klachtprocedure en het verzoek bedoeld in art. 10:11 Wvggz Pro. [19] De rechtbank heeft overwogen dat een betrokkene die op grond van art. 10:12 lid 2 Wvggz Pro een verzoek tot schadevergoeding indient, in ieder geval concreet zal moeten aangeven tegen wie het verzoek zich richt, en dat dit in deze zaak niet is gebeurd (rov. 4.2). De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het standpunt van de advocaat ter zitting dat de zorgaanbieder aansprakelijk is, omdat die de schade uiteindelijk zal moeten betalen, zich in dit geval moeilijk laat rijmen met een zelfstandig schadevergoedingsverzoek op grond van art. 10:12 lid 2 Wvggz Pro, aangezien de inhoudelijke klachten van betrokkene nagenoeg geheel zijn gericht tegen beslissingen van
de zorgverantwoordelijke, zodat het verzoek gericht had moeten zijn tegen de zorgverantwoordelijke en niet tegen de zorgaanbieder. De rechtbank heeft het verzoek, voor zover dat gegrond is op art. 10:12 lid 2 Wvggz Pro, om die reden afgewezen (rov. 4.3).
nietop.