Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Verheul Groep) aan Gander c.s. In de leveringsakte is bepaald dat na vaststelling van de jaarrekening 2005 een correctie van de koopprijs kan plaatsvinden. Gander c.s. vordert betaling van € 712.716,-- van Verheul ter zake van correctie van de koopprijs. Partijen zijn ter zitting bij het hof bindend advies overeengekomen ter vaststelling van de grondslagen voor de berekening van de definitieve koopprijs. De deskundigen hebben op een deel van de geschilpunten beslist. Zij hebben onder meer beslist dat partijen de wegingsverhoudingen, vermenigvuldigings- en kapitalisatiefactoren en de hoogte van de aftrek voor latente belastingen (hierna: de
parameters) voor de definitieve balanswaardering van de immateriële activa “assurantieportefeuille” en “goodwill makelaardij” niet hebben bepaald en dat deze als leemten in de door partijen gesloten koopovereenkomst gelden die moeten worden ingevuld voordat de definitieve koopsomberekening mogelijk is. Partijen hebben na het bindend advies de procedure bij het hof voortgezet en achtten zich gebonden aan de bij het bindend advies unaniem genomen deelbeslissingen.
2.Feiten
Makelaardij) en Verheul Assuradeuren B.V. (hierna ook:
Assuradeuren).
Dullemond) op 4 maart 2005 een waardering (hierna ook: het
rapport Dullemond I) [3] opgesteld, uitgaande van een gewogen gemiddelde van de intrinsieke waarde en de rentabiliteitswaarde van de assurantieportefeuille van Assuradeuren en de aan de onderneming van Makelaardij toe te rekenen goodwill.
het memo van 25 november 2005) opgesteld waarin zij op basis van door haar gehanteerde wegingsfactoren en aannames uitkomt op een intrinsieke waarde van de assurantieportefeuille van € 4.800.210,--, een rentabiliteitswaarde van € 3.325.665,-- en een goodwill voor Makelaardij van € 617.067,-- en waarin voor de bepaling van de kooprijs geen aftrek voor een latente belastingschuld plaatsvindt. Op 21 december 2005 heeft Gander een opstelling [5] (hierna:
de opstelling van 21 december 2005) gemaakt waarin zij op basis van door haar gehanteerde wegingsfactoren en aannames uitkomt op een intrinsieke waarde van de assurantieportefeuille van € 6.149.353,--, een rentabiliteitswaarde van € 3.325.665,-- en een goodwill voor Makelaardij van € 617.000,-- en waarin voor de bepaling van de kooprijs een aftrek voor een latente belastingschuld plaatsvindt van 15% (€ 710.084,--).
de leveringsakte) [6] heeft Verheul de door haar gehouden aandelen in Verheul Groep in gelijke delen geleverd aan Gander en HPP tegen betaling van een op basis van een slotbalans van Verheul Groep per 31 december 2005 vastgestelde kooprijs, van respectievelijk € 1.330.000,-- en € 1.020.000,-- (tezamen: € 2.350.000,-- [7] ) ‘met toebetaling of restitutie, verhoogd met wettelijke rente (thans vier procent (4%) ’s-jaars vanaf één januari tweeduizend zes tot de dag van toebetaling/restitutie.’ In de leveringsakte is verder – kort gezegd – opgenomen dat na vaststelling van de jaarrekening 2005 van Verheul Groep en haar deelnemingen een correctie van de kooprijs kan plaatsvinden. De akte bepaalt dat: ‘Correctie op de kooprijs geschiedt middels steeds gelijke bedragen binnen de relatie tussen de verkoper en ieder van zijn beide kopers.’
notitie Dullemond II). [8]
Commissie)bij bindend advies de grondslagen voor de berekening van de definitieve kooprijs te laten vaststellen teneinde te komen tot een definitieve eindafrekening inclusief de daarover verschuldigde rente. Partijen zijn verder overeengekomen dat de kosten van de deskundigen bij helfte worden gedeeld, dat aan het vonnis in eerste aanleg geen verdere uitvoering zal worden gegeven en dat zij ieder de eigen kosten van het hoger beroep zullen dragen. Partijen hebben zich tot slot het recht voorbehouden de procedure bij het hof voort te zetten als de deskundigen niet in staat zijn tot een definitieve beslissing te komen.
BAC-rapport) hun (bindend) advies uitgebracht. [12] Zij hebben daarbij op een deel van de geschilpunten unaniem beslist. Op een deel van de geschilpunten zijn de deskundigen niet tot een unanieme beslissing gekomen.
in conventie, samengevat, primair gevorderd Verheul te veroordelen te betalen aan Gander c.s. een bedrag van € 744.207,--, althans Verheul te veroordelen te betalen aan Gander € 371.553,-- en aan HPP € 372.653,--
dan wel subsidiair resp. € 424.207,--, € 211.533,-- en € 212.653,--;
dan wel benoeming van (een) deskundige(n) die de definitieve koopsom vaststellen/vaststelt volgens de in het rapport Dullemond van 4 maart 2005 toegepaste normalisaties, en vervolgens Verheul te veroordelen om aan Gander c.s. te voldoen het verschil tussen de op deze wijze te bepalen definitieve koopsom en de reeds door Gander c.s. betaalde koopsom van € 2.350.000,--, althans aan Gander te voldoen de helft van dit verschil en aan HPP eveneens de helft van dit verschil;
dan wel Verheul te veroordelen om aan Gander c.s., althans aan Gander en aan HPP te voldoen een door de rechtbank te bepalen bedrag c.q. te bepalen bedragen;
alsmede € 5.000,-- aan buitengerechtelijke kosten;
een en ander vermeerderd met de wettelijke (handels)rente;
met veroordeling van Verheul in de kosten van het geding. [14]
reconventiedat de rechtbank Gander c.s. zal veroordelen, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair: aan Verheul te betalen een bedrag van € 707.558,-- plus wettelijke rente; subsidiair: aan Verheul te betalen een bedrag van € 343.824,-- plus wettelijke rente. Verheul verwees ter onderbouwing van haar vordering naar een rapport van de [A-groep]
Valuevan 1 juni 2010. [16]
de rechtbank), samengevat, overwogen dat zij van oordeel is dat partijen geen vaste prijs hebben afgesproken voor de aandelen in de Verheul Groep en vastgesteld dat finale afrekening nog diende plaats te vinden nadat de definitieve cijfers over 2005 gereed zouden zijn gekomen. (r.o. 5.2) De rechtbank oordeelde dat voor de wijze van waardering dient te worden aangesloten bij de methode die door Dullemond is gebruikt in het rapport Dullemond I, nu de leveringsakte spreekt van de tussen partijen ‘voordien gebruikelijke waarderingsmethode’ en deze methode naar het oordeel van de rechtbank als zodanig kan worden aangemerkt. (r.o. 5.4)
Haasnoot) van Haasnoot & Adriaanse BV Bedrijfsadviseurs als deskundige benoemd om te rapporteren over de waarde in het economische verkeer op 5 januari 2006 van de aandelen die Verheul aan Gander c.s. op die datum heeft verkocht, met gebruikmaking van de door Dullemond in de rapportage van 4 maart 2005 gehanteerde methodiek. (r.o. 5.5, 5.8 en het dictum)
De rechtbank heeft het voorschot op de kosten van Haasnoot vastgesteld op € 11.305,-- (inclusief btw), en bepaald dat partijen dit voorschot, gelet op de omstandigheden van het geding, ieder voor de helft moeten betalen. (r.o. 5.10 en het dictum)
het vaststellingsdocument’) [22] , alsmede de door partijen over het boekjaar 2004 gebruikte gegevens en de definitieve jaarrekening 2005. (r.o. 2.8-2.23, 2.25)
thans vier procent (4%) ’s-Jaars”. Kennelijk hebben partijen bedoeld aan te sluiten bij de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro en niet bij die van artikel 6:119a BW. Toewijsbaar is aldus de “gewone” wettelijke rente vanaf 1 januari 2006.’ [23]
het bestreden arrest) de vonnissen waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende:
4.Inleiding op de bespreking van het cassatiemiddel
De onderdelen van het cassatiemiddel zal ik hierna, onder 6, achtereenvolgens bespreken. Ik laat die bespreking voorafgaan door een beschouwing, onder 5, over uitleg van het eindverslag van de Commissie en de daarin opgenomen bindende adviezen.
bindende adviezen) uit het BAC-rapport. Ik bespreek daarom hierna de opbouw van het eindverslag van de Commissie (5.2-5.6), citeer, voor zover van belang, uit par. 5.4 ‘samenvatting deeladviezen’ van het tot dit eindverslag behorende BAC-rapport (5.7) en zet vervolgens uiteen aan de hand van welke maatstaf dit rapport en de daarin opgenomen bindende adviezen moeten worden uitgelegd (5.8-5.13).
[commissielid 1]), [commissielid 2] (hierna:
[commissielid 2]) en [commissielid 3] (hierna:
[commissielid 3]). [33]
1) het BAC-rapport van 15 december 2018 (met bijlagen); [34] 2) het voorbehoud van [commissielid 2] ; [35] 3) de persoonlijke toelichtingen van de commissieleden (op de niet unaniem besliste geschilpunten); [36] 4) de beslissing van de Commissie d.d. 11 juli 2019 [37] en 12 augustus 2019 [38] op het verzoek tot rectificatie/nader onderzoek van Gander c.s. van 30 maart 2019; [39] 5) de inhoudsopgave van het digitaal dossier. [40]
1. Analyse koopovereenkomst
2. Analyse koopovereenkomst (waarderings-)grondslagen
3. Analyse koopovereenkomst procesafspraken
4. Analyse vaste prijs
5. Analyse omzet- en winstcijfers voorlopige aandelenwaardering
ConclusieDe conclusie luidt dat niet de voorlopige cijfers maar uitsluitend de definitieve cijfers bepalend zijn voor de definitieve aandelenwaardering.
6. Analyse voorlopige aandelenwaardering o.b.v. verklaringen partijen
7. Analyse parameters immateriële activa
8. Aanvaardbaarheid jaarrekening 2005 Verheul Groep B.V.
9. Analyse normaliseren jaarrekening 2005
10. Assurantieportefeuille en portefeuillestanden 2005
12. Waardering materiële vaste activa
13. Onderlinge verrekeningen, naast aandelentransactie
Bindend advies
14.Vertraging rente en kosten bij vertraging in nakoming overeenkomst
Uitleg van de bindende adviezen
NJ2005/493 (
DSM/ […]), m.nt. C.E. du Perron. [47] Punt achtte de maatstaf juist die de Amsterdamse kantonrechter hanteerde bij de uitleg van een bindend advies van het Dutch Securities Institute: [48] ‘Aangezien het bindend advies afkomstig is van een derde, DSI, zal dit moeten worden uitgelegd aan de hand van een objectieve uitleg, zoals ook het geval is bij bijvoorbeeld cao’s en pensioenreglementen, dat wil zeggen aan de hand van de bewoordingen van het bindend advies, de aannemelijkheid van de ene of de andere interpretatie en de bedoeling van de bindend adviseurs voor zover die volgt uit de tekst van het bindend advies. Anders dan [eiser] stelt is voor de uitleg van het bindend advies niet alleen de letterlijke tekst van de uiteindelijke uitspraak, maar zijn ook de elders in het bindend advies gebruikte formuleringen van belang.’ [49]
6.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: uitgangspunten en vooruitblik
beperkten tothet vastleggen van de waarderingsmethoden gebaseerd op de intrinsieke en rentabiliteitswaarde.’ [58] [onderstreping A-G]
onder a.de algemene klacht dat de oordelen van het hof in r.o. 3.6 onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn, gelet op een aantal niet of slechts ten dele in het arrest vermelde bindende adviezen, in het bijzonder de adviezen 1 t/m 7 en 10. Gander c.s. neemt daarbij tot uitgangspunt dat de bindende adviezen het kader van de aandelenwaardering vormen en samenkomen in één structuur, door Gander c.s. genoemd ‘het Waarderingsmodel’. [70] De klacht wordt vanaf subonderdeel 1.1 onder d. verder uitgewerkt.
subonderdeel 1.1, onder b. en c.zijn onderdelen van de samenvatting van de bevindingen van de Commissie in par. 5.4 in het BAC-rapport en van de daar gegeven bindende adviezen 1 t/m 7 en 10 geciteerd, voorzien van onderstrepingen door Gander c.s.
Op de manier waarop het hof heeft geherwaardeerd, althans tot een vaststelling van de parameters en de definitieve koopprijs is gekomen, ga ik bij bespreking van de navolgende klachten nader in. Zie over de betekenis die het hof mocht toekennen aan het woord ‘taxatie’ in processtap 2 van bindend advies 3, hierna onder 6.27 en over de door Gander c.s. gestelde plicht tot herwaardering versus prijsbepaling in het bijzonder de bespreking van subonderdeel 1.4, hierna onder 6.40 e.v.
subonderdeel 1.1 onder e. en f.betoogt Gander c.s. dat de bindende adviezen 1 t/m 5 inhouden dat de koopovereenkomst gesloten is op basis van de economische realiteit, dat daarom de definitieve koopprijs gebaseerd moet zijn op de intrinsieke, werkelijke waarde van de aandelen en dat deze waarde moet worden vastgesteld op de grondslag van de werkelijke en definitieve omzet- en winstcijfers per 31 december 2005. Gezien de genoemde bindende adviezen zou het onjuist en/of onbegrijpelijk zijn dat het hof de in r.o. 3.6 en 3.8 vermelde leemte heeft ingevuld zoals het heeft gedaan.
Het subonderdeel verwijst naar passages uit de akte uitlating na bindend advies van Gander c.s. In die akte is onder andere verwezen [73] naar een passage uit par. 4.3.1 ‘Het chronologisch verloop van de gebeurtenissen medio/eind 2005’, p. 22, uit het BAC-rapport, waarin de Commissie over een bepaling in het vaststellingsdocument opmerkt dat:
dat daaromde definitieve koopprijs gebaseerd moet zijn op de intrinsieke waarde, noch dat de definitieve koopprijs gebaseerd moet zijn op de
werkelijke waarde,althans in ieder geval niet voor zover het de immateriële activa betreft
.Dit volgt mijns inziens ook niet uit de aangehaalde passage op p. 22 van het BAC-rapport. Uit deze passage valt niet op te maken hoe de nacalculatie zou moeten geschieden en de Commissie acht partijen ook niet aan het vaststellingsdocument gebonden, zo blijkt uit bindend advies 1 en p. 29 van het BAC-rapport, waar de Commissie constateert dat de visies van partijen over onder andere de strekking van het vaststellingsdocument uiteenlopen. Ik verwijs tevens naar hetgeen ik hiervoor onder 6.7 heb opgemerkt over het vaststellingsdocument.
In het BAC-rapport is in par. 3.1 ‘Uitgangspunten bij het onderzoek’ vermeld:
Wij roepen in uw herinnering dat de opdracht aan de commissie volgens artikel 1.b van de overeenkomst bestond uit het vaststellen van de grondslagen voor de bepaling van de definitieve koopprijs van de aandelen en het aan de hand daarvan berekenen van de definitieve koopprijs inclusief de geldende verrekeningen tussen partijen ten behoeve van de definitieve eindafrekeningen tussen partijen inclusief de daarover verschuldigde rente. De commissie had geen opdracht om een breder kader voor de berekeningen te geven dan volgend uit de koopovereenkomst, want de commissie is uitvoerder maar geen wetgever. Het kader lag besloten in de overeenkomst en de mogelijke bewijsstukken daaromheen, één en ander zoals blijkend uit de procesdossiers en de eenmalig toegestane toelichting daarop. De commissie kan zich niet verder uitlaten over haar onderzoek en de conclusies daaruit. De geschilpunten zijn benoemd en behoeven geen verdere uitwerking. Mocht het gerechtshof bij een eventueel vervolg van de procedure een mondelinge toelichting vragen, dan zal de commissie zich daarover beraden.’
subonderdeel 1.1 onder e. en f.falen derhalve.
subonderdeel 1.1 onder g.lees ik geen afzonderlijke klacht. De daar genoemde stellingen en uitleg van bindend advies 5 kwamen in het voorgaande en komen in het navolgende nader aan de orde.
subonderdeel 1.1, onder h., bevat geen klacht, maar alleen een citaat van bindend advies 7, voorzien van onderstrepingen door Gander c.s.
subonderdeel 1.1 onder i. en de eerste alinea van subonderdeel j.lees ik de klacht dat het hof in r.o. 3.6 heeft miskend, althans dat het oordeel van het hof in die rechtsoverweging onbegrijpelijk is, (om)dat ‘het hof de bindende adviezen niet aldus uitgelegd heeft’ dat processtap 2 in bindend advies 3 inhoudt dat de herwaardering van de immateriële activa en/of de parameters een kwestie is waarover alleen waarderingsdeskundigen kunnen oordelen en niet een kwestie is van onderhandelen over de koopprijs.
Gander c.s. heeft de Commissie bij brief van 30 maart 2019 verzocht nader te onderzoeken of partijen al dan niet zijn overeengekomen om voor de definitieve waardering van de immateriële activa deskundigen in te schakelen. [82] Gander c.s. las in de bindende adviezen kennelijk zelf dus ook niet dat waardering door een deskundige van de immateriële activa was overeengekomen. Verheul heeft zich tegen dit verzoek verweerd met de stelling dat partijen in de koopovereenkomst uitsluitend een deskundigenwaardering zijn overeengekomen ten aanzien van de stille reserves en de materiële activa. [83] De Commissie heeft in haar e-mail van 11 juli 2019, [84] in de passage geciteerd hiervoor onder 6.19, weliswaar vermeld dat zij voor verdere behandeling van onder meer dit geschilpunt voor de commissie geen rol ziet weggelegd (om redenen van tijd en kosten), maar ook dat zij van mening is dat zij geen zaken onbeslist heeft gelaten en dat zij niet de opdracht had om een breder kader voor de berekeningen te geven dan volgend uit de koopovereenkomst. De deskundigen [commissielid 3] en [commissielid 2] hebben in hun persoonlijke toelichting op de geschilpunten expliciet vermeld dat partijen, anders dan ten aanzien van de materiële activa, ten aanzien van de immateriële activa niet zijn overeengekomen dat die door een deskundige zouden worden geherwaardeerd. [85] In de aanvullende toelichting bij zijn individuele verklaring heeft [commissielid 2] expliciet bevestigd dat inschakeling van een deskundige voor de definitieve waardering van de parameters binnen de immateriële activa niet uit de koopovereenkomst blijkt. [86] [commissielid 1] gaat in zijn persoonlijke toelichting niet in op de inschakeling van een deskundige, maar uit zijn verklaring blijkt dat hij er vanuit gaat dat de parameters uit het memo van Verheul van 25 november 2005 dan wel uit de opstelling van Gander c.s. van 21 december 2005 voor de bepaling van de definitieve bedrijfswaarde en daaruit afgeleide koopsom gebruikt zouden moeten worden. [87] Ook zijn visie impliceert daarmee dat inschakeling van een deskundige niet nodig is.
subonderdeel 1.1 onder i. en in de eerste alinea van subonderdeel j.vervatte klacht faalt daarom.
op 5 januari 2006 nog onbekendedefinitieve omzet, omzetsamenstelling en winstcijfers, waarbij de toepasselijke parameters voor de Assurantieportefeuille uitsluitend correct te herwaarderen zijn op grondslag van het rapport II van deskundige Dullemond (bindend advies 10). Gander c.s. hebben dit steeds betoogd en daarvan uitdrukkelijk bewijs aangeboden. [89] Daaraan is het hof volledig voorbijgegaan. Het hof heeft daarbij geen aandacht besteed aan de essentiële stelling van Gander c.s. dat inschakeling van een erkende waarderingsdeskundige zowel overeengekomen als onvermijdelijk is.’ [90]
subonderdeel 1.1, j.faalt mijns inziens. Voor zover in subonderdeel 1.1, onder j. ook een klacht gericht is tegen de bepaling van de parameters als resultaat van hypothetische voortgezette onderhandelingen, wordt die klacht hierna besproken.
Volgens het onderdeel zijn die vooropstelling en dat oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en onverenigbaar met, deels samengevat:
herwaardering[onderstreping Gander c.s.] van de aandelen en immateriële activa zijn, namelijk – samengevat – 1) de taxatie/herwaardering – en daarom de ‘waarde opnieuw vaststellen’ – van het immateriële activum ‘Goodwill assurantieportefeuille op grondslag van de werkelijke (omzet- en winst-)cijfers en boekwaarden uit de definitieve jaarrekening 2005 en op basis van de portefeuilleomvang en -samenstelling en het bedrijfseconomisch resultaat uit het rapport Dullemond II, onder aftrek van een voorziening voor latente vennootschapsbelasting; 2) de taxatie/herwaardering – en daarom de waarde opnieuw vaststellen – van het immateriële activum ‘Makelaardij’ en 3) de taxatie/herwaardering – en daarom het opnieuw vaststellen – van de aandelen van Verheul Groep.
taxatie/herwaarderingvan de immateriële activa moet plaatsvinden. Het hof had in r.o. 3.8 en 3.9 niet voorbij mogen gaan aan processtap 2 uit bindend advies 3, die strekt tot herwaardering van de immateriële activa.
deel van subonderdeel 1.4faalt.
laatste zin van subonderdeel 1.4 en in subonderdeel 1.5klaagt Gander c.s. dat onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof tot een prijsbepaling is gekomen op basis van de parameters uit de laatst ingenomen standpunten van partijen uit november 2005 (Verheul) en december 2005 (Gander c.s.), door daar het midden van te nemen, terwijl de bindende adviezen, met name bindend advies 6, er juist toe strekken dat geen voorlopige parameters overeengekomen zijn als de bindende grondslag/methode voor de definitieve aandelenwaardering. Niet valt in te zien waarom die voorlopige, niet meer van toepassing zijnde parameters niettemin relevant zouden zijn voor de invulling van de leemte.
Voor het overige vormt het onderdeel een herhaling van reeds besproken klachten.
Hiernaast vermeld ik nog dat de Commissie er op p. 54 van het BAC-rapport, als reactie op Gander c.s.’ stelling dat de parameters volgens de berekening van 25 november 2005 geen geldigheid hebben omdat volgens Verheul een vaste prijs zou zijn overeengekomen, op wijst dat Gander c.s. met deze redenering voorbij gaat aan het verschil tussen een waarde en een prijs. Een prijs kan het resultaat zijn van onderhandelingen tussen partijen, een waarde is de uitkomst van waarderingsberekeningen. Een prijs kan uiteraard afwijken van een waardering, aldus de Commissie. Ik leid hieruit af dat bindend advies 6 niet uitsluit dat partijen wel door onderhandelingen (mede) op basis van de berekening van 25 november 2005 tot een prijs zijn gekomen.
laatste zin van subonderdeel 1.4 en subonderdeel 1.5falen.
werkelijke cijfersen de
hoogte van de Parametersvan de portefeuille. Zodat de
procesafspraak 2– waardebepaling van de Portefeuille – mede in dat kader geplaatst dient te worden.’
subonderdeel 1.7de klacht dat het hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan hetgeen Gander c.s. in de brief van 25 januari 2021 ter voorbereiding op de (voortgezette) mondelinge behandeling heeft gesteld en aan hetgeen mr. A.E. Koster tijdens de voortgezette mondelinge behandeling van (de p.i. spreekt van 21 januari 2021, maar kennelijk is bedoeld) 5 februari 2021 heeft toegelicht ten aanzien van de noodzaak van processtap 2 en de inschakeling van een deskundige voor dat doel. Tevens lees ik in de klacht dat het hof zonder enige motivering voorbij is gegaan aan de bewijsaanbiedingen in de brief van 25 januari 2021, in ieder geval ten aanzien van de directe relatie tussen de hoogte van de omzet- en winstcijfers van de Assurantieportefeuille en de hoogte van de parameters in dat verband, en ten aanzien van de bedoeling van partijen dat de koopsom gelijk is aan de werkelijke waarde, ‘hierbij in aanmerking nemend de waardering door deskundigen’. [102]
Subonderdeel 3.1valt verder uiteen in drie subonderdelen.
subonderdeel 3.1-ii.is gericht tegen r.o. 3.10, waarin het hof overwoog:
normalebedrijfsactiviteiten worden gebruikt, want die grondslag was voorheen gebruikelijk en de Commissie heeft in de bindende adviezen 1 t/m 3 nadrukkelijk bepaald dat de voordien gebruikelijke waarderingsmethode gehanteerd moet worden. Ter onderbouwing wijst Gander c.s. tevens op het vaststellingsdocument en stelt Gander c.s. dat beide partijen in eerste aanleg ook van de normale jaaromzet zijn uitgegaan.
moetworden gebracht alvorens de stille reserve te berekenen, maar wel dat de Commissie de handelswijze van partijen op dit punt heeft gevolgd. Dat het hof zijn beslissing heeft gemotiveerd met verwijzing naar de genoemde overweging van de Commissie vind ik daarom niet onbegrijpelijk of ontoereikend. Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 3.1falen.
Tevens bevat het subonderdeel de voortbouwklacht dat het hof ook in het schema in r.o. 3.14 een percentage van 11% aftrek voor latente belastingen had moeten invullen.
Subonderdeel 3.2faalt derhalve.
subonderdeel 3.3faalt.
In par. 84 en 85 van de akte uitlating na bindend advies verwijst Gander c.s. ter onderbouwing van het bewijsaanbod naar meerdere stukken uit het procesdossier van de Commissie, zonder specifiek aan te geven welke passages daaruit relevant zijn, terwijl het omvangrijke stukken betreft. Onder de stukken bevinden zich twee verklaringen van [betrokkene 5] . [122]
inhoudelijke– en voor de beslissing van de Commissie dragende – punt van de 200 aan het automatiseringsproject bestede mensdagen onjuist is en dat het hof van oordeel is dat het
dieonjuistheid niet heeft kunnen vaststellen. Hoewel deze uitleg voorbij gaat aan de in de brief van [commissielid 1] van 20 december 2018 en 1 maart 2019 genoemde – en ook door Verheul kennelijk als zodanig aangemerkte [124] – veronderstellingen c.q. vereisten ten aanzien van de deugdelijkheid van de verklaring (opgesteld door [betrokkene 1] , in zijn hoedanigheid van projectleider, in welke hoedanigheid hij beschikte over de genoemde feiten en aantallen), vind ik de overweging van het hof niet onbegrijpelijk. Dragend voor bindende beslissing 9 van de Commissie is mijns inziens immers, gelet op hetgeen de Commissie heeft vermeld in par. 4.4.5 van het BAC-rapport, dat in totaal rond de 200 interne mensdagen aan het project zijn besteed. Uitgaande van dat feit heeft de Commissie bindend beslist dat de normalisatie moet worden toegepast. Verder ligt ook ten aanzien van dit aspect van het voorbehoud een beperktere uitleg daarvan meer voor de hand dan een ruime uitleg, gelet op het doel van het bindend advies om geschilpunten te beslechten. Het bewijsaanbod en de daarin verweven stellingen waarop Gander c.s. zich in het onderdeel beroept, zien hoofdzakelijk op de deugdelijkheid van de in 2010 ondertekende verklaring van [betrokkene 1] . Bovendien heeft [betrokkene 1] , in zijn verklaring uit 2018, waarnaar Gander c.s. in het onderdeel verwijst, weliswaar vermeld dat hij niet beschikte over gegevens over het aantal werkdagen dat andere medewerkers aan het automatiseringsproject werkten, maar ook dat de opgave van de 200 dagen die hij zelf aan het project gewerkt heeft een inschatting is geweest op basis van wat hij zich toen kon herinneren. Anders dan het onderdeel betoogt, lees ik de verklaring van [betrokkene 1] dus niet zo dat hij in het
geheelniet meer achter de verklaring uit 2010 staat. Gander c.s. licht in de in het onderdeel aangehaalde passages uit de akte uitlating na bindend advies echter niet toe waarom de inschatting van de 200 interne mensdagen onjuist zou zijn. Gelet op het voorgaande is de overweging dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de verklaring van [betrokkene 1] niet juist was, mijns inziens niet onbegrijpelijk en kon het hof zonder nadere motivering aan het bewijsaanbod van Gander c.s. voorbijgaan.
onderdeel 5klaagt Gander c.s. dat onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 3.2 overweegt dat Gander c.s. na eiswijziging de rente (pas) vanaf 1 januari 2016 zouden vorderen.
Zowel primair als subsidair
subonderdeel 6.1 (midden)en
subonderdeel 6.2. Hierin klaagt Gander c.s. dat het hof in r.o. 3.17 niet voorbij had mogen gaan aan het feit dat de Commissie in ‘bindend advies 14’ heeft vastgesteld dat sprake is van een handelstransactie, dat de wettelijke handelsrente van toepassing is en dat alleen verschillend geoordeeld kan worden over de datum van ingang en evenmin aan het oordeel van de Commissie op p. 48, derde alinea van het BAC-rapport en aan het oordeel van de Commissie op p. 62 van het BAC-rapport dat partijen niet hebben voorzien in een contractuele regeling voor het geval de uitvoering van de koopovereenkomst zou stokken zodat op die grond gesproken moet worden van een leemte in de overeenkomst.
subonderdelen 6.1 (midden) en 6.2slagen niet.
begin van subonderdeel 6.1klaagt Gander c.s. dat het oordeel van het hof in r.o. 3.17 onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof hiermee voorbij is gegaan aan de stellingen van Gander c.s. en het daarop gebaseerde bewijsaanbod, welke stellingen inhouden dat de wettelijke rente in de leveringsakte van 5 januari 2006 alleen bedoeld was voor de periode die nodig was ‘voor de bepaling van hetgeen verschuldigd blijkt te zijn na de herwaardering op basis van de definitieve cijfers en redelijkerwijs niet voor een (langjarige) periode van betalingsverzuim.’
slot van subonderdeel 6.1klaagt Gander c.s. dat het hof niet zonder enige motivering de stelling van Gander c.s. had mogen passeren dat de handelsrente van toepassing is vanaf de datum waarop Verheul met de nakoming van de koopovereenkomst in verzuim gekomen is, althans dat Verheul de handelsrente op grond van de redelijkheid en billijkheid verschuldigd is vanaf de datum waarop Verheul in verzuim is met de nakoming van de koopovereenkomst.
subonderdeel 6.3klaagt Gander c.s. dat het hof heeft miskend dat in de koopovereenkomst is bepaald dat tot eindafrekening overgegaan moet worden ‘zodra de jaarrekening tweeduizendvijf, met een aan de hand van voorgaande herwaarderingen aangepaste slotbalans […] tussen partijen vaststaat.’ Het subonderdeel betoogt dat Verheul vanaf 14 februari 2008 steeds de opstelling van de slotbalans heeft verhinderd, terwijl de jaarrekening 2005 vaststond vanaf 22 januari 2007 en dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom Verheul niet vanaf 14 februari 2008, dan wel vanaf een door het hof in de redelijkheid te bepalen datum de wettelijke handelsrente verschuldigd is in verband met de hardnekkige weigering de onderhavige overeenkomst deugdelijk na te komen. Ter onderbouwing citeert het onderdeel een passage uit par. 4.6.1, p. 49 van het BAC-rapport, waarin de Commissie volgens het onderdeel unaniem afkeurend oordeelt over Verheuls weigering tot nakoming.
begin van subonderdeel 6.1af.
slot van subonderdeel 6.1en in
subonderdeel 6.3bouwen voort op de klacht aan het begin van subonderdeel 6.1, omdat zij veronderstellen dat de bepaling over de wettelijke rente in de leveringsakte niet ziet op de vertragingsschade en falen daarom eveneens.
Subonderdeel 6.3
Onderdeel 7heeft betrekking op r.o. 3.19:
Tevens voert het onderdeel aan dat Verheul als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden en dat Gander c.s. aanzienlijke kosten heeft moeten maken om de kennelijk onredelijke en onjuiste standpunten van Verheul te bestrijden.
Verder klaagt het onderdeel dat het hof zijn oordeel over de proceskosten ontoereikend gemotiveerd heeft, omdat Gander c.s. uitvoerig en onderbouwd gesteld heeft dat en waarom het in casu redelijk is dat Verheul in de proceskosten veroordeeld wordt.
Ten slotte klaagt het onderdeel dat het hof niet voorbij had mogen aan het oordeel van de Commissie op p. 62 van het BAC-rapport dat partijen niet hebben voorzien in een contractuele regeling voor het geval de uitvoering van de koopovereenkomst zou stokken, zodat op die grond gesproken moet worden van een leemte in de overeenkomst.
Onderdeel 7faalt.
Onderdeel 8bevat een algemene voortbouwklacht. Aangezien alle voorgaande onderdeel falen, faalt dit onderdeel eveneens.