ECLI:NL:PHR:2022:608

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
20/04139
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 SvArt. 39 Sv (oud)Art. 40 SvArt. 48 SvArt. 51 Sv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat raadsman zich tijdig bij griffie moet stellen voor erkenning in strafproces

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens schuldwitwassen. De raadsman stelde zich bij het Openbaar Ministerie met een faxbrief zonder parketnummer, maar niet bij de griffie van de rechtbank. Het hof wees het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank af, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2017, waarin is bepaald dat de verantwoordelijkheid voor het tijdig melden van het optreden van de raadsman bij de griffie bij de raadsman zelf ligt.

De raadsman voerde aan dat hij niet was opgeroepen voor de zitting en het dossier niet had ontvangen, en dat het verzuim bij het Openbaar Ministerie lag. Het hof oordeelde dat het ontbreken van een parketnummer geen vrijbrief is om zich niet bij de griffie te melden en dat de raadsman een vinger aan de pols moet houden. Het hof handhaafde zijn eerdere beslissing en wees het verzoek tot terugwijzing af.

De Hoge Raad bevestigde dat art. 38 en Pro 40 Sv niet voorzien in een verplichting voor het OM om de griffie te informeren en dat de raadsman zich zelf moet melden bij de griffie met voldoende nauwkeurigheid, waaronder het parketnummer. De cassatie klaagde over deze strikte uitleg, maar faalde. De Hoge Raad wees op een wetsvoorstel dat de regeling zal wijzigen, waarbij de kennisgeving aan de officier van justitie centraal wordt gesteld, maar deze wijziging was nog niet van toepassing.

De Hoge Raad concludeerde dat de afwijzing van het verzoek tot terugwijzing niet onbegrijpelijk of onjuist is en dat de huidige regeling geldt dat erkenning van de raadsman bij de griffie vereist is voor het recht op processtukken en oproeping. De zaak wordt inhoudelijk behandeld in hoger beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank wordt afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04139
Zitting28 juni 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 8 december 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens “schuldwitwassen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1.
Het middel klaagt over de (herhaalde) afwijzing door het hof van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank voor een nieuwe berechting in eerste aanleg.
3.2.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een door de raadsman van de verdachte, mr. W.B.M. Bos, aan het Openbaar Ministerie gefaxte stelbrief [1] , inhoudende:
“Openbaar Ministerie Den Haag
Postbus 20302
2500 EH Den Haag
PER TELEFAX: 088 699 01 84
Datum: Oud-Beijerland, 22 januari 2018
Dossier: [verdachte] / OM 18-1
Parketnummer: Onbekend, PL 1500-2017268119
Edelachtbare heer / vrouwe,
Overeenkomstig artikel 39 Sv Pro stel ik mij hierbij als raadsman voor:
De heer / mevrouw : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] -1995
Wonende te : [woonplaats]
Gedetineerd : Nee
Parketnummer : Onbekend, PL 1500-2017268119
Voor de zitting van : Onbekend
Cliënte is opgeroepen voor verhoor as. vrijdag 26 januari 2018 (zie bijlage).
Gaarne ontvang ik zo spoedig mogelijk een afschrift van het eindproces-verbaal, alsmede alle overige voor de verdediging van belang zijnde stukken.
Voor uw medewerking zeg ik u bij voorbaat dank,
In afwachting van uw reactie, verblijft,
Met vriendelijke groet,
W.B.M. Bos
Bijl. – Oproep verhoor” [2]
3.3.
De verdachte is bij vonnis van 21 augustus 2019 door de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis is op 11 oktober 2019 namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De aan de akte hoger beroep gehechte appelschriftuur houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Edelgrootachtbare,
Op 11 oktober 2019 liet ik hoger beroep instellen tegen vermeld vonnis. Een kopie van de akte sluit ik als bijlage bij deze schriftuur. Hierbij stel ik mij voorts als raadsman van cliënte in hoger beroep.
Cliënte is bij verstek veroordeeld bij vonnis van 21 augustus 2019. In de strafzaak is zij op 26 januari 2018 opgeroepen voor verhoor. Per fax van 22 januari 2018 heb ik mij als raadsman gesteld van cliënte. Een kopie van het faxbericht alsmede de faxbevestiging sluit ik als bijlage bij deze schriftuur.
Door de officier van justitie is verzuimd mij in kennis te stellen en op te roepen voor de zitting d.d. 21 augustus 2019. Evenmin is het dossier aan de verdediging verstrekt.
Het niet oproepen van de gestelde raadsman leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting. Ik verzoek u dan ook het vonnis van de politierechter te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag.
Met vriendelijke groet,
W.B.M. Bos
Advocaat”
3.4.
Het door het hof gewezen tussenarrest van 30 juli 2020 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Standpunt van de raadsman en van de advocaat-generaal
Ter terechtzitting heeft de raadsman zich - zoals reeds aangekondigd in zijn appelschriftuur - op het standpunt gesteld dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig moet worden verklaard, nu hij zich op 22 januari 2018 als raadsman gesteld heeft bij het Openbaar Ministerie, maar niet is opgeroepen voor de zitting in eerste aanleg van 21 augustus 2019. Evenmin is aan de raadsman het procesdossier verstrekt. De raadsman heeft aangegeven dat op het moment dat het strafonderzoek nog loopt, het vaak niet goed mogelijk is om met de vereiste nauwkeurigheid een stelbrief aan de griffie van de rechtbank te sturen, nu op dat moment een parketnummer nog niet bekend is, zo ook in dit geval. De raadsman verzoekt het hof het vonnis van de politierechter te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Den Haag.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat terugwijzing naar de Rechtbank Den Haag niet noodzakelijk is, nu de Hoge Raad voldoende duidelijk voorschrijft dat een raadsman die zich niet bij de griffie van de rechtbank stelt, zich niet kan beroepen op het feit dat hij voor de zitting in eerste aanleg niet als raadsman is erkend.
Beoordeling door het hof
Uit de door de raadsman in het geding gebrachte stukken is het hof gebleken dat deze zich bij faxbericht d.d. 22 januari 2018 aan het Openbaar Ministerie als raadsman in deze zaak heeft gesteld. In genoemde brief heeft de raadsman aangegeven dat het parketnummer van de zaak
onbekend is. Wel staat daarin het nummer van het proces-verbaal vermeld. Desgevraagd heeft de raadsman aangegeven dat hij zich niet ter griffie van de rechtbank Den Haag als raadsman heeft gesteld.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2250) overwogen 'dat gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging - waaronder begrepen het belang dat op niet voor misverstand vatbare wijze is vastgelegd dat de verdachte op de terechtzitting zal worden bijgestaan door een raadsman - onder het huidige wetboek (...), moet worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan
beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend, (...).’ Voorts overweegt de Hoge Raad in dit arrest: 'het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven - door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- en of rolnummer - op welke zaak het optreden betrekking heeft.'
Naar het oordeel van het hof heeft de Hoge Raad deze regel aldus geformuleerd dat deze weinig tot geen ruimte laat voor uitzonderingen. Het belang van een goede organisatie van de rechtspleging staat voorop. De omstandigheid dat de raadsman (nog) niet over een parketnummer beschikt brengt niet mee dat de raadsman met een stelbrief aan het Openbaar Ministerie kan volstaan. Van de raadsman kan en mag in dat geval worden verlangd, dat hij vinger aan de pols houdt en tijdig bij de justitiële autoriteiten dan wel bij zijn cliënt informeert of er inmiddels een parketnummer bekend is, zodat hij met de vereiste nauwkeurigheid een stelbrief kan sturen aan de griffie van het gerecht waar de zaak dient.
Het bovenstaande brengt mee dat de raadsman er zich niet met vrucht op kan beroepen dat hij in eerste aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend. Het verzoek tot terugwijzing wordt dan ook afgewezen.
Dat betekent dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst.”
3.5.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2020 is door de raadsman van de verdachte, blijkens de aldaar door hem overgelegde pleitnota, het volgende preliminaire verweer gevoerd:
“Edelgrootachtbaar college,
Op 16 juli 2020 stond de zaak van cliënte [verdachte] op de rol van dit Gerechtshof. Bij gelegenheid van die behandeling heeft de verdediging u verzocht het vonnis van de rechtbank Den Haag vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, nu ik als advocaat niet was opgeroepen voor de behandeling van de strafzaak aldaar. Voor de verdere onderbouwing heb ik verwezen naar de appelschriftuur en ik verzoek u de inhoud hiervan als herhaald en ingelast te
beschouwen.
Bij tussenarrest van 30 juli 2020 heeft uw Gerechtshof dit verweer verworpen en de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd.
Uw Gerechtshof heeft dat verweer niet gehonoreerd met de motivering, kort gezegd, dat uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 5 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2250) zou blijken dat een raadsman alleen als zodanig kan worden erkend als hij zich heeft gesteld bij de rechtbank. Uw Hof stelde in voornoemd tussenarrest
“Het belang van een goede rechtspleging staat voorop. De omstandigheid dat de raadsman nog niet over een parketnummer beschikt brengt niet mee dat de raadsman met een stelbrief aan het Openbaar Ministerie kan volstaan. Van de raadsman kan en mag in dat geval worden verlangd, dat hij vinger aan de pols houdt en tijdig bij de justitiële autoriteiten dan wel bijzijn cliënt informeert of er inmiddels een parketnummer bekend is, zodat hij met de vereiste nauwkeurigheid een stelbrief kan sturen aan de griffie van het gerecht waar de zaak dient”.
Ik ben geen slecht verliezer en realiseerde me dat ik me zou moeten neerleggen bij uw oordeel in dit tussenarrest.
Op 22 oktober 2020 diende voor dit Hof echter de zaak van mijn cliënt [betrokkene 1] onder rolnummer 22/003551-19. In die zaak speelde exact hetzelfde. Ik had mijzelf als raadsman gesteld bij het openbaar ministerie naar aanleiding van het verhoor van cliënt. Vervolgens was de zaak inhoudelijk afgedaan op zitting van de rechtbank zonder dat ik was opgeroepen. Ook daar verzocht ik het Gerechtshof vernietiging en terugverwijzing. Met uw tussenarrest in mijn achterhoofd had ik mij danig voorbereid op de verdere onderbouwing van dit verweer.
Tot mij verbazing stelde in die zaak echter direct de Advocaat Generaal zich op het standpunt dat, nu ik mij had gesteld bij het openbaar ministerie en ik niet was opgeroepen, de enige juiste beslissing was dat het vonnis werd vernietigd en terugverwezen, teneinde het recht van cliënt op berechting in twee feitelijke instanties te verzekeren.
De voorzitter deelde mij mede dit standpunt te delen en zonder dat ik mij pleidooi nog hoefde te voeren heeft uw Gerechtshof het vonnis in die zaak vernietigd en de zaak terug verwezen naar de rechtbank Rotterdam. Een kopie van dit arrest wordt als bijlage aan deze pleitnota gehecht.
Ik heb het Hof in die zaak nog gewezen op uw tussenarrest teneinde uit te leggen waarom ik meer verzet had verwacht, maar de voorzitter deelde mij mede dat er diverse uitspraken van uw Gerechtshof zijn waar identiek aan de zaak van [betrokkene 1] is geoordeeld en anders dan u in uw tussenarrest heeft gedaan. Ik heb deze jurisprudentie niet kunnen vinden, maar als dit juist is zou uw tussenarrest een breuk met die lijn zijn.
Nu ik, zoals gezegd, mijn standpunt dat de zaak diende te worden teruggewezen in die zaak nader had uitgewerkt, maar niet naar voren hoefde te brengen, maak ik van de gelegenheid gebruik om deze nadere uitwerking hier naar voren te brengen en u, wellicht met voortschrijdend inzicht, te verzoeken terug te komen op uw eerder ingenomen standpunt, het vonnis te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank om opnieuw te worden afgedaan.
Ik wijs uw Gerechtshof hiertoe behalve op het arrest in de zaak [betrokkene 1] ook op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 november 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4770). Hier speelde eveneens de situatie dat de raadsman zich had gesteld bij het O.M. en het O.M. verzuimd had de raadsman verder in kennis te stellen. Het Hof gaat ook in op de criteria van de Hoge Raad die uw Hof aanhaalde in het tussenarrest.
Het Hof overwoog:
In deze zaak heeft de raadsman zich op 25 april 2018 gesteld bij het openbaar ministerie toen hem bekend werd dat tegen de verdachte een opsporingsonderzoek gaande was. Het lijkt erop dat aan de raadsman op of vlak na 22 mei 2018 stukken van het dossier zijn toegezonden, maar aannemelijk is dat hij nadien niet op de hoogte is gesteld van de verdere ontwikkelingen in de zaak. Dit laatste valt blijkens de toelichting van de advocaat-generaal te verklaren uit het feit dat de
computersystemen van het openbaar ministerie (nog) niet voorzien in de mogelijkheid een advocaat te koppelen aan een zaak waarvan nog geen parketnummer bekend is, terwijl een parketnummer pas wordt toegekend aan een zaak als het politiedossier definitief is. De door de Hoge Raad voorgeschreven wijze van stellen - onder “vermelding van onder meer het parketnummer ” - veronderstelt evenwel dat een parketnummer aan de desbetreffende zaak is
toegekend (en dit parketnummer bekend is bij de advocaat).
Het onderhavige geval kenmerkt zich onder andere hierdoor dat de raadsman zich bij het openbaar ministerie onder vermelding van het (juiste) proces-verbaalnummer had gesteld toen de zaak nog geen parketnummer had, terwijl hij niet op de hoogte is gehouden van de ontwikkelingen in de zaak, dus ook niet van de beslissing de verdachte te vervolgen. Het hof is van oordeel dat (beperkingen in) de wijze waarop digitale werkprocessen bij het openbaar ministerie worden ingericht - waarop verdachten en raadslieden in de regel geen invloed kunnen uitoefenen - niet aan de verdediging kunnen worden tegengeworpen.
Bij deze stand moet worden geconstateerd dat het verzuim van de raadsman zich (op de juiste wijze) bij de griffie van de rechtbank te stellen niet voor rekening van de verdediging komt. Dit brengt mee dat aan dit verzuim niet het gevolg kan worden verbonden dat de raadsman niet als zodanig hoefde te worden erkend bij de berechting in eerste aanleg.
Dit heeft als gevolg gehad dat de raadsman in de onderhavige zaak ten onrechte niet op de voet van artikel 48 Sv Pro op de hoogte is gebracht van de terechtzitting in eerste aanleg. Voorts heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat die terechtzitting hem tevoren bekend was.
Dit brengt mee dat, nu de raadsman een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, toepassing moet worden gegeven aan artikel 423 lid 2 Sv Pro, zodat de zaak zal worden teruggewezen naar de rechtbank.
Ik sluit mij aan bij deze redenering van het Gerechtshof Amsterdam.
De redenering van uw Gerechtshof in het tussenarrest komt er op neer dat een fout gemaakt bij het Openbaar Ministerie (namelijk de advocaat niet op de hoogte houden) de verdediging wordt verweten, nu geen “vinger aan de pols” is gehouden.
Sinds voornoemd tussenarrest stel ik mij in elke zaak na aanhouding van cliënt bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank. De rechtbank kan echter niets met een stelbrief zonder parketnummer. Het kan niet zo zijn dat van de verdediging wordt verwacht dat in iedere zaak die een advocaat behandelt in de piketfase deze periodiek opnieuw een stelbrief stuurt aan het parket met de vraag of er inmiddels wel een parketnummer bekend is. Hier zou bijkans separaat personeel voor moeten worden aangenomen.
Hier komt nog bij dat, nu nog meer dan eerder, veel zaken nimmer bij een rechtbank terecht komen. Een groot deel van de strafzaken wordt immers afgedaan via een OM zitting / via een strafbeschikking.
De verantwoordelijkheid om de advocaat, die zich heeft gesteld bij het O.M., op de hoogte te brengen en te houden, zodat die zich met de vereiste nauwkeurigheid (eveneens) bij het gerecht kan stellen, ligt bij het Openbaar Ministerie. Een fout in die verantwoordelijkheden mag, niet door uw Gerechtshof worden tegengeworpen aan mij als advocaat.
De Hoge Raad gaat er in haar arrest vanuit dat een raadsman zich stelt bij de rechtbank, zoals het Hof Amsterdam overwoog, met “vermelding van onder meer het parketnummer”. Dit duidt erop dat de Hoge Raad ervan uit gaat dat zodra een parketnummer bekend is geworden, bijvoorbeeld door dagvaarding, de raadsman zich (eveneens) stelt bij de rechtbank.
In deze zaak was ten tijde van het stellen als raadsman echter geen parketnummer bekend. De mogelijkheid om alsnog te stellen bij de rechtbank, na bekendwording van een parketnummer, is de verdediging ontnomen door de verdediging verdere informatie over de behandeling van de zaak te onthouden, ondanks dat de stelbrief, conform de aan de appelschriftuur gehechte stelbrief met faxbevestiging, in goede orde door het openbaar ministerie was ontvangen. Dit valt, zoals gezegd,
het openbaar ministerie te verwijten, niet de verdediging.
Volledig in de lijn met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam en de uitspraak in de zaak [betrokkene 1] van dit Gerechtshof en de lijn van uw hof verzoek ik u dan ook het vonnis te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag op grond van artikel 423 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering.
Ik dank u voor uw aandacht.”
3.6.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2020 houdt, voor zover van belang, voorts nog het volgende in:
“In reactie op het preliminair verweer deelt de advocaat-generaal mede:
Het hof heeft reeds bij tussenarrest van 30 juli 2020 op dit verweer beslist. Het verzoek tot
terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is toen afgewezen en mijns inziens is er nu geen reden voor een andere beslissing. De jurisprudentie die de raadsman aandraagt ziet op een andere situatie.
De raadsman deelt mede:
Mijn stelbrief is destijds ontvangen door het Openbaar Ministerie en is vervolgens kennelijk zoek
geraakt. Hierdoor kon ik mij niet als raadsman stellen bij de rechtbank.
De advocaat-generaal krijgt de mogelijkheid om hierop te reageren, maar maakt daarvan geen gebruik.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het verzoek tot terugwijzing wordt afgewezen. Het hof ziet geen reden om terug te komen op de eerdere beslissing van het hof op dit punt. Er hebben zich in de tussentijd geen nieuwe feiten of dwingende juridische ontwikkelingen voorgedaan, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De zaak zal nu inhoudelijk worden behandeld in hoger beroep.”
3.7.
In de toelichting op het middel wordt de vraag gesteld of de lijn in het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2250) nog steeds geldt en ook of de strikte uitleg van het hof in de onderhavige zaak in die lijn past. Meer in het bijzonder gaat het dan om de vraag of de raadsman of raadsvrouw die zich op het moment dat de zaak nog niet aanhangig is bij een rechtbank, stelt bij het openbaar ministerie, maar vervolgens niet op de hoogte wordt gehouden van een vervolgbeslissing, als raadsman of raadsvrouw dient te worden erkend en dient te worden opgeroepen, ook indien hij of zij zich niet heeft gesteld bij de griffie van de betrokken rechtbank, nu hij of zij van de vervolging niet op de hoogte was. Volgens de steller van het middel staat in de situatie dat een parketnummer (en mitsdien het gerecht) bekend is buiten kijf dat van de advocaat mag worden verwacht dat deze zich bij het betreffende gerecht stelt als raadsman onder vermelding van de zaak en het parketnummer, maar blijkt uit genoemd arrest van de Hoge Raad niet expliciet dat dit vereiste ook geldt indien de advocaat zich voordat de zaak wordt vervolgd stelt bij het Openbaar Ministerie. In het onderhavige geval had het hof dan ook moeten kiezen voor de lijn die in de in de pleitnota genoemde arresten is gekozen.
3.8.
In zijn arrest van 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250 heeft de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
“2.4.
Het middel berust op de stelling dat de verdachte in eerste aanleg was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, zodat ingevolge art. 51 (oud) Sv een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg had moeten worden verzonden aan mr. P.C. Verloop.
2.5.1.
Art. 39, eerste lid, (oud) Sv luidt:
"De gekozen raadsman geeft van zijn optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan den in de zaak betrokken hulpofficier."
2.5.2.
De Hoge Raad heeft het eerste lid van art. 39 (oud) Sv aldus uitgelegd dat het een ordemaatregel bevat en dat een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 3.2.2). Dat neemt niet weg dat een advocaat die verzuimt voor de desbetreffende aanleg bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen - volgens de wetsgeschiedenis "een niet noemenswaardigen last" - het gevaar loopt "door de bij de zaak betrokken autoriteiten aanvankelijk niet als de raadsman van de verdachte te worden erkend en behandeld" (Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 72) en dat hij als gevolg daarvan niet op de voet van art. 51 (oud) (thans art. 48) Sv afschrift ontvangt van de stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht.
2.5.3.
Bij de op 1 maart 2017 in werking getreden wet van 17 november 2016, Stb. 476, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige nadere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, is de regeling van het eerste lid van art. 39 (oud) Sv vervangen door een regeling die inhoudt dat de gekozen raadsman alsook de door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aangewezen raadsman van hun optreden voor de verdachte kennis geven aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en tevens aan de rechter-commissaris ingeval deze uit hoofde van de art. 181-183 Sv onderzoekshandelingen verricht (art. 38, vijfde lid, en 40, tweede lid, Sv). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet blijkt niet op welke wijze deze kennisgeving aan - kort gezegd - de (hulp)officier van justitie moet worden gedaan en evenmin waarom de (schriftelijke) kennisgeving aan de griffie is vervallen. In het bijzonder blijkt uit de wetsgeschiedenis niet hoe - ingeval de verdachte wordt gedagvaard om terecht te staan - de raadsman kan verzekeren dat hij door de rechter als zodanig wordt erkend en op de hoogte wordt gesteld van de terechtzitting teneinde aldaar zijn (kern)rol te vervullen. (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557.) Evenmin voorzien art. 38 en Pro 40 Sv in de verplichting voor de in die bepaling genoemde personen om, indien de zittingsrechter wordt betrokken in de zaak, het desbetreffende gerecht te verwittigen van de kennisgeving van de raadsman.
2.5.4.
Dit betekent dat de tegenwoordige regeling licht aanleiding kan geven tot fouten en misverstanden omtrent de vraag of de verdachte is (of werd) bijgestaan door een raadsman en dat daardoor een ordelijk procesverloop in gevaar komt. Uit niets blijkt dat de wetgever dit risico onder ogen heeft gezien en nog minder dat hij dit heeft aanvaard. Daarom moet, gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging - waaronder begrepen het belang dat op niet voor misverstand vatbare wijze is vastgelegd dat de verdachte op de terechtzitting zal worden bijgestaan door een raadsman - onder het huidige wetboek en in afwijking van de hiervoor vermelde rechtspraak, worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend, dus ook niet indien hij wel de in art. 38, vijfde lid, en art. 40, tweede lid, Sv bedoelde kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie en/of de rechter-commissaris heeft gedaan. Het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven - door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer - op welke zaak het optreden betrekking heeft.
2.5.5.
Nu de advocatuur tot dit arrest niet bedacht behoefde te zijn op de onder 2.5.4 geformuleerde regels betreffende het schrijven aan de griffie, ziet de Hoge Raad aanleiding om als overgangsmaatregel een uitzondering op die regels te aanvaarden in gevallen waarin de advocaat zich in de periode van 1 maart 2017 tot 1 oktober 2017 overeenkomstig art. 38, vijfde lid, Sv of art. 40, tweede lid, Sv heeft gesteld bij de hulpofficier van justitie, de officier van justitie of de rechter-commissaris.”
3.9.
Kort samengevat komt een en ander hierop neer. Ingevolge art. 38, vijfde lid, Sv geeft de gekozen raadsman kennis van zijn optreden voor de verdachte aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en in geval deze uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, tevens aan de rechter-commissaris. Art. 40, tweede lid, Sv houdt hetzelfde voorschrift in voor wat betreft de (door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand) aangewezen raadsman. De (schriftelijke) kennisgeving aan de griffier, zoals was verwoord in art. 39 (oud) Sv, is bij het in werking treden van genoemde artikelen op 1 maart 2017 vervallen. In zijn arrest van 5 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2250 heeft de Hoge Raad, gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, als regel gesteld dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend. Deze regel geldt ook indien de advocaat wel de in art. 38, vijfde lid, en art. 40, tweede lid, Sv bedoelde kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie en/of de rechter-commissaris heeft gedaan.
3.10.
Het hof heeft vastgesteld dat uit de door de raadsman in het geding gebrachte stukken blijkt dat de raadsman zich bij faxbericht d.d. 22 januari 2018 aan het Openbaar Ministerie als raadsman in deze zaak heeft gesteld en dat dit faxbericht inhoudt dat het parketnummer van de zaak onbekend is, dat daarin wel het nummer van het proces-verbaal staat vermeld en ook dat de raadsman heeft aangegeven dat hij zich niet ter griffie van de rechtbank Den Haag als raadsman heeft gesteld. Dat het hof spreekt over door de raadsman in het geding gebrachte stukken, lijkt te impliceren dat genoemd faxbericht d.d. 22 januari 2018 niet aanwezig was in het dossier dat de politierechter ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de in het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2017 geformuleerde regel weinig tot geen ruimte laat voor uitzonderingen en dat het belang van een goede organisatie van de rechtspleging voorop staat. Volgens het hof brengt de omstandigheid dat de raadsman (nog) niet over een parketnummer beschikt niet mee dat de raadsman met een stelbrief aan het Openbaar Ministerie kan volstaan, maar kan en mag van de raadsman worden verlangd dat hij een vinger aan de pols houdt en tijdig bij de justitiële autoriteiten dan wel bij zijn cliënt informeert of er inmiddels een parketnummer bekend is, zodat hij met de vereiste nauwkeurigheid een stelbrief kan sturen aan de griffie van het gerecht waar de zaak dient. In het onderhavige geval kan de raadsman zich er volgens het hof dan ook niet met vrucht op beroepen dat hij in eerste aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend en wordt het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank afgewezen. Ook nadien heeft het hof het bij preliminair verweer herhaalde verzoek tot terugwijzing afgewezen, omdat er zich in de tussentijd geen nieuwe feiten of dwingende juridische ontwikkelingen hebben voorgedaan, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
3.11.
Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de (herhaalde) afwijzing van het verzoek tot terugwijzing niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De afwijzing is bovendien niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 5 september 2017 volgt immers dat de verantwoordelijkheid voor het tijdig in kennis stellen van de rechtbanken van het optreden van de raadsman ingevolge de huidige wettelijke regeling niet bij het Openbaar Ministerie, maar bij de raadsman zelf ligt. Art. 38 en Pro 40 Sv voorzien niet in de verplichting voor de in die bepaling genoemde personen om, indien de zittingsrechter wordt betrokken in de zaak, het desbetreffende gerecht te verwittigen van de kennisgeving van de raadsman. Ook houdt genoemd arrest expliciet in dat de daarin aangescherpte regels betreffende het optreden van de raadsman ook gelden indien de raadsman, zoals in het onderhavige geval, een kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie heeft gedaan. Deze jurisprudentiële lijn is door de Hoge Raad tot op heden niet gewijzigd [3] , zodat het oordeel van het hof dat er zich tussen het wijzen van het tussenarrest en het eindarrest geen dwingende juridische ontwikkelingen hebben voorgedaan die tot een ander oordeel leiden, evenmin onbegrijpelijk is. Dat een andere kamer van hetzelfde hof en het hof in Amsterdam in de tussenliggende fase tot een ander oordeel zijn gekomen, maakt het voorgaande mijns inziens niet anders. In de in dat verband genoemde zaken had de raadsman overigens, nadat hij zich bij de officier van justitie had gesteld, wel stukken van het Openbaar Ministerie ontvangen.
3.12.
Het middel faalt.
3.13.
Ten overvloede merk ik nog op dat de huidige regeling betreffende het optreden van de raadsman in de toekomst wellicht op de schop gaat. Het “Voorstel van wet tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetsvoorstel zoals aangeboden aan de Raad van State)” [4] houdt ter zake van de kennisgeving van het optreden van de raadsman een nieuw artikel in, dat luidt als volgt:
“Artikel 1.4.10
1. De gekozen of de op grond van artikel 1.4.12 aangewezen raadsman stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis van zijn optreden voor de verdachte. Indien de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek of in verzekering is gesteld, doet de gekozen raadsman van zijn optreden tevens mededeling aan de hulpofficier van justitie.
2. Zodra de officier van justitie deze kennisgeving heeft ontvangen, voegt hij deze bij de processtukken.
3. De gekozen of aangewezen raadsman stelt de rechtbank in kennis van zijn optreden voor de verdachte in een zaak waarin een procesinleiding is ingediend, tenzij hij al eerder van zijn optreden
voor de verdachte kennis heeft gegeven aan de officier van justitie.
4. Indien de gekozen of aangewezen raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsman vervangt, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. De gekozen raadsman stelt van de vervanging ook de raadsman die hij vervangt in kennis, alsmede het bestuur van de raad voor rechtsbijstand voor zover de raadsman die hij vervangt eerder door dat bestuur is aangewezen. Door de kennisgeving aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand eindigen de werkzaamheden van de vervangen raadsman.
5. Indien het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 1.4.11 een raadsman heeft aangewezen, stelt het bestuur daarvan de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, de
raadsman en de verdachte in kennis. Het tweede lid is van toepassing.
6. Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, stelt de raadsman van zijn optreden voor de verdachte het gerechtshof respectievelijk de Hoge Raad in kennis.”
3.14.
In de Memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel wordt dit artikel als volgt toegelicht:
“Artikel 1.4.10 [kennisgeving optreden raadsman]
Deze bepaling is nieuw en voorziet in een algemene regeling voor de kennisgeving door de
raadsman van diens optreden voor de verdachte.
De kennisgeving door de raadsman is in de praktijk beter bekend als de “stelbrief”. Het belang van
deze stelbrief is tweeledig. In eerste instantie is het belangrijk dat aan de kant van de betrokken autoriteiten duidelijkheid bestaat over de vraag of de verdachte wordt bijgestaan door een raadsman, en zo ja, welke. Alleen dan immers kan de raadsman tijdig van relevante processtukken worden voorzien en kan hem de procesinleiding worden toegezonden. Tegelijkertijd is een zorgvuldige administratie van wie als raadsman voor de verdachte optreedt, relevant vanwege een adequate uitvoering van het stelsel van rechtsbijstand en de op grond van de Wet op de rechtsbijstand uit te keren vergoedingen.
De NOvA heeft in haar advies aandacht gevraagd voor de wijziging die in 2017 in de regeling van
de stelbrief is doorgevoerd. Die regeling is momenteel opgenomen in artikel 38, vijfde lid, en houdt ten opzichte van artikel 39 (oud) kort en goed in dat de gekozen raadsman de kennisgeving van zijn optreden in de regel niet meer aan de griffie van de rechtbank richt, maar in plaats daarvan aan de hulpofficier van justitie en officier van justitie. Indien de rechter-commissaris in de zaak onderzoek verricht, dient de kennisgeving bovendien aan de rechter-commissaris te worden gezonden.
In de rechtspraktijk is de zorg geuit dat de regeling die in het huidige wetboek is opgenomen onvoldoende waarborgen biedt dat ook de rechtbank van het optreden van de raadsman in kennis
wordt gesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2250,
NJ 2018/387) uitgesproken dat de stelbrief om die reden telkens óók aan de griffie van het betrokken gerecht wordt gericht, naast de in artikel 38, vijfde lid, genoemde autoriteiten. De Hoge
Raad maakt daarbij geen onderscheid tussen de gekozen en aangewezen raadsman. De plicht een stelbrief te versturen naar de griffie geldt ook, zo heeft de Hoge Raad in een arrest van 3 juli 2018 geoordeeld, voor de fase van het hoger beroep (ECLI:NL:HR:2018:1052).
De voorgestelde regeling beoogt de in de praktijk ontstane onduidelijkheid over de strekking van de stelbriefregeling op te heffen. De zorgen over het tijdig in kennis stellen van de rechtbanken van het optreden van de raadsman zijn ondervangen door in de wet, anders dan thans het geval is, vast te leggen dat de officier van justitie bij de routering van de stelbrief een centrale plaats toekomt. Door voeging van de stelbrief bij de processtukken is het niet nodig om voor te schrijven dat de raadsman zich apart stelt bij de rechtbank. Door de officier van justitie een belangrijkere rol te geven, wordt ook voorkomen dat de raadsman zich bij de rechtbank dient te stellen zonder te beschikken over de gegevens die daartoe nodig zijn, zoals het parketnummer. Vooral in de beginfase van het opsporingsonderzoek is dit nummer niet altijd bekend, terwijl het verstrekken daarvan doorgaans wel nodig is om bij de rechtbank succesvol te kunnen “stellen”.
De bepalingen die betrekking hebben op het kennisgeven van het optreden van de raadsman staan in het huidige wetboek nog verspreid over de afdeling met betrekking tot het optreden van de raadsman. Om tot een gestroomlijnde en meer toegankelijke regeling te komen, zijn deze zoveel mogelijk bijeengebracht. Bovendien is ten opzichte van de huidige wet nieuw dat het stellen in hoger beroep en cassatie apart is geregeld.
Inhoudelijk geldt als uitgangspunt dat de gekozen raadsman zich alleen stelt bij de officier van justitie en dat hij, indien sprake is van ophouden voor onderzoek of inverzekeringstelling van de
verdachte, dit ook aan de hulpofficier van justitie meedeelt. Voor de aangewezen raadsman geldt,
dat hij dit pas hoeft te doen indien sprake is van een aanwijzing op grond van artikel 1.4.12. Het
direct stellen bij de rechtbank is voor de raadsman pas aan de orde als een procesinleiding is ingediend en hij van zijn optreden nog niet eerder bericht heeft gegeven aan de officier van justitie en, in geval van ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling, de hulpofficier van justitie. In hoger beroep en in cassatie stelt de raadsman zich in alle gevallen bij het gerechtshof respectievelijk de Hoge Raad. Daarvoor maakt het dus niet uit dat de raadsman eerder voor de verdachte heeft opgetreden en dit optreden ook in hoger beroep of cassatie voortduurt.
Ten opzichte van het huidige recht is gewijzigd dat in de wet is vastgelegd dat de officier van justitie zorgdraagt voor directe voeging van de stelbrief bij de processtukken. Ook de rechtbank kan daarvan steeds op de hoogte zijn indien zij betrokken is. Door de bank genomen is dat eerst het geval indien de procesinleiding wordt ingediend; wie de verdachte rechtsbijstand verleent, is dan uit het door het openbaar ministerie overgedragen procesdossier af te leiden. Het in kennis stellen van de rechter-commissaris of raadkamer verloopt in het nieuwe systeem via de processtukken, waaraan door de officier van justitie immers de stelbrief is toegevoegd.
Mededeling aan de hulpofficier van justitie naast kennisgeving aan de officier van justitie is alleen
voorgeschreven voor de situatie van ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling. In andere
situaties, bijvoorbeeld wanneer (nog) geen aanhouding heeft plaatsgevonden of na heenzending,
kan zich het probleem voordoen dat niet duidelijk is aan welke hulpofficier van justitie de raadsman de mededeling moet doen. Met het oog op die situaties lijkt daarom voldoende in deze fase voor te schrijven dat de raadsman aan de officier van justitie kennis geeft van zijn optreden voor de verdachte. Aan de officier van justitie is het vervolgens de kennisgeving na ontvangst meteen bij de processtukken te voegen en eventueel ook nog eigener beweging de hulpofficier van justitie te informeren.
Indien de raadsman zich conform deze regeling heeft gesteld mag hij ervan uitgaan dat hij als zodanig in het proces wordt erkend. Dit betekent onder meer dat alle stukken die aan de verdachte ter kennis worden gebracht ook aan de raadsman ter kennis worden gebracht (zie artikel 1.4.11). Als de stelbrief niet door de officier van justitie bij de processtukken is gevoegd, kan dat tot gevolg hebben dat de zaak op de terechtzitting moet worden aangehouden opdat de raadsman over de processtukken kan beschikken. Hem moet in het belang van de verdediging voorts tijd worden gegund om de stukken te bestuderen en de verdachte te adviseren over zijn proceshouding.
Naar aanleiding van de hierboven al genoemde arresten van de Hoge Raad van 5 september 2017
en 3 juli 2018 is de vraag gerezen welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan het niet stellen
door de raadsman. In de genoemde arresten oordeelt de Hoge Raad dat zowel in de fase van eerste aanleg als in de fase van hoger beroep een separaat schrijven moet worden gezonden naar
de griffie van het desbetreffende gerecht. Eerder liet de Hoge Raad in zijn rechtspraak enige ruimte om zich ook anders dan door middel van een separaat schrijven te stellen. Zo werd bijvoorbeeld uit het indienen van een appelschriftuur afgeleid dat de raadsman zich (in hoger beroep) had gesteld (ECLI:NL:HR:2017:1072). In de meer recente arresten lijkt de Hoge Raad echter een strengere koers te varen en een separaat schrijven te vergen. Bij het ontbreken daarvan, zo oordeelt de Hoge Raad, kan de raadsman zich er niet met vrucht op beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend.
Het arrest van de Hoge Raad dwingt niet tot de conclusie dat een raadsman niet als zodanig kan
worden erkend indien uit enig ander in het procesdossier aanwezig stuk van zijn optreden voor de
verdachte blijkt. Uit de zinsnede “voor de desbetreffende aanleg” kan worden afgeleid dat de Hoge
Raad het oog heeft op een verweer dat achteraf, in de volgende aanleg, wordt gevoerd. In cassatie
kan dus niet langer met succes worden aangevoerd dat de raadsman door het hof ten onrechte
niet als zodanig is erkend als de raadsman zich niet bij separaat schrijven heeft gesteld. Uit de
woorden “ten onrechte” kan worden afgeleid dat in deze gevallen wel sprake kan zijn van een fout
van het hof. Die fout kan echter niet langer tot cassatie leiden. De nu voorgestelde regeling is in
lijn met de aan de jurisprudentie van de Hoge Raad gegeven uitleg. Nog steeds geldt als uitgangspunt dat erkenning van de raadsman aangewezen is als van zijn optreden, anders dan door een separate stelbrief, ondubbelzinnig uit het procesdossier blijkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van het EHRM, waarin meermalen is geoordeeld dat procedures rondom de rechtsbijstandsverlening aan de verdachte niet ‘unduly formalistic’ moeten zijn (zie bijvoorbeeld EHRM 22 september 1994, NJ 1994, 733, m.nt. Knigge (Lala vs Nederland)). Ook past dit uitgangspunt beter bij het karakter van de stelbrief als ‘ordemaatregel’. Overigens mag duidelijk zijn dat de raadsman die zich niet volgens de nieuwe regeling stelt, een aanmerkelijk procesrisico neemt.
Eerste lid
In het eerste lid is opgenomen dat de gekozen of de op grond van artikel 1.4.12 aangewezen raadsman van zijn optreden voor de verdachte de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis
stelt. Daarnaast deelt de gekozen raadsman aan de hulpofficier van justitie mee dat hij voor de verdachte optreedt indien de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek of in verzekering is gesteld. Uit artikel 1.9.1, tweede lid, volgt dat de kennisgeving in schriftelijke vorm dient te worden overgedragen. Voor advocaten geldt op grond van artikel 1.9.2, eerste lid, dat die overdracht langs elektronische weg plaatsvindt. Verder is de stelbrief vormvrij. Uit het eerste en tweede lid vloeit wel voort dat de kennisgeving bij separaat bericht gebeurt. Het op de hoogte stellen van de hulpofficier van justitie kan, zo blijkt uit de gehanteerde term “mededeling”, mondeling gebeuren.
Uit artikel 38, vijfde lid, is niet overgenomen dat de gekozen raadsman zich ook bij de rechter-commissaris moet stellen. Deze keuze hangt samen met de in het tweede lid opgenomen verplichting voor de officier van justitie om de stelbrief na ontvangst bij de processtukken te voegen. Daarmee is zeker gesteld dat de rechter-commissaris, indien hij in de zaak wordt betrokken, van het optreden voor de verdachte van de raadsman op de hoogte is.
Evenals in artikel 38, vijfde lid, is de gekozen raadsman verplicht zich te stellen bij de officier van
justitie. Hetzelfde geldt, evenals in het huidige recht (artikel 40, tweede lid), voor de raadsman die
door de raad voor rechtsbijstand wordt aangewezen nadat de bewaring of gevangenneming is bevolen dan wel, indien de verdachte niet in verzekering is gesteld, zijn bewaring of gevangenneming is gevorderd. Ook geldt een stelverplichting voor de raadsman die is aangewezen vanaf het moment dat hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis en het een zaak betreft waarin de voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen (artikel 1.4.12).
Is een raadsman aangewezen in de zogeheten “piketfase” (artikel 1.4.11), dan hoeft hij zich niet te stellen bij de officier van justitie en evenmin van dit stellen mededeling te doen aan de hulpofficier van justitie. De reden hiervoor is dat de kennisgeving van zijn optreden al gewaarborgd is door de raad voor rechtsbijstand. Deze routering is voor de piketfase behouden omdat deze in de praktijk goed loopt, snel schakelen in verband met het politieverhoor essentieel is, en omdat de aanwijzing van de raadsman na de piketfase eindigt. Komt de piketadvocaat na indiening van de procesinleiding opnieuw in beeld als raadsman tijdens de berechting dan geldt ingevolge het derde lid dat hij zich zelf stelt bij de rechtbank.
Tweede lid
Het tweede lid is nieuw en bevat de verplichting voor de officier van justitie om de aan hem gerichte stelbrief bij de processtukken te voegen. Daarmee wordt zeker gesteld dat uit het dossier kan worden afgeleid welke raadsman voor de verdachte optreedt. In eerste instantie is dat relevant voor de rechtbank: is een procesinleiding ingediend dan kan de rechtbank uit de processtukken opmaken wie de raadsman is en naar wie de stukken moeten worden gestuurd. De indiening van de procesinleiding markeert immers de aanvang van de berechting, die tevens inhoudt dat ofwel de voorzitter – voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting – ofwel de rechtbank – na aanvang van het onderzoek – bevoegd is over de processtukken te beslissen (zie artikel 1.8.2). In die situaties mag er over de vraag wie namens de verdachte in rechte optreedt, geen onduidelijkheid bestaan.
Het apart stellen bij de griffie van het gerecht is eerst dan aan de orde als de raadsman pas in beeld komt bij aanvang van de berechting (dus als een procesinleiding is ingediend).
Derde lid
Is de raadsman die zich eerder bij de officier van justitie heeft gesteld – welke stelplicht op grond van het eerste lid geldt voor de gekozen raadsman en voor de raadsman die na de piketfase wordt
aangewezen – ook de raadsman die de verdachte in de fase van de berechting bijstaat, dan is het
niet nodig dat hij zich opnieuw stelt bij de rechtbank. In die gevallen kan zijn optreden voor de verdachte immers uit de processtukken worden afgeleid.
In de praktijk gebeurt het echter niet zelden dat de raadsman pas na het indienen van de procesinleiding in beeld komt. Omdat zijn optreden dan niet uit het dossier kan worden afgeleid, is
het noodzakelijk dat de raadsman zich in deze gevallen direct tot de rechtbank wendt, temeer daar
de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van de processtukken in deze fase bij de voorzitter
van de rechtbank ligt. Het ligt in deze situaties niet voor de hand dat de raadsman zich nog bij de
officier van justitie stelt, omdat de berechtingsfase al is aangevangen.
In gevallen waarin de raadsman, die eerder alleen in de piketfase is aangewezen om als raadsman
voor de verdachte op te treden, na het indienen van de procesinleiding alsnog als raadsman door
de raad voor rechtsbijstand wordt aangewezen, dient hij zich bij de rechtbank te stellen. Dat is anders in gevallen waarin hij al was aangewezen om de verdachte ook na de piketfase bij te staan;
in die gevallen is de stelbrief door de officier van justitie al bij de processtukken gevoegd.
Vierde lid
Het vierde lid is overgenomen uit artikel 38, zesde en zevende lid, met dien verstande dat deze bepaling is aangepast aan de structuur van de nieuwe regeling. Vervangt de gekozen of aangewezen raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsman, dan gelden voor hem dezelfde regels met betrekking tot het in kennis stellen. Dit betekent dat hij zich, voordat de procesinleiding is ingediend, stelt bij de officier van justitie (zie het eerste lid). Heeft hij zich nog
niet eerder gesteld terwijl al wel een procesinleiding is ingediend, dan stelt hij van zijn optreden
voor de verdachte de rechtbank op de hoogte (zie het derde lid). Net als in het huidige recht (zie
artikel 38, zesde lid) stelt de gekozen raadsman ook de vervangen raadsman in kennis evenals het bestuur van de raad voor rechtsbijstand indien de raadsman die hij vervangt eerder een aangewezen raadsman betreft. Kennisgeving aan de raad voor rechtsbijstand en de vervangen raadsman behoeft niet plaats te vinden indien de vervangende raadsman is aangewezen; in die gevallen zal de raad voor rechtsbijstand van de vervanging immers reeds op de hoogte zijn en de
vervangen raadsman daarover hebben geïnformeerd. Met de kennisgeving aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand eindigen de werkzaamheden van de vervangen raadsman. Deze bepaling is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit artikel 38, zevende lid.
Vijfde lid
Het vijfde lid is overgenomen uit artikel 43, eerste lid. De kennisgeving door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand is in afwijking van het huidige recht echter beperkt tot de kennisgeving van een aanwijzing die is gedaan op grond van artikel 1.4.11 (de “piketadvocaat”). De kennisgeving van deze aanwijzing – die uit de personalia van de betrokken piketadvocaat zal moeten bestaan – wordt vervolgens door de officier van justitie bij de processtukken gevoegd. Omdat op deze wijze uit de stukken kan worden afgeleid door wie de verdachte in rechte wordt bijgestaan, is het niet langer vereist dat de kennisgeving zich ook tot de rechter-commissaris richt.
Het is overbodig om de kennisgevingsverplichting voor de raad zich ook te laten uitstrekken tot de
raadsman die op grond van artikel 1.4.12 is aangewezen, zoals nu het geval is. In die situaties is
de raadsman immers zelf al verantwoordelijk om zich bij de officier van justitie te stellen.
Zesde lid
Naar huidig recht geldt de keuze of aanwijzing van een raadsman voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad (ECLI:NL:HR:2012:BV7417), behoudens de uitzonderingen die de wet daarop maakt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de in dit artikel geregelde kennisgeving opnieuw moet worden gedaan als hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld. Het zesde lid sluit bij deze rechtspraak aan.”
3.15.
Mocht art. 1.4.10 in de hiervoor voorgestelde vorm in de toekomst in werking treden, dan zou de uitkomst in de onderhavige zaak anders zijn uitgevallen. De door de raadsman aan de officier van justitie gestuurde kennisgeving had dan immers door de officier van justitie bij de processtukken moeten worden gevoegd en de raadsman behoefde dan niet de rechtbank in kennis te stellen van zijn optreden voor de verdachte. Op deze beoogde wijziging van de regeling behoefde het hof in de onderhavige zaak logischerwijs niet te anticiperen.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Blijkens het bijgevoegde verzendrapport is deze fax op 22 januari 2018 om 17:18 uur bij het Openbaar Ministerie ingekomen.
2.De bijlage vermeldt overigens als datum van het verhoor 18 januari 2018 i.p.v. 26 januari 2018.
3.In zijn arrest van 3 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1052) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aangescherpte regels betreffende het optreden van de raadsman uit het arrest van 5 september 2017 ook zien op de fase van de behandeling in hoger beroep. Dat houdt onder meer in dat het stellen in hoger beroep dient te geschieden bij separaat schrijven (niet zijnde een appelschriftuur) aan de griffie van het gerechtshof.
4.Publicatiedatum 4 mei 2022,