Conclusie
1.Cassatieberoep
2.Het eerste middel
Nogmaals: over [verdachte]
welveroordeeld voor het onder 2 ten laste gelegde feit en met betrekking tot de op te leggen straf het volgende overwogen:
NJ2015/225, m.nt. Vellinga-Schootstra vertoont enige gelijkenis met onderhavige zaak. Ook in die zaak was door de verdediging verzocht om geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan door de verdachte in voorarrest reeds was ondergaan. Daartoe was onder meer gewezen op het tijdsverloop, de duur en de zwaarte van het voorarrest in verband met de gezondheidstoestand van de verdachte – die zwaar longpatiënt was – en overige omstandigheden rondom de straf, waaronder de vreemdelingenrechtelijke consequenties. De verdediging was van mening dat de verdachte al “dubbel en dwars” was gestraft. Het hof legde niettemin aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten en de daarmee aan de slachtoffers berokkende schade alsmede gelet op de omstandigheden dat de verdachte reeds vele malen voor vermogensdelicten was veroordeeld. Door het hof was in het geheel niet gereageerd op het verweer van de verdediging. (Toenmalig) AG Bleichrodt kwam dan ook tot de conclusie dat onder die omstandigheden in de strafmotivering geen antwoord kon worden gevonden op hetgeen was aangevoerd. Hij merkte daarover op: “het hof had naar mijn mening in geval van afwijking van het standpunt van de verdediging de oplegging van een vrijheidsbenemende straf die de duur van het voorarrest te boven gaat uitvoeriger en meer toegesneden op de omstandigheden van de verdachte moeten motiveren en daarmee op de argumentatie van de verdediging moeten ingaan” en ook dat hij zich daarbij realiseerde dat “geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de responsieplicht in gevallen waarin de feitenrechter een ruime mate van vrijheid toekomt, zoals het geval is bij de beslissing over de straftoemeting”. De Hoge Raad oordeelde anders en overwoog onder meer dat “kennelijk en niet onbegrijpelijk het Hof het aangevoerde enkel [heeft] opgevat als een algemeen verzoek tot matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden. Het Hof behoefde de waardering van de bij de strafoplegging in aanmerking genomen factoren, waaronder de persoonlijke omstandigheden, niet (nader) te motiveren”.