Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
17 maart 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden voor verschillende vermogensdelicten met gebruik van valse betaalpassen en apparatuur voor het kopiëren van magneetstrippen.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het niet is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek tot matiging van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden als een algemeen verzoek heeft opgevat en dat het hof niet verplicht was de waardering van deze omstandigheden nader te motiveren.
Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden, wat leidt tot vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest betreffende de strafoplegging en vermindert de gevangenisstraf tot zeventien maanden, met aftrek van voorarrest, en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien naar zeventien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.