Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
5 juli 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat hem een gevangenisstraf van 22 maanden oplegde, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging.
De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen. Het eerste middel klaagde dat het hof niet in het bijzonder had gemotiveerd waarom het was afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de strafoplegging. Dit middel werd verworpen, mede omdat een gelijkluidend middel reeds was behandeld in een samenhangende zaak tegen dezelfde verdachte.
Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 naar 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, paste deze aan en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 5 juli 2022 door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.