Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 februari 2017, waarin hij werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee semi-automatische (machine)pistolen en munitie, in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie (WWM).
Namens verdachte diende advocaat D.N. de Jonge een middel van cassatie in, gericht op de strafmotivering. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad werd gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien. Het beroep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.