Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
Op 26 juni 2010 heeft verdachte seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, die door overmatige alcoholinname in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Het hof achtte bewezen dat verdachte wist van deze toestand en dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer niet in staat was haar wil te bepalen.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verdachte zelf, aangevuld met DNA-onderzoek. Het hof motiveerde uitvoerig waarom het slachtoffer in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde, onderbouwd met getuigenverklaringen over haar gedrag en fysieke toestand.
Verdediging voerde onder meer aan dat het slachtoffer niet bewusteloos of in verminderde toestand was, of dat verdachte dit niet wist. Deze verweren werden door het hof verworpen. Tevens klaagde verdediging over het niet horen van een getuige die mogelijk zou kunnen verklaren over een eerdere vermeende valse aangifte van het slachtoffer, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit verzoek terecht was afgewezen omdat voldoende onderzoek was gedaan.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, het arrest van het hof wordt bekrachtigd.