Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: M.W. Scheltema
verweerster in cassatie,
advocaat: F.E. Vermeulen
eiseres in cassatie,
advocaat: F.E. Vermeulen
,
niet verschenen
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in de hoofdzaak
bijzondereomstandigheden (in de zin van omstandigheden die zich normaal niet voordoen o.i.d.) – die eis zou ook niet stroken met de rechtspraak, waarin met een zekere regelmaat aanleiding wordt gevonden voor toerekening op grond van de verkeersopvattingen –, maar wel dat er een deugdelijke rechtvaardiging voor die toerekening moet bestaan. In het geval van de aansprakelijkheid van de beslaglegger jegens de beslagene indien de vordering waarvoor beslag is gelegd, ongegrond blijkt, is die rechtvaardiging er omdat de (vaak langdurige en ingrijpende) inbreuk die met het beslag op de rechten van de beslagene wordt gemaakt, alleen maatschappelijk aanvaardbaar is als de beslaglegger in dat geval de daardoor ontstane schade vergoedt (zie de overwegingen in het arrest Snel/Ter Steege, hiervoor in 3.3 aangehaald).
in naam vande beslaglegger, zoals bij een beslag) wél met het risico van fouten of vergissingen van de deurwaarder te belasten. Dat leidt immers tot het niet goed te verklaren verschil dat als de deurwaarder formeel optreedt voor de beslaglegger omdat de wet dat meebrengt, zoals bij het leggen van het beslag zelf – waarbij het dus formeel de beslaglegger zelf is die handelt –, zijn handelen voor risico komt van de beslaglegger, maar voor alle andere handelingen die hij (daar omheen) ten behoeve van de beslaglegger verricht bij het leggen van het beslag, niet. Als gezegd, geldt hier bovendien ook dat voor de fouten die de deurwaarder in dit verband maakt, beroepsaansprakelijkheid bestaat en de deurwaarder voor die aansprakelijkheid verzekerd pleegt te zijn.
de klacht onder 2.2.1van het middel ongegrond is. Er is geen grond voor toerekening op grond van de verkeersopvattingen aan ABN AMRO van de onrechtmatige inbreuk die met het beslag op het eigendomsrecht van ControlPay is gemaakt. Het beroep dat het onderdeel doet op de hiervoor in 3.3-3.6 genoemde rechtspraak met betrekking tot het geval dat beslag is gelegd voor een vordering die niet blijkt te bestaan, gaat niet op omdat die rechtspraak ziet op de verhouding tussen de beslaglegger en de beslagene en er geen reden is om die rechtspraak door te trekken naar de verhouding tussen de beslaglegger en een derde wiens eigendom onbedoeld door een beslag wordt getroffen doordat de beslaglegger niet wist en niet behoefde te weten dat het de eigendom van een derde betrof. Anders dan het onderdeel wil, zijn de beide gevallen die hierbij aan de orde zijn, niet met elkaar gelijk te stellen (zie hiervoor in 3.5-3.7). Voor toerekening op grond van de verkeersopvattingen bestaat in laatstbedoeld geval onvoldoende grond (zie hiervoor in 3.9-3.16).
nietaan ABN AMRO als beslaglegger is toe te rekenen. Deze lezing mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Blijkens de derde volzin van rov. 5.9.2 is het hof juist ervan uitgegaan dat bijzondere omstandigheden nodig zijn om die inbreuk
welaan ABN AMRO toe te rekenen – het hof spreekt van ‘bijkomende omstandigheden’ –, die ControlPay, naar het hof vaststelt, niet heeft gesteld. Ook deze klacht faalt dus.