ECLI:NL:PHR:2022:1261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag rechter-plaatsvervanger na beëindiging opleiding wegens onvoldoende resultaat
De zaak betreft een voormalig rechter in opleiding (rio) die tevens was benoemd tot rechter-plaatsvervanger. De betrokkene heeft de opleiding niet met een gunstig resultaat afgerond, waarna de opleiding per 1 januari 2018 werd beëindigd en haar benoeming als rio per 23 april 2018 eindigde. Vervolgens is zij niet meer ingezet als rechter-plaatsvervanger en is verzocht haar ontslag te vorderen bij de Hoge Raad op grond van artikel 46m, lid d, Wrra (tweejaarsgrond).
De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken (december 2021) geoordeeld dat ontslag op deze grond niet zonder meer kan worden toegepast, omdat het de rechterlijke onafhankelijkheid kan schaden. Er moet sprake zijn van een voldoende zwaarwegende reden en er mag geen andere voldragen ontslaggrond bestaan. In dit geval is het niet-oproepen het gevolg van het beëindigen van de opleiding wegens onvoldoende opleidingsresultaten, wat een voldoende zwaarwegende reden vormt.
De betrokkene heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de negatieve beoordeling en beëindiging van de opleiding, maar deze zijn ongegrond verklaard. De procedurele waarborgen, waaronder een landelijke beoordelingscommissie en toetsing door de Centrale Raad van Beroep, waarborgen een objectieve beoordeling.
De Hoge Raad concludeert dat het ontslag op grond van artikel 46m, lid d, Wrra passend is en vordert het ontslag met ingang van 1 maart 2023. De zaak illustreert de verhouding tussen ontslaggronden en de bescherming van rechterlijke onafhankelijkheid bij niet-actieve rechter-plaatsvervangers die tevens rio zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad vordert het ontslag van de betrokkene als rechter-plaatsvervanger wegens niet-oproepen gedurende twee jaar na beëindiging van de opleiding.