Appellante, een rechter in opleiding (rio), werd geconfronteerd met een schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim nadat zij zonder overleg opmerkingen aan een evaluatieverslag had toegevoegd. De Raad oordeelde dat dit, hoewel niet correct vanuit communicatieperspectief, geen plichtsverzuim vormde en vernietigde het besluit tot berisping.
De tussentijdse beoordeling van appellante resulteerde in een judicium 'onvoldoende', gebaseerd op een totaalscore van 53% en onvoldoende scores op kritische beoordelingscriteria. De Raad vond de beoordeling voldoende gemotiveerd en gegrond, ondanks bezwaren van appellante over de omstandigheden van haar opleiding.
Op grond van deze beoordeling beëindigde het bestuur de opleiding van appellante en verleende haar ontslag uit haar functie als rio. De Raad oordeelde dat het bestuur terecht geen verlenging van de opleiding toepaste via de hardheidsclausule, omdat de omstandigheden niet zodanig uitzonderlijk waren. Ook het ontslag werd als rechtmatig bevestigd.
Ten slotte werd het bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige evaluatieprocedures en de beperkte ruimte voor verlenging van opleidingen bij onvoldoende functioneren.