ECLI:NL:PHR:2022:1109
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieadvies over strafoplegging en shockschade bij doodslag
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en zes maanden wegens doodslag op zijn partner, die hij meerdere malen met een hard voorwerp op het hoofd sloeg, waarna zij overleed. Het hof matigde de straf met zes maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging had verzocht rekening te houden met de gewijzigde wetgeving per 1 juli 2021 omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling, en vroeg om een lagere straf van negen jaar. Het hof oordeelde dat de opgelegde straf passend was en dat de gewijzigde wetgeving geen aanleiding gaf tot strafvermindering.
Een benadeelde partij, zus van het slachtoffer, vorderde vergoeding van shockschade. Het hof verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan directe confrontatie met het tenlastegelegde en onvoldoende medische onderbouwing.
De advocaat-generaal concludeert dat het hof de strafoplegging voldoende heeft gemotiveerd, het beroep op schending van art. 7 EVRM Pro en art. 15 IVBPR Pro faalt, en de niet-ontvankelijkheid van de shockschadevordering terecht is. Hij adviseert het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; straf van tien jaar en zes maanden gevangenisstraf gehandhaafd; vordering shockschade niet-ontvankelijk verklaard.