Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
Feit 2
verduistering(door de verdachte zelf gepleegd) is. Nu het hof niet heeft kunnen vaststellen wanneer en onder welke omstandigheden de verdachte de boot onder zich heeft gekregen, kan volgens de steller van het middel ‘s hofs motivering het oordeel dat de verdachte de boot heeft verduisterd niet dragen. Er blijft, aldus de steller van het middel, slechts een scenario over waarin de verdachte de verzekeraar Delta Lloyd heeft
opgelichtof daaraan medeplichtig is geweest en de boot al die tijd heeft verstopt. In dat scenario heeft de verdachte de boot niet rechtmatig onder zich gekregen en kan derhalve geen sprake zijn van verduistering.
voorafgaandaan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen, nu het hof in het midden heeft gelaten wanneer de boot is verkregen. De steller van het middel merkt terecht op dat vermogensbestanddelen in beginsel slechts worden aangemerkt als "afkomstig (...) uit enig misdrijf" indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. [2] Voor zover het middel klaagt dat het hof dit heeft miskend, berust het echter op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers overwogen dat de verdachte zich in ieder geval vanaf het moment dat hij zich richting [betrokkene 1] als eigenaar van de boot voordeed en inging op het verzoek van [betrokkene 1] om de boot aan hem te verkopen, als heer en meester over de boot is gaan gedragen, en dat de verdachte
vervolgensde identiteit van de boot is gaan verhullen door de boot aan te bieden met een vals registratienummer en een valse aankoopfactuur. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte op enig moment
eerstde boot heeft verduisterd, en
daarnawitwashandelingen heeft gepleegd door de boot te verhullen.
Het tweede middel
Slotsom