Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Voor zover het hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, (mede) omdat deze zijn verkregen uit het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte is immers vrijgesproken van het onder 9 tenlastegelegde, dat ziet op passieve niet-ambtelijke omkoping van de verdachte door [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Uit de motivering van het hof blijkt ook niet dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn van (het medeplegen van) niet-ambtelijke omkoping door de verdachte of anderen dan de verdachte op andere wijze dan tenlastegelegd.
Voor zover het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de geldbedragen (mede) afkomstig waren van het plegen van valsheid in geschrift, geldt het volgende. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de in de bewezenverklaring vermelde bedragen (mede) uit valsheid in geschrift ‘afkomstig’ waren omdat de ontvangst en de betaling door de verdachte van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van valse facturen. Dat oordeel getuigt echter, gelet op wat onder 3.3 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting.
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
21 april 2020.