Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Samenvatting feiten en procesverloop
3.Het eerste middel
Algemene overweging
4.Het tweede middel
Verzoek tot het horen van getuigen
mogelijkeandere scenario’s (omtrent de rol van de verdachte) maken dit naar het oordeel van het hof niet anders. Een stellig standpunt van de verdediging omtrent een alternatief scenario ontbreekt. Gelet hierop en op hetgeen de verdediging overigens aan het verzoek tot het horen van de getuigen ten grondslag heeft gelegd, is het hof van oordeel dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.
vóórde terechtzitting eventuele verzoeken op te geven aan de advocaat-generaal. In lid 2 van dat artikel zijn art. 263 lid Pro 2 – 5 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit maakt dat wanneer alleen door het openbaar ministerie appel is ingesteld voor de verdachte de in art. 263 lid 2 Sv Pro genoemde termijn (10 dagen voor de terechtzitting) geldt en wanneer deze termijn in acht wordt genomen het verdedigingsbelang van toepassing is. Wordt dit niet tijdig gedaan dan is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing (art. 418 lid 2 Sv Pro). De argumentatie dat de verdachte pas in actie zou kunnen komen bij een ‘zittingsrijp’ beoordeelde zaak volg ik dan ook niet.
4.Het derde middel
5.Het vierde middel
afzonderlijkworden beoordeeld. Daarbij geldt dat de behandeling van de zaak op de zitting in eerste aanleg moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. In de fase van hoger beroep moet een einduitspraak worden gedaan binnen twee jaar nadat een rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit is anders wanneer de verdachte zich in verband met zijn zaak in voorlopige hechtenis bevindt, dan moet zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de zaak elke keer binnen 16 maanden worden afgedaan. [18]
ná20 september 2021, zover is het (nog) niet. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
nietgebonden aan de uitgangspunten die de Hoge Raad zelf hanteert bij overschrijding van de redelijke termijn. Het staat de feitenrechter uiteraard wel vrij om bij deze uitgangspunten aansluiting te zoeken. [21] Daarbij verdient opmerking dat, met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle, in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. In de uitspraak moet aldus worden vermeld welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn
nietzou zijn overschreden. [22]