Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden voor onder meer afpersing, poging tot doodslag en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het Hof had de straf met drie maanden verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de beslissing over in beslag genomen voorwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie onbesproken blijft wegens gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing, de rechter na terugwijzing niet verplicht is de strafvermindering toe te passen die de Hoge Raad zelf als feitenrechter zou hanteren.
De Hoge Raad toetste de strafvermindering van het Hof en vond deze niet onbegrijpelijk. Gelet op de overschrijding van zeven maanden in de cassatiefase en de voortvarende behandeling na terugwijzing, achtte de Hoge Raad de strafvermindering met drie maanden passend. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verminderde de gevangenisstraf tot negen jaar en vijf maanden. Klacht over het niet beslissen over beslag werd verworpen, omdat de verdachte zich binnen de wettelijke termijnen kan beklagen.
De uitspraak benadrukt de afweging tussen redelijke termijn en voortvarende behandeling na terugwijzing, en bevestigt dat de rechter niet gebonden is aan de strafvermindering die de Hoge Raad als feitenrechter zou toepassen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negen jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.