ECLI:NL:HR:2008:BF5691
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en bewijsuitsluiting getuige medeverdachte
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en tien maanden. In cassatie werd onder meer geklaagd over de afwijzing van het verzoek om een medeverdachte als getuige te horen en over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat een medeverdachte die gelijktijdig wordt berecht niet automatisch als een verschenen getuige in de zin van art. 287, tweede lid, Sv moet worden aangemerkt. Hierdoor faalde het middel dat dit betoogde. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, mede doordat de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze tot drie jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot drie jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het verzoek om medeverdachte als getuige te horen is afgewezen.