Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
behoeftevan de onderhoudsgerechtigde en de
draagkrachtvan de onderhoudsplichtige. Het is in cassatie van belang dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt. Hetzelfde geldt voor de factoren die de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Een beslissing over alimentatie dient ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. [12] De beslissing moet voldoende inzicht geven in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [13]
subonderdeel 2.1-IIIzich niet verhouden met het feit dat het hof een deskundige inschakelt om de vermogenspositie van de man in kaart te brengen, maar daarin niet tevens betrekt wat de welstand van het huwelijk is geweest. [17] Het hof oordeelt desalniettemin in zijn eindbeschikking in rov 2.45 en 2.46 dat het niet terugkomt op de in de tussenbeschikking van 3 april 2017 (bedoeld zal zijn: 3 oktober 2017) vastgestelde behoefte.
subonderdeel 2.1-IVwordt daarom geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 2.46 van de eindbeschikking dat een herbeoordeling in 2020 van de vastgestelde behoefte in 2017 in strijd met de goed procesorde zou zijn rechtens onjuist en onbegrijpelijk is, zeker in een situatie waarbij er middels een deskundigenrapport inzage wordt verkregen in de financiële positie van de man, aan de hand waarvan nog een vaststelling van partner- en kinderalimentatie dient plaats te vinden en in dat kader de sinds 2017 opgetreden ontwikkelingen van belang kunnen zijn. Het hof zou miskennen dat moet worden uitgegaan van de meest recente gegevens in zaken betreffende alimentatie, zodat het rechtens onjuist is om bij tussenbeschikking van 3 oktober 2017 alvast de behoefte vast te stellen, terwijl er ten aanzien van de financiële positie van de man nog een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden. De vrouw zou bij pleitnota van 25 juni 2020 (punt 4) hebben aangegeven dat er ten onrechte posten naar beneden zijn bijgesteld, terwijl deze wel goed onderbouwd zijn en het hof geen acht heeft geslagen op de thans wel bekende inkomsten. Het oordeel dat er zich geen nieuwe feiten na de beschikking in 2017 zouden hebben voorgedaan zou ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk zijn, omdat het hof heeft miskend dat het de cijfers van de deskundige ook nodig had om het netto besteedbaar gezinsinkomen te bepalen
onderdeel 2.2van het middel wordt geklaagd over de vaststelling van de woonlast van de vrouw. [22] In rov. 2.60 van de eindbeschikking heeft het hof bij de jusvergelijking een korting wegens onredelijke woonlast toegepast
.
elkaar het nodige te verschaffen(artikel 1:81 BW Pro) werkt na huwelijk door als de verplichting om partneralimentatie te betalen. De alimentatiegerechtigde kan aanspraak maken op partneralimentatie, maar niet of slechts tot de grens van het bedrag waarmee de alimentatieplichtige ook over ‘het nodige’ beschikt. [24] Als er sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken, de zogeheten ‘jusvergelijking’, waarbij een minimumbehoefte wordt vastgesteld en geen rekening wordt gehouden met eventuele luxe uitgaven waaraan de alimentatiegerechtigde tijdens het huwelijk gewend was. Het uitgangspunt van de jusvergelijking is dat de alimentatiegerechtigde niet ‘beter af’ mag zijn dan de alimentatieplichtige door de onderhoudsverplichting na het huwelijk, dus niet meer ‘jus’ mag overhouden. [25]
2.3-Iklagen, kort weergegeven, dat het hof de vaste jurisprudentie miskent dat de rechter niet alleen rekening heeft te houden met inkomsten die de onderhoudsplichtige in feite geniet, maar ook met die welke hij redelijkerwijze geacht kan worden in staat te zijn zich in de naaste toekomst te verwerven. Anders dan het hof in rov. 2.8 overweegt, kan er wel draagkracht blijken uit fictieve of papieren geldstromen en kon het hof zich niet beperken tot feitelijke geldstromen, zowel waar het de inkomsten als de uitgaven betreft. Het hof miskent in het bijzonder dat het gaat om keuzes die de man doet en heeft gedaan die tot die financiële situatie hebben geleid, zodat het maken van andere keuzes op grond van in dit onderdeel genoemde jurisprudentie kon, kan en mag worden verwacht en op basis daarvan wel degelijk fictieve draagkracht kan en moet worden aangenomen. [41] Het hof zou daarbij blijkens rov. 5.23 van de tussenbeschikking d.d. 3 oktober 2017 kritiek van de vrouw onbesproken laten, namelijk dat de ‘out of pocket expenses’ veel lager zijn dan op papier blijkt, de man zelf in het duurste appartement woont, dat hij € 200.000,- dividend kan uitkeren en dat die dividenduitkering ook over meerdere jaren kan worden uitgesmeerd. Voorts zou het hof onbesproken laten dat de man twee Porsches, exclusieve appartementen in [plaats] , twee garages, en 1,5 appartement in [plaats] (inclusief parkeerplaatsen en aanlegplaatsen voor boten) heeft, maar toch geen alimentatie kan betalen. [42] Deze klachten worden vervolgens uitgesmeerd in verschillende subklachten en subonderdelen.
NJ2010/399 had de man het uit de boedelverdeling verkregen vermogen zodanig belegd dat hij daaruit geen inkomsten verkreeg. Het hof had onjuist geoordeeld de stelling van de vrouw dat hem een rendement van 4% uit dat vermogen toegerekend moest worden. [43] In casu zou van dezelfde situatie sprake zijn, omdat het hof in rov. 2.14 en 2.15 oordeelt dat er geen sprake zou zijn van ‘feitelijk rendement’, waardoor het hof geen rekening houdt met fictief rendement. Het hof beantwoordt echter niet de vraag of van de man redelijkerwijs kan worden gevergd dat hij andere keuzes maakt, [44] des dat hij inteert op het vermogen, investeringen anders regelt, leningen sluit etc.
subonderdelen 2.3-II en 2.3-IIIb [45] richten zich tegen het oordeel in rov. 2.13 t/m 2.15 van de eindbeschikking en klagen kort samengevat dat het hof onbesproken laat dat het Box 3 vermogen van de man blijkt te zijn toegenomen door schenkingen in 2018 en 2019 van in totaal € 240.000,=. Het zou gaan om kwijtscheldingen op de leningen op de vakantiehuizen in [plaats] . [46] Daarnaast zou de WOZ-waarde van de vakantiehuizen en de verhuurde woningen van de [a-straat 1] en [a-straat 2] (in [plaats] ) in waarde zijn toegenomen. Het hof zou deze stellingen onbesproken laten en slechts ongemotiveerd oordelen dat feitelijk geen geldstroom naar de man toegaat en daarom daar geen rekening mee wordt gehouden (rov. 2.13) en hij ook geen rendement zou overhouden uit zijn vermogen (rov 2.15), zodat dit op nihil wordt gesteld (rov 2.15). Uit rov. 2.24 en 2.15 zou blijken dat het hof in de aangevallen eindbeschikking - alsook in de tussenbeschikking van 3 oktober 2017 in rov. 5.25 en 5.26 waar het hof uitsluitend de onderneming van de man in het vizier heeft voor de draagkracht en niet ook het vermogen van de man aan het onderzoek heeft onderworpen, - dit gehele Box 3 inkomen, de aard en omvang van het vermogen van de man en het gestelde daaromtrent heeft miskend dat het hier keuzes van de man betreft om zijn draagkracht te beïnvloeden (zie de stellingen van de vrouw in rov. 5.23 van de tussenbeschikking d.d. 3 oktober 2017), dit Box 3 vermogen een aanzienlijk forfaitair draagkrachtscheppend vermogen oplevert dat dan ook bij de draagkracht van de man had moeten worden betrokken en het aan een alimentatiegerechtigde niet kan worden tegengeworpen indien de alimentatieplichtige zijn vermogen op een zodanige wijze beheert dat daar geen ‘cash’ rendement uit zou komen.
2.3-IIIabetogen samengevat dat de stellingen die het hof zijdens de vrouw aanhaalt en waar het hof niet expliciet op heeft beslist, zoals de aanwezigheid van twee Porsches en het vastgoed, in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag als vaststaand moeten worden aangemerkt, nu het hof die stellingen in rov 5.23 van de tussenbeschikking d.d. 3 oktober 2017 wel noemt, maar een oordeel daarover in het midden laat. De vrouw heeft na de tussenbeschikking van 3 oktober 2017 nog gewezen op het feit dat de man over een zodanig vermogen beschikt dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht dat hij inteert op zijn vermogen. Het hof miskent dit waar het in rov 5.25 van de tussenbeschikking d.d. 3 oktober 2017 de vraag wat de man zich in redelijkheid aan inkomen kan verwerven beperkt tot ‘het inkomen dat hij zich in redelijkheid kan verwerven zonder de continuïteit van zijn onderneming in gevaar te brengen’. Daarbij miskent het hof juist ook dat de in subonderdeel 2.3-I genoemde vaste jurisprudentie bij een alimentatieplichtige die vermogen bezit, waaronder in casu vastgoed en twee Porsches, van die partij kan worden gevergd dat die desnoods inteert op zijn vermogen.
subonderdeel 2.3-IIIcnog - in de kern - aan toe dat, anders dan het hof in rov. 2.11 van de eindbeschikking oordeelt, van de man, indien dat tot zijn draagkracht bijdraagt, wel degelijk mag worden verwacht dat hij in één van zijn minder dure appartementen gaat wonen en het duurste appartement (waar hij woonachtig is) verhuurt of verkoopt.
2.3-IVdbouwen voort op het voorgaande, meer specifiek op het oordeel van het hof in rov. 2.11-2.14 van de eindbeschikking, en klagen in de kern dat [B] weldegelijk winstgevend is en de man daaruit ook dividend kan verwachten en de geldstromen mede door toedoen van de man zelf en zijn accountant achterwege blijven, zodat hier niet het door de man gestelde inkomen geldt maar datgene wat hij zich redelijkerwijs kan verwerven. Ook zou het hof onterecht geen rekening houden met fictief inkomen uit twee appartementen in [plaats] , omdat de zus en ouders van de man een recht van vruchtgebruik zouden hebben. Het recht van vruchtgebruik zou nergens uit zijn gebleken en is niet aangevoerd, zodat het hof buiten het debat is getreden en zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten.
NJ1962/266. Uitgaande van het feit dat het aangaan van schulden het meerdere is, kan de mindere (niet verrekenen) zeker van de man worden verwacht
. [54]
subonderdeel 2.3-IVb (deel 2) [67] wordt via een zijweg onder het kopje ‘Kosten rapport’ in twee ongenummerde alinea’s geklaagd over de beslissing van het hof in rov. 2.64 het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van de deskundigen en de door haar ingeschakelde financieel expert af te wijzen. De kosten van de deskundige zouden door de proceshouding van de man zijn veroorzaakt, omdat hij onjuiste informatie heeft gegeven en gegevens die in zijn domein lagen niet eigener beweging heeft verstrekt. Het hof zou een beroep op redelijkheid en billijkheid onbesproken hebben gelaten en onbegrijpelijk geoordeeld hebben dat (1) het rapport ook in haar belang was en (2) dat zij dit zou hebben onderkend omdat zij ook een deskundige heeft ingeschakeld. Dat laatste zou een verboden aanvulling van feiten en bovendien onjuist zijn. [68]
proceskosten
subonderdeel 2.5-II, deel 2,zich ook op rov. 2.33 van de eindbeschikking waarin het hof heeft bepaald dat de rente die de man over de schuld aan [A] moet betalen per medio april 2020 niet meer kan worden verrekend met de rekening-courantvordering die de man op [A] heeft. Het hof zou daarbij echter een onjuist uitgangspunt hebben genomen door uit te gaan van een netto rentelast van € 53.090, - per jaar: “De man heeft onbestreden aangevoerd dat de netto rentelast € 53.090, - per jaar bedraagt.” Het hof heeft dit bedrag ontleend aan een opmerking van de man op het deskundigenrapport (pagina 2 bij vraag 9). De opmerking van de man luidt letterlijk: “Uit de beantwoording van vraag 9 door de heer Boringa volgt dat de netto rentelast op de lening van [A] B. V. vanaf 01.09.2016 € 53.090, - bedroeg.” De man stelt derhalve niet dat dit een jaarbedrag is. De man verwijst naar pagina 16 van het deskundigenrapport. Daar wordt door de heer Boringa in aansluiting op de vraagstelling van het hof over de periode 1 september 2016 tot 17 april 2018 het betreffende bedrag vermeld. Dit bedrag is derhalve geen jaarbedrag, maar een bedrag over een periode van 594 dagen in plaats van over een periode van 365 dagen. Het oordeel van het hof dat dit wel zo is, is dan ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Het jaarbedrag bedroeg op basis van de uitgangspunten van het deskundigenrapport € 32.623,- (365: 594 x € 53.090). Het Hof maakt hierbij dus een rekenfout. Rekening houdend met bovenvermelde verrekeningen bedraagt het (aangepaste) bedrag voor de financiering van de voormalige echtelijke woning geen € 957.944,49, doch € 759.944,49. Tegen 5,1% bedraagt de (verbeterde) rente dan geen € 48.855,17 doch € 38.757,17. Verhoogd met de rente van € 2.194,10 voor het appartement is het totaalbedrag dan geen € 51.049,27, doch € 40.951,27 per jaar. Dit is een jaarlijks renteverschil van € 10.098,-. De belastingreductie, aanvankelijk berekend op € 21.550,- dient dan ook te worden aangepast. Deze bedraagt, pro rato berekend, dan 40951/51049 x € 21.550,- ofwel € 17.287. De netto last bedraagt aldus € 40.951,- min € 17.287,- = € 23.664,- per jaar ofwel € 1.972,- per maand (in plaats van € 2.458,- per maand, zoals door het Hof berekend).
subonderdeel 2.5-II deel 2, p. 21, over ‘bovenvermelde verrekeningen’ waaruit een aangepast bedrag van financiering van bijna € 200.000,- minder zou blijken, maar het is onduidelijk op welke verrekeningen het middel doelt en hoe het tot dit bedrag komt. In zoverre voldoet het middel mijns inziens ook niet aan de eisen van 407 lid 2 Rv.
subonderdeel 2.4. faalt. Daarbij stel ik hetgeen in alinea 2.2, 2.12 en 2.50 staat voor de duidelijkheid nogmaals voorop, namelijk dat de vaststelling en weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, voorbehouden zijn aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het hof heeft bepaald dat de aflossing op de (rest)schuld op grond van de verdeling die de vrouw maandelijks aan de man betaalt niet mee moet worden gerekend voor zijn draagkracht. Die schuld heeft kennelijk betrekking op de restschuld na verkoop van de echtelijke woning. [81] De gedachtegang van het hof hierbij was dat de man bij de ontvangst van aflossingen een deel van zijn vordering op de vrouw kwijt raakt en dat dit dus geen inkomen vormt. Die gedachtegang lijkt mij goed te volgen, waarbij het uitgangspunt dat het hof een grote mate van vrijheid geniet bij vaststelling van de draagkracht een belangrijke rol speelt.
subonderdeel 2.5-Iis het volgende van belang.
€ 5.646.- per maand, bestaande uit:
- een netto hypotheekrente voor het appartement aan de [a-straat 3] van
- een netto (niet-aftrekbare) hypotheekrente voor de echtelijke woning van
- overige eigenaarslasten van
subonderdeel 2.5-Iaf. Daarop voortbouwend falen de klachten in de
subonderdelen 2.5-II, eerste zin,
subonderdeel 2.5-VIen
subonderdeel 2.5-VIIook.
subonderdeel 2.5-II, deel 1, faalt.
subonderdeel 2.5-II, deel 2, merk ik nog op dat in rov. 2.33 van de eindbeschikking het hof heeft overwogen dat de deskundige heeft berekend dat eind 2020 de schuld van [A] aan de man zal zijn afgelost (ik wijs erop dat dit inderdaad staat op p. 26 van het deskundigenrapport), dat de man terecht heeft opgemerkt dat dit zelfs al eerder het geval is (zie brief man d.d. 9 januari 2020 en pleitnota man bij hof onder III) en dat de schuld inmiddels is afgelost. Het hof heeft hier de stelling van de man gevolgd. Dit oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden en kan niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het niet.
subonderdeel 2.5-II, deel 2,faalt daarmee ook wegens gebrek aan belang.
subonderdeel 2.5-IIIook stelt dat het hof ten onrechte de alimentatie heeft beëindigd en dat dat voor dit onderdeel van belang zou zijn, miskent het middel dat het hof de alimentatie per 1 mei 2020 op nihil heeft gesteld en niet heeft beëindigd. Op grond van art. 1:401 lid 1 BW Pro kan de vrouw, maar ook de man, nog steeds een wijzigingsverzoek doen als de omstandigheden wijzigen. De hoge motiveringseisen die gelden ingeval van een beëindiging van alimentatie gelden in casu dus niet. Daarop stuit de klacht van de vrouw ook af.
subonderdeel 2.5-IIIb en 2.5-Vwordt op meerdere punten betoogd dat het hof ten onrechte rekening houdt met rentelasten aan [A] Holding vanaf mei 2020. Dit zou namelijk geen daadwerkelijke geldstroom zijn (subonderdeel 2.5-IIIb, eerste zin), niet via de vereiste geldstroom op de man drukken (subonderdeel 2.5-V, p. 23, laatste alinea) en de deskundige zou ook vraagtekens hebben geplaatst bij deze rentelast. [82] Het middel miskent daarmee dat het hof blijkens rov. 2.20 de rente verschuldigd aan [A] niet meenam in de draagkrachtberekening toen de man deze rentelast feitelijk niet betaalde, maar zijn vordering in rekening-courant verrekende vanwege de schuld van [A] aan de man. In rov. 2.33 komt het hof tot de conclusie dat die schuld per mei 2020 is afgelost, zodat het hof vanaf dat moment rekening gaat houden met een feitelijke betaling van rente. Die gedachtegang lijkt mij goed te volgen, maar vormt vooral een feitelijk oordeel dat in cassatie beperkt toetsbaar is. Voorop dient immers te staan dat in beginsel alle schulden van invloed zijn op de draagkracht van een onderhoudsplichtige, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. De feitenrechter kan grond aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, zolang hij voldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die hem tot deze beslissing heeft geleid. [83] Dat inzicht heeft het hof voldoende en op begrijpelijke wijze gegeven.
subonderdeel 2.5-Vwordt nog zijdelings geklaagd dat het hof de vordering van de man op [A] per 31 december 2017 ad € 128.650 onbesproken laat en ook om deze reden de eindbeschikking onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Uit rov. 2.33 volgt echter dat het hof met die vordering wel rekening heeft gehouden, omdat vanaf mei 2020 die vordering is verrekend met de rentelasten van de man.
subonderdelen 2.5-III, 2.5-IIIb en 2.5-Vvooral falen, omdat het aan de feitenrechter is de factoren die de draagkracht en behoefte bepalen vast te stellen en te wegen. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. [84] Hierop stuiten de klachten met name af.
subonderdeel 2.6deelt in het lot van het voorgaande en faalt ook.