Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
2 november 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over partneralimentatie na echtscheiding tussen een man en een vrouw, beiden bestuurder van een BV. De rechtbank had een alimentatiebedrag vastgesteld, maar het hof verlaagde dit aanzienlijk op basis van het feit dat de man minder uren werkte na verkoop van een dochtermaatschappij en dat zijn inkomen was gedaald tot een managementvergoeding van €2.800 bruto per maand.
De vrouw stelde dat bij de draagkrachtberekening ook rekening moest worden gehouden met de winst van de onderneming en andere mogelijke inkomsten, zoals huurinkomsten en rekening-courant opnamen. Het hof ging hier niet voldoende op in en motiveerde zijn oordeel ontoereikend, onder meer door niet te reageren op de stellingen van de vrouw over de financiële ruimte van de vennootschap om een hoger salaris te betalen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad benadrukte dat bij de draagkrachtberekening niet alleen het feitelijk inkomen, maar ook het redelijkerwijs te verwerven inkomen moet worden betrokken, waaronder winst uit onderneming. De kosten van het cassatiegeding worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling waarbij ook winst uit onderneming moet worden betrokken bij de draagkrachtberekening.